Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4082

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
18-06-2002
Zaaknummer
01-00897
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AQ6882
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 01/00897

U i t s p r a a k

op het beroep van de Fiscale eenheid [X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [Z] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar voor de perioden 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997 en 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, ten bedrage van ƒ 32.181, met een verhoging van ƒ 1.434, en een bedrag aan heffingsrente van ƒ 2.973. Voor het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, ten bedrage van ƒ 14.348, met een verhoging van ƒ 1.434 en een bedrag aan heffingsrente van ƒ 430.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt.

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen bij de bestreden uitspraken gehand-haafd, maar heeft de verhogingen geheel kwijtgescholden.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de - gevoegde - zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 januari 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur].

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 januari 2002, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteert een slachterij te [Z]. In de slachterij worden voornamelijk varkens geslacht. De omzet bestaat hoofdzakelijk uit de verkoop (na slachting) van ingekocht vee en de verkoop van slachtafval. Voorts wordt vee in opdracht van derden geslacht.

2.2. De Vleeskeuringswet uit 1919 bepaalt onder meer:

- dat slachtdieren vóór en ná het slachten aan keuring zijn onderworpen (artikel 4);

- dat hij die een slachtdier wil slachten of doen slachten, daarvan vooraf kennis geeft overeenkomstig de bij deze wet vastgestelde voorschriften (artikel 6);

- dat bij de keuring vóór het slachten vergunning of voorwaardelijke vergunning tot slachten wordt gegeven (artikel 11);

- dat de eigenaar van het vlees, dan wel degene, die ter zake in diens rechten treedt, indien hij zich met een keuringsbeslissing niet kan verenigen, herkeuring kan vorderen op kosten van ongelijk (artikel 13);

- dat op grond van artikel 26a, eerste lid, van de Vleeskeuringswet een vergoeding wordt geheven overeenkomstig vastgestelde tarieven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van deze wet;

- en dat aan de heffing zijn onderworpen diegenen die een slachtdier laten keuren ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid (artikel 26a, tweede lid).

2.3. Op grond van de Vleeskeuringswet zijn aldus slachtdieren vóór en ná het slachten aan keuring onderworpen. Hiertoe meldt belanghebbende bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) dat hij de desbetreffende slachtdieren wil slachten, waarna een keuring op een in overleg vastgestelde datum volgt, zodat keuringen van meerdere slachtdieren op hetzelfde adres achtereenvolgens kunnen worden verricht. Overeenkomstig artikel 26a van de Vleeskeuringswet brengt de RVV een retributie in rekening, bestaande uit een "starttarief", alsmede een tijdvergoeding voor de dierenarts per kwartier, en een tijdvergoeding voor de keurmeester per kwartier. In het vaste starttarief zijn onder meer de kosten van laboratoriumonderzoek begrepen.

2.4. Ten aanzien van het vee dat in opdracht wordt geslacht, berekent belanghebbende alleen omzetbelasting over het slachtloon. Over de keurloongelden brengt belanghebbende geen omzetbelasting in rekening aan de opdrachtgever. De op deze facturen afzonderlijk vermelde bedragen aan keurloon zijn niet de werkelijke keurloonkosten, maar betreffen een aandeel in de totale kosten van keuringen.

Het totaalbedrag van de keurloonkosten, de in rekening gebrachte RVV-heffing, wordt door belanghebbende pro rata parte (per dier) als keurloon op de afrekeningen vermeld.

2.5. In de gevallen waarin vee wordt ingekocht ten behoeve van de verkoop, geschiedt deze inkoop onder de conditie "franco slachterij". De leverancier draagt aldus de kosten van vervoer naar de slachterij, de transportverzekering en overige kosten voorafgaande aan de aflevering bij de slachterij. Overeenkomstig het gebruik in de slachterijbranche maakt de slachter de afrekening op, aangezien de hoogte van de te betalen bedragen afhankelijk is van onder meer het netto gewicht en de kwaliteit van het vlees. Op de door belanghebbende opgemaakte afrekeningen wordt de prijs voor het afgenomen vlees, verminderd met bedragen als "slachtloon", "vracht" en "starttarief + keurloon ± toeslag RVV". De op de afrekeningen laatstvermelde bedragen zijn niet de werkelijke keurloonkosten, maar betreffen een aandeel in de totale kosten van keuringen. Het totaalbedrag van de keurloonkosten, de in rekening gebrachte RVV-heffing, wordt door belanghebbende pro rata parte (per dier) als keurloon op de afrekeningen vermeld. Het resterende bedrag wordt aan de leverancier uitgekeerd. Belanghebbende berekent ter zake van deze keurloongelden geen omzetbelasting. Ten aanzien van de inkoop van het afgenomen vlees, heeft belanghebbende een forfaitaire BTW-aftrek toegepast op de bruto prijs, zijnde de prijs vóór de vermindering met slachtloon, vracht en keurloon-gelden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de keurloongelden als "andere belastingen en heffingen gedane uitschotten" in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, kunnen worden beschouwd.

3.2. Voorts is, na ter zitting is gebleken, in geschil of de keurloongelden, welke op de afrekening in mindering worden gebracht, voor de berekening van het bedrag dat dient als grondslag voor de te claimen voorbelasting op grond van artikel 27, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, opgeteld dient te worden bij het netto uitbetaalde bedrag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 bepaalt dat tot de vergoeding niet behoren de voor degene, aan wie de dienst wordt bewezen, aan invoerrechten en andere belastingen en heffingen gedane uitschotten. De Hoge Raad heeft het begrip uitschot van andere belastingen in zijn arrest van 20 februari 1985, nr. 22618, BNB 1985/128, in navolging van eerdere vaste jurisprudentie van de Tariefcommissie ruim uitgelegd. Het gaat daarbij om alle doorberekende belastingen die door de ondernemer zelf verschuldigd zijn naar evenredigheid van zijn dienst en als zodanig afzonderlijk en naar evenredigheid worden doorberekend aan wie de dienst wordt bewezen. Aldus dient te zijn voldaan aan twee voorwaarden. In de eerste plaats moet degene die de dienst verricht de belasting naar evenredigheid van zijn verrichte dienst verschuldigd zijn. In de tweede plaats moet de belasting afzonderlijk en naar evenredigheid van de dienst worden doorberekend.

4.2. De overeenkomstig de Vleeskeuringswet verrichte keuringen, terzake waarvan de zogenaamde keurloongelden op grond van deze wet worden geheven, zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de slacht en maken, indien een slachtdienst in opdracht van een ander wordt gedaan, daarvan een onlosmakelijk onderdeel uit. Aangezien de keurloongelden worden geheven naar vastgestelde tarieven welke naar evenredigheid van de verrichte keuring worden berekend, is voldaan aan de voorwaarde dat de belasting verschuldigd is naar evenredigheid van de verrichte dienst, waarvan de keuring onderdeel uitmaakt. Hoewel belanghebbende de keurloongelden afzonderlijk door-berekent aan haar opdrachtgevers, deze betreffen niet de werkelijke keurloonkosten, maar een aandeel in de totale kosten van de keuringen, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de heffingen naar evenredigheid van de dienst worden doorberekend. Derhalve kunnen de berekende keurloongelden niet worden beschouwd als voor degene aan wie de dienst wordt bewezen gedane "andere belastingen en heffingen gedane uitschotten" in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

4.3. Nu de inkoop geschiedt onder de conditie "franco slachterij", waarbij de leverancier de kosten draagt van vervoer naar de slachterij, de transportverzekering en overige kosten voorafgaande aan de aflevering bij de slachterij, zijn de keurloongelden en slachtlonen kosten welke opkomen in de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende. Aldus is geen sprake van een met de leverancier contractueel overeengekomen slachtdienst, welke in zijn opdracht en voor zijn risico worden verricht. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, dient in geval van inkoop van vee ten behoeve van de verkoop, het op grond van artikel 27, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 terugvorderbare forfaitaire voorbelastingbedrag berekend te worden over het netto uitbetaalde bedrag, zonder bijtelling van de doorberekende keurloongelden of slachtlonen.

4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

5. Proceskostenveroordeling

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 3 mei 2002 door mr. Lamens, voorzitter, mr. Van Schie en mr. drs. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van mr. Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 mei 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.