Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4024

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
21-001580-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41, geldigheid: 2002-06-12
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2002-06-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-001580-01

Uitspraak dd.: 12 juni 2002

TEGENSPRAAK

GERECHTSHOF TE ARNHEM

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 17 juli 2001 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres]

thans verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 september 2001, 5 november 2001, 13 december 2001, 25 maart 2002 en 29 mei 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de telastelegging de nadere omschrijving van de telastelegging, zoals deze is toegelaten door de rechtbank, bijlage IIa, en voor de inhoud van de wijziging van de telastelegging in hoger beroep bijlage IIb)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Algemene overwegingen.

Deze strafzaak betreft de gewelddadige confrontatie tussen de families [C.] en [I.] op 8 april 2000 te [woonplaats familie I.] waarbij aan de zijde van de familie [C.] twee doden en één lichtgewonde zijn gevallen en aan de zijde van de familie [I.] twee gewonden zijn gevallen.

Uit verklaringen van leden van de beide families volgt dat deze gewelddadige confrontatie de (tot nu toe) laatste gebeurtenis is in de bloedwraak tussen de familie [C.] enerzijds en de families [I.] en [A.] anderzijds.

Gelet op de rol die het fenomeen "bloedwraak" in deze strafzaak heeft gespeeld, heeft het hof, mede op verzoek van de verdediging, een rapport laten opstellen door dr C. van Eck, gedateerd 2 augustus 2001, betreffende hetgeen haar wetenschap haar leert over de culturele achtergronden van:

· de 40 dagen rouw die door verschillende getuigen is gemeld en de betekenis van de bijeenkomst die de familie [C.] na 40 dagen heeft gehouden;

· de vraag of mannelijke leden van de familie [I.] er mogelijk belang bij hebben geen belastende verklaring af te leggen over mw. [Z. I.] of een andere vrouw;

· de wijze waarop de familie [I.] in het bloedwraakconflict tussen de familie [A.] en de familie [C.] terecht is gekomen.

Voor de beoordeling van het beroep op noodweer, mede in het licht van de bloedvete tussen de families [C.] en [I.] acht het hof de volgende feiten en omstandigheden betreffende de gebeurtenissen op 8 april 2000 te [woonplaats familie I.] en de aanloop daartoe van belang:

· De bloedvete zou zijn aangevangen toen in 1994 [M.] [C.] te Apeldoorn werd gedood door [R.] [A.], een schoonzoon van de familie [I.]. [R.] [A.] is voor dit feit veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Volgens opgave van de familie [I.], hebben [S.] en [H.] [C.], respectievelijk de vader en broer van [M.] [C.], in 1998 geprobeerd [M.] [H.] [I.] voor de trein te gooien. Dit zou een poging zijn geweest de dood van [M.] [C.] te wreken. In maart 1999 komt [R.] [A.] uit de gevangenis en drie maanden later wordt hij in zijn woonplaats [woonplaats familie I.] gedood door [M.] [C.]. Volgens de familie [I.] is [M.] [C.] een huurmoordenaar die is ingeschakeld door de familie [C.]. Na het doden van [R.] [A.] zou "de stand" in slachtoffers 1 - 1 zijn. Volgens voormeld rapport zou de familie [C.] hiermee haar slachtoffer hebben gewroken en zou de familie [I.], om te voorkomen dat zij opnieuw jaren lang in angst voor bloedwraak zouden moeten leven, geen behoefte hebben gehad de dood van de schoonzoon te wreken. Op 26 februari 2000 wordt [S.] [C.] door een 20-jarige neef van [R.] [A.] in [geboorteland] gedood. De familie [I.] zou hierdoor tegen haar wil weer in de bloedvete zijn betrokken. Door leden van de familie [I.] is ter terechtzitting van het hof gesuggereerd dat de familie [C.] de bloedvete richt op de familie [I.], omdat de familie [A.], een doelwit dat meer voor de hand zou liggen, te machtig zou zijn.

· Bloedwraak komt voor uit de "seref", de eer in de zin van aanzien, status, prestige. Door het doden van een lid van de familie zijn de mannelijke leden van de familie in hun seref aangetast. Volgens het principe "oog om oog, tand om tand" wordt er een lid van de andere familie gedood om de seref te herwinnen. Het is niet gebruikelijk dat vrouwen een actieve rol spelen in een bloedvete. Een mannelijk slachtoffer zou nooit kunnen worden vereffend door een vrouw uit de andere familie te doden. Tevens zou het als minderwaardig worden ervaren om op een vrouw te schieten.

· Op zaterdag 8 april 2000, 40 dagen na het overlijden van [S.] [C.], is er ten huize van [S.] en [S.] [C.] in de [adres] te [woonplaats familie C] een herdenkingsbijeenkomst gehouden, waar vele in Duitsland, België en Nederland wonende leden van de familie [C.] werden ontvangen. Met een dergelijke herdenkingsbijeenkomst wordt de periode van 40 dagen rouw na het overlijden van een familielid afgesloten. Vast staat dat [B.], [A.], [H.] en [M.] [C.] na afloop van deze bijeenkomst met zijn vieren naar [woonplaats familie I.] zijn gereden.

Na de bestudering van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet in staat gebleken het verloop van de gebeurtenissen op 8 april 2000 volledig te reconstrueren. Leden van de beide families hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het eerste en het tweede treffen op 8 april 2000, waarbij de eigen rol en de rol van hun familieleden wordt geminimaliseerd, en de rol van leden van de andere familie wordt uitvergroot. Het technisch bewijs en de verklaringen van onpartijdige getuigen verschaffen slechts ten dele duidelijkheid over het werkelijke verloop van de confrontaties. Gezien het tijdsverloop en het gebrek aan onpartijdige getuigen is het hof van oordeel dat nader onderzoek naar de toedracht van deze gebeurtenissen, op welke wijze dan ook, niet meer duidelijkheid zal brengen. Het hof zal derhalve moeten beslissen op basis van hetgeen nu bekend is.

De getuigen [A.] en [B.] [C.] hebben verklaard dat zij samen met [M.] en [H.] [C.] waren verdwaald, waardoor zij toevallig in [woonplaats familie I.], in de straat waar leden van de familie [I.] woonden, terecht zijn gekomen, dat zij niet waren bewapend en dat er geen andere leden van de familie [C.] met hen waren meegegaan naar [woonplaats familie I.]. Dat zij in [woonplaats familie I.] een auto tegenkwamen waar leden van de familie [I.] in zaten en vanuit die auto werden beschoten terwijl zij in de auto zaten. Dat toen zij op de politie stonden te wachten leden van de familie [I.] verschenen. Dat [H.] [I.] als eerste heeft geschoten, waarna ook [M.] [I.] en [Or.] [I.] zouden hebben geschoten. De getuigen ontkennen dat er door leden van de familie [C.] is geschoten.

Bij de waardering van de verklaringen van [A.] en [B.] [C.] heeft het hof de inhoud van deze verklaringen vergeleken met de zich in het dossier bevindende verklaringen van de getuigen:

· [getuige 1], onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: "Er stonden op dat moment ongeveer 8 personen op straat, waaronder 2 vrouwen. Ik had de indruk dat het om twee groepen ging. De groepen stonden op ongeveer 1,5 a 2 meter uit elkaar. Ik zag dat er vanuit allebei de groepen werd geschoten, over en weer";

· [getuige 2], onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: "Ik had het gevoel dat er zes of zeven mannen of vrouwen schoten. Ik zag mondingsvuur over de gehele breedte van de weg;

· [getuige 3], onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: "Ik hoorde en zag dat er over en weer geschoten werd. Ik zag dat de vrouw die ik in het gezicht keek ook met een pistool schoot".

· [getuige 4], onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: "Ik ben zondag 9 april 2000 naar het Turks-cultureel centrum te Doesburg gegaan. De schietpartij was het gesprek van de dag. Ik hoorde dat de mensen uit [woonplaats familie C] (de leden van de familie [C.]) met drie of vier wagens vanuit [woonplaats familie C] naar [woonplaats familie I.] zijn gekomen. Ik hoorde het verhaal dat men met 5 personen was gekomen. Anderen hadden het over aantallen van 10 tot 15 personen. De mensen uit [woonplaats familie C] hadden de mensen uit [woonplaats familie I.] uitgedaagd. Zij zouden in [woonplaats familie I.] aan de deur zijn gekomen. Men vertelde dat de zoon van [M.] door de mensen uit [woonplaats familie C] is beschoten toen hij uit zijn auto kwam. Nadat zijn zoon was getroffen heeft [M.] teruggeschoten op de mensen uit [woonplaats familie C]".

Voorts heeft het hof hierbij gelet op:

· het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) waaruit volgt dat tijdens de tweede confrontatie met minimaal 3 en mogelijk 5 vuurwapens is geschoten. Het minimum is gebaseerd op de van elkaar verschillende clusters sporen die zijn aangetroffen op de gevonden hulzen en kogeldelen. De pistolen SVO-nummer 901, merk Smith & Wesson en SVO-nummer 2404, merk CZ 83 zijn bekend en daarnaast is nog minstens één onbekend vuurwapen gebruikt. Voorts zijn er nog 2 clusters sporen op de munitiedelen aangetroffen, die niet zijn te herleiden tot voormelde vuurwapens zodat deze munitie dus mogelijk met andere vuurwapens is afgevuurd.

· het feit dat zowel [M.] [I.] als [M.] [H.] [I.] meerdere malen zijn geraakt en het onwaarschijnlijk is dat al hun verwondingen alleen het gevolg zijn van kruisvuur tussen leden van hun eigen familie;

· het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant], betreffende de inhoud van de geluidsband waarop de melding van het schot dat, naar later is gebleken, [Om.] [I.] heeft gelost op (de auto van) [B.], [A.], [H.] en [M.] [C.], waaruit blijkt dat aan de zijde van de [C.]'s een Turkse vrouw bij het telefoongesprek aanwezig is.

Gelet op hetgeen voormeld rapport leert over de bloedvete tussen de families, de verklaringen van onpartijdige getuigen betreffende de schietpartij op 8 april 2000 te [woonplaats familie I.], de bandopname van het telefoongesprek met de alarmcentrale na de eerste confrontatie, het rapport van het NFI, de aard van de verwondingen van [M.] [I.] en [M.] [H.] [I.] en mede gelet op de houding van de getuigen ter terechtzitting, is het hof van oordeel dat de getuigen [A.] [C.] en [B.] [C.] op een aantal punten aantoonbaar onjuist hebben verklaard. Het hof zal in zoverre geen waarde aan verklaringen van de getuigen [A.] en [B.] [C.] hechten, dat deze verklaringen niet ten nadele van de verdachte zullen worden gebruikt, voor zover de inhoud daarvan niet wordt bevestigd door informatie uit onverdachte bron.

Gezien het voormelde en in bijzonder het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant], de verklaringen van de onpartijdige getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] acht het hof het aannemelijk dat:

· één of meer leden van de familie [C.] die op 8 april 2000 te [woonplaats familie I.] aanwezig waren, met één of meer vuurwapen(s) waren bewapend en tijdens de tweede confrontatie ook daadwerkelijk hebben geschoten;

· de leden van de familie [C.] na de herdenking van het overlijden van [S.] [C.] bewust naar [woonplaats familie I.] zijn gereden en daar de confrontatie hebben gezocht met de familie [I.].

· naast de twee slachtoffers en de getuigen [B.] en [A.] [C.], op het moment van de schietpartij van 8 april 2000 meer leden van de familie [C.] in de directe omgeving van deze schietpartij aanwezig waren;

· [Z. I.] een van de schutters van de zijde van de familie [I.] is geweest.

Dit ondanks dat bijna al de leden van de beide families daarover zwijgen. Immers leden van de familie [I.] zullen haar vermoedelijk zo veel mogelijk beschermen en voor de leden van de familie [C.] is het vermoedelijk een aantasting van hun eer als zij zouden toegeven dat zij zijn beschoten door een vrouw;

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair telastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 april 2000 thuis ziek op de bank lag en door een vreemde werd gebeld, die hem mededeelde dat op zijn zoon was geschoten, dan wel dat zijn zoon was doodgeschoten. Verdachte heeft vervolgens zijn pistool gepakt en is in de richting van het huis van zijn zoon [Or.] gelopen. In de buurt van deze woning werd hij geconfronteerd met een groot aantal leden van de familie [C.]. Verdachte had de indruk dat het in totaal om 9 personen ging. Verdachte heeft de leden van de familie [C.] opgeroepen weg te gaan en zijn familie met rust te laten. Vervolgens begon iemand te schieten en zag verdachte dat zijn zoon [H.] werd geraakt en is verdachte zelf ook geraakt. Daarna zou verdachte ter bescherming van zijn familie min of meer in het wilde weg hebben teruggeschoten. Namens verdachte is gesteld dat er geen sluitend technisch bewijs voorhanden is dat de kogels afgevuurd door verdachte een van de slachtoffers of beide slachtoffers hebben geraakt en dat voorts niet vaststaat dat de slachtoffers nog in leven waren op het moment dat ze eventueel zouden zijn geraakt door een kogel afgevuurd door verdachte. Voorts zou de gezondheidstoestand van verdachte dusdanig zijn verslechterd dat er van gericht schieten geen sprake meer zou kunnen zijn. Tevens is aangevoerd dat er geen sprake is van bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering zodat het medeplegen van het telastegelegde niet kan worden bewezen. Derhalve zou verdachte dienen te worden vrijgesproken van het telastegelegde (mede)plegen van moord dan wel doodslag en de poging tot moord dan wel doodslag.

Ten aanzien van het bewijsverweer van verdachte in het bijzonder, overweegt het hof als volgt:

· Gelet op het technisch bewijs, de verklaringen van de getuigen en van verdachte acht het hof bewezen dat hij tijdens de schietpartij op 8 april 2000 veertien maal heeft geschoten met zijn pistool, SVO-nummer 901, merk Smith & Wesson.

· Gelet op de verklaring van de getuige [getuige 3] acht het hof het aannemelijk dat ook [Z. I.] heeft geschoten.

· Nu het pistool, SVO-nummer 2404, merk CZ 83, in beslag is genomen in een woning van iemand behorende tot de "kant" van de familie [I.], acht het hof het aannemelijk dat een van de leden van de familie [I.] met dit vuurwapen heeft geschoten;

· Hierdoor zijn twee van de gebruikte vuurwapens te herleiden tot leden van de familie [I.];

· Gelet op voormelde getuigenverklaringen acht het hof aannemelijk dat één of meer leden van de familie [C.] op 8 april 2000 te [woonplaats familie I.] in het bezit waren van een vuurwapen, en hebben geschoten.

Gelet op voormelde overwegingen heeft het hof minimaal één en maximaal drie vuurwapens niet kunnen koppelen aan de schutters. Deze wapens kunnen zowel door leden van de familie [C.] als door leden van de familie [I.] zijn gebruikt, waarbij minstens één van de wapens door leden van de familie [C.] moet zijn gebruikt.

Vast staat evenwel dat verdachte tijdens de schietpartij op 8 april 2000 vanaf korte afstand veertien maal heeft geschoten met zijn pistool, SVO-nummer 901, merk Smith & Wesson, in de richting van leden van de familie [C.]. Voorts acht het hof bewezen dat het pistool, SVO-nummer 2404, merk CZ 83 is gebruikt door een lid van de familie [I.]. Derhalve acht het hof bewezen dat verdachte samen met één ander, dan wel samen met anderen heeft geschoten op [A.], [B.], [M.] en [H.] [C.].

Tijdens de sectie zijn op het slachtoffer [H.] [C.] een achttal doodschotverwondingen aangetroffen, waarbij hart, longen en lichaamsslagaderen zijn geraakt. De in het slachtoffer [H.] [C.] aangetroffen kogeldelen 001l en 001m konden niet tot een bepaald vuurwapen worden herleid. De kogel 001n is verschoten uit de loop van een onbekend vuurwapen. Mogelijk is kogel 001o verschoten uit de loop van hetzelfde onbekende vuurwapen. Tijdens de sectie zijn bij het slachtoffer [M.] [C.] een tweetal doorschotverwondingen aangetroffen, waarbij door doorschot A1 de destructie is veroorzaakt van hersenschedel, hersenweefsel, hersenstam en linkeroogbol. Doorschot A3 heeft een ribfractuur, wervelfractuur en destructie van het ruggenmerg veroorzaakt.

Beide slachtoffers zijn overleden aan de gevolgen van schotletsel. De in het lichaam van het slachtoffer [M.] [C.] aangetroffen kogel 002o is waarschijnlijk afgeschoten uit de loop van het pistool, SVO-nummer 2404, merk CZ 83. De eveneens in het lichaam van het slachtoffer [M.] [C.] aangetroffen kogel 002n is niet tot een bepaald vuurwapen te herleiden.

Uit de verklaringen van verdachte en van getuigen blijkt dat verdachte samen met één of meer leden van zijn familie in korte tijd een reeks schoten heeft afgevuurd. Hoewel niet vaststaat welke kogels de dood van de twee slachtoffers hebben veroorzaakt en wie deze projectielen heeft of hebben afgevuurd, staat wel vast dat de twee slachtoffers zijn overleden aan de gevolgen van de voormelde door- en inschoten. Het valt niet volledig uit te sluiten dat (een van) de slachtoffers ook per ongeluk is geraakt door een schot afgevuurd door van zijn familieleden. Gelet op de vele door- en inschoten en de aard en ernst van de daardoor veroorzaakte verwondingen, acht het hof bewezen dat de slachtoffers M. [C.] en H. [C.] zijn overleden aan het gevolg van de door verdachte en zijn mededader(s) afgevuurde kogels. Te meer nu verdachte en zijn mededader(s) meermalen gericht hebben geschoten op de beide slachtoffers, terwijl de schoten afgevuurd door (een van) de leden van de familie [C.] juist op verdachte en zijn mededader(s) gericht zullen zijn geweest.

Nu verdachte samen met zijn mededader(s) in de richting van de woning van zijn zoon is gelopen om hem zo nodig naar het ziekenhuis te brengen, nadat zij zich tevoren hadden bewapend met vuurwapens, en vrijwel op hetzelfde moment hebben geschoten op voormelde leden van de familie [C.], is het hof van oordeel dat er, mede gelet de bestaande bloedvete, sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Door het van dichtbij afvuren van een reeks schoten op de leden van de familie [C.] heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat één of meerdere personen dodelijk zouden worden getroffen, zodat er tenminste sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers.

Het hof verwerpt de gevoerde bewijsverweren.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. hij op april 2000 te [woonplaats familie I.] tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk M. [C.] en H. [C.] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en verdachtes mededader(s) opzettelijk op die M. [C.] en H. [C.] hebben geschoten met vuurwapens tengevolge waarvan voornoemde personen zijn overleden.

2. hij op april 2000 te [woonplaats familie I.] ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk A. [C.] en B. [C.] van het leven te beroven, tezamen met zijn mededader(s) opzettelijk met vuurwapens heeft geschoten op die A. [C.] en B. [C.], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Het medeplegen van:

Doodslag;

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Het medeplegen van:

Poging tot:

Doodslag;

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Door en namens verdachte is onder meer een beroep op noodweer gedaan, zoals verwoord in de pleitnota van de raadsman van verdachte.

Gelet op de ontwikkelingen rond voormelde bloedvete en hetgeen over de achtergrond daarvan bekend is, acht het hof het aannemelijk dat de leden van de familie [I.] sinds de dood van [M.] [C.] in 1994 letterlijk in doodsangst hebben geleefd en dat deze angst gerechtvaardigd was, in het licht van hetgeen bekend is over deze bloedvete.

Uit de verklaring van verdachte, maar ook uit de verklaringen van [A.] en [B.] [C.] volgt dat verdachte, direct na de telefonische melding dat zijn zoon was neergeschoten, met een pistool bewapend in de richting van de woning van zijn zoon is vertrokken. Bij de ontmoeting met de leden van de familie [C.] heeft verdachte geprobeerd rust te creëren. Korte tijd is de situatie gesust geweest. Vaststaat dat de situatie is geëscaleerd op het moment dat [H.] [I.] arriveerde. Niet is komen vast te staan wie toen het eerst heeft geschoten. Echter gelet op de verklaring van verdachte dat hij pas heeft geschoten nadat hij zag dat zijn zoon was neergeschoten en hij zelf was geraakt in samenhang met de inhoud van de verklaringen van [A.] en [B.] [C.], waaruit volgt dat verdachte niet als eerste heeft geschoten, is het aannemelijk dat het handelen van verdachte een reactie was op een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, te weten schieten op hemzelf en/of zijn zoon.

Gelet op de ontstane situatie, waarbij verdachte van korte afstand werd beschoten met één of meer vuurwapens en de gezondheidstoestand van verdachte, stonden er hem geen andere middelen open om zich te verdedigen en kon hij zich niet aan de situatie onttrekken zodat er naar oordeel van het hof is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof aanvaardt derhalve het beroep op noodweer en zal verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 ontslaan van alle rechtsvervolging.

Nu het hof dit verweer heeft aanvaard zullen de overige verweren niet worden behandeld.

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij, S. [C.], heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f 14 304,00 (veertienduizenddriehonderdvier gulden) ingesteld.

Deze vordering is bij vonnis, waarvan beroep, toegewezen.

In het vonnis, waarvan beroep, is op grond van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde opgelegd.

De raadsman van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting medegedeeld dat de vordering in hoger beroep wordt gehandhaafd.

De benadeelde partij, A. [C.], heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f 3.400,00 (drieduizendvierhonderd gulden) ingesteld.

Bij het vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De raadsman van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting medegedeeld dat de vordering in hoger beroep wordt gehandhaafd.

Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, noch artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dienen de benadeelde partijen, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 41, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Heft op de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 12 juni 2002.

Bepaalt dat de benadeelde partij S. [C.], domicilie kiezende te Utrecht, Biltstraat 110, in haar vordering niet-ontvankelijk is.

Bepaalt dat de benadeelde partij A. [C.], domicilie kiezende te België, Sint Joris Weert, Speelbergstraat 16, in haar vordering niet-ontvankelijk is.

Aldus gewezen door

mr Kerssemakers, voorzitter,

mrs Lamens en Van den Heuvel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Van Laethem, griffier,

en op 12 juni 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Lamens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen