Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE3922

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
01/529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

4 juni 2002

eerste civiele kamer

rolnummer 2001/529 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ravestein Container Pontoon B.V.,

gevestigd te Dodewaard,

appellante,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal,

tegen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1. Neo Kemp B.V.

2. Van Meegen Maritiem B.V.

3. Van Meegen Trading B.V.

4. Van Meegen Beheer B.V.

5. Neo Kemp I B.V.

6. Neo Kemp II B.V.

7. Neo Kemp III B.V.

8. Neo Kemp IV B.V.,

alle gevestigd te Bemmel, alsmede

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

9. ToDo Investments B.V.

10. Neo Management B.V.

beide gevestigd te Hendrik Ido Ambacht, alsmede

11. [geïntimeerde sub 11]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr E.A. van der Dussen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de president van de rechtbank te Arnhem van 27 april 2001, in kort geding gewezen tussen appellante (hierna te noemen: RCP) als eiseres en geïntimeerden als gedaagden. Een fotokopie van dat vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 9 mei 2001 heeft RCP hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van 27 april 2001, met dagvaarding van geïntimeerden om voor dit hof te verschijnen. In dit exploot heeft RCP aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

in conventie: overeenkomstig de in het bestreden vonnis op de pagina's 5 en 6 opgenomen eis in eerste aanleg, waarbij het hof aanneemt dat met "gedaagden" thans telkens wordt bedoeld "geïntimeerden" en met "het te dezen te wijzen vonnis" telkens "het te dezen te wijzen arrest";

in reconventie: geïntimeerden niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen dan wel hun vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van gedaagden (het hof leest: geïntimeerden) in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft RCP negen grieven geformuleerd en toegelicht, producties overgelegd en geconcludeerd voor eis overeenkomstig het exploot van dagvaarding.

2.3 Geïntimeerden hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof RCP niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen zal afwijzen en, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met veroordeling van RCP in de kosten in beide instanties, althans de kosten in beide instanties met inbegrip van de kosten van het geëntameerde TNO-onderzoek, zoals door geïntimeerden gevorderd in reconventie in eerste aanleg en vooralsnog (het hof leest: begroot) op € 18.000,--, alles voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

2.4 Vervolgens hebben partijen hun zaak ter zitting van 22 april 2002 doen bepleiten, RCP door mrs. A. Malmberg-Wijffelman en G.H.J. Dolk, beiden advocaat te Rotterdam, en geïntimeerden door mrs. A.P. Smit en J.F. van der Stelt, eveneens beiden advocaat te Rotterdam, beiderzijds mede aan de hand van pleitnotities.

Aan zowel RCP als geïntimeerden is akte verleend van het in het geding brengen van producties.

2.5 In aansluiting op de pleidooien hebben de partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Tegen de vaststelling van de in het bestreden vonnis opgenomen feiten (pagina's 3 en 4) zijn geen grieven of bezwaren gericht. Ook het hof gaat daarom van die feiten uit.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Door de grieven wordt het geschil in conventie in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.

Geïntimeerden hebben niet incidenteel geappelleerd tegen de afwijzing van de voorwaardelijke vordering in reconventie, zodat deze geen deel meer uitmaakt van het geding in hoger beroep.

4.2.1 De grieven I, II en III zien op de kwestie van de auteursrechtelijke bescherming.

4.2.2 Het hof is, anders dan de president, van oordeel dat het ontwerp van de Neokemp wèl voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt.

Het is op zich zondermeer juist dat het ontwerp van een binnenvaartschip, zeker als dit bestemd is voor een standaardhoeveelheid standaardobjecten, zoals vrachtcontainers bij uitstek zijn, voor een groot deel functioneel bepaald is.

Daarnaast is er een veelheid aan overheidsvoorschriften, waaraan zulke schepen met het oog op een veilige bedrijfsvoering moeten voldoen.

Dat neemt niet weg dat naar het oordeel van het hof de Neokemp een eigen oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Het gaat daarbij om de totaalindruk, die gevormd wordt door een combinatie van vele details, die wellicht ieder apart niet maar in hun gezamenlijkheid wel het eigen karakter van het ontwerp bepalen.

Het hof noemt meer in het bijzonder het extreem vóór op het schip geplaatste stuurhuis, hetgeen bij binnenvaartschepen geenszins algemeen gebruikelijk is. Weliswaar hebben geïntimeerden afbeeldingen in het geding gebracht van oudere schepen met het stuurhuis voor op het schip (productie 23, de "Almere" en productie 24, de "Bijlmermeer"), maar daarbij ging het telkens om schepen voor bulkvracht die een geheel andere totaalindruk maken dan de Neokemp (oneerbiedig gezegd: veel ouderwetser, hetgeen overigens strookt met de door geïntimeerden aangegeven bouwjaren, nl. begin jaren '70), met name door de in vergelijking met de Neokemp nogal prominente voorsteven van beide schepen, waarbij bij de "Almere" bovendien het woongedeelte nog ruim voor het stuurhuis uitsteekt.

Andere kenmerkende elementen van de Neokemp zijn de relatief hoge opbouw van de machinekamer, de ramen van het stuurhuis en de terugwijkende bovenrand van de voorsteven.

4.2.3 Naar het oordeel van het hof moet voorshands worden aangenomen dat het auteursrecht aan RCP toekomt. De tussen RCP en Van Meegen Trading B.V. gesloten samenwerkingsovereenkomst d.d. 28 september 1999 (RCP's productie 5) houdt ondermeer in dat "de bouwer" (=RCP, hof) een standaard containerschip genaamd "Neokemp" heeft ontworpen, alsmede dat de tekeningen en berekeningen voor het schip eigendom zijn en blijven van de bouwer.

4.2.4 Naar het voorlopig oordeel van het hof maakt de Neo-K echter geen inbreuk op RCP's auteursrecht op de Neokemp. Er zijn dusdanige verschillen tussen beide ontwerpen aan te wijzen, dat het relevante -deskundige- publiek ze ongetwijfeld uit elkaar zal weten te houden.

Van de hiervoor opgesomde kenmerkende elementen van de Neokemp komt alleen de extreem voorlijke plaatsing van het stuurhuis bij de Neo-K terug. Deze plaatsing is echter voor een groot deel functioneel bepaald: àls er eenmaal voor wordt gekozen om het stuurhuis van een containerschip vóór de lading te plaatsen, dan ligt een zo voorlijk mogelijke positie in de rede.

Op de andere genoemde kenmerkende elementen wijkt de Neo-K duidelijk van de Neokemp af: de machinekamer is benedendeks terechtgekomen, de ramen van het stuurhuis bieden door de dunnere stijlen en de andere vlakverdeling een geheel andere aanblik en de opstaande rand van de voorsteven staat veel rechter dan bij de Neokemp. Bovendien zijn de radarmasten geheel verschillend.

4.2.5 Het voorgaande leidt tot het oordeel, dat de grieven I, II en III geen doel treffen.

4.3.1 Grief IV stelt de modelrechtelijke bescherming aan de orde en klaagt er meer in het bijzonder over, dat de president geen aandacht heeft besteed aan de vraag, of verwarringsgevaar te duchten is.

4.3.2 Uit hetgeen het hof in rechtsoverweging 4.2.4 heeft geoordeeld ten aanzien van het auteursrecht volgt reeds, dat verwarringsgevaar bij het daarvoor in aanmerking komende publiek niet is te duchten. Daar komt bij, dat de verschillen tussen de Neo-K en het gedeponeerde model nog aanzienlijk groter zijn dan de verschillen tussen de Neo-K en de Neokemp.

4.3.3 Grief IV dient daarom eveneens te worden verworpen.

4.4.1 Grief V bestrijdt het oordeel van de president, dat er voldoende aanwijzingen zijn die reden geven om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het door RCP gedeponeerde woordmerk.

4.4.2 RCP heeft het woordmerk "NEO-KEMP" op 26 augustus 1999 laten deponeren bij het Benelux-merkenbureau in Den Haag voor de klasse 12 (Vervoermiddelen; middelen voor vervoer over land, door de lucht of over het water, waaronder binnenvaart(transport)schepen; RCP's productie 7).

De besloten vennootschap Neo Kemp B.V. is op 23 augustus 1999 opgericht en op 25 augustus 1999 voor het eerst in het handelsregister ingeschreven (RCP's productie 21). Op 19 juli 1999 stond al geregistreerd de op 7 juli 1999 gevestigde onderneming met de handelsnaam "NEOKEMP B.V. I.O." (productie 17 van geïntimeerden).

4.4.3 In het beperkte kader van dit kort geding kan verder niet veel meer worden vastgesteld dan dat de benaming "Neo Kempenaar" waarschijnlijk voor het eerst in februari 1999 door een derde (een journalist van de Binnenvaartkrant) is gebezigd (productie 2. van geïntimeerden), dat de auteursrechten op het beeldmerk/logo "NEO KEMP" op 7 juni 1999 aan de rechtsvoorganger van Neo Kemp B.V. zijn overgedragen (productie 14 van geïntimeerden) en dat alle partijen zich vrijelijk, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, van de woorden Neokemp en Neo Kemp hebben bediend in de periode, dat zij nog met elkaar samenwerkten. Van de vele voorbeelden noemt het hof slechts de door RCP als productie 3 overgelegde folder, waarop zowel de woorden "NEO-KEMP" als type-aanduiding van het schip voorkomen als het beeldmerk "NEO KEMP" met de adresgegevens van Neo Kemp B.V. als het logo van RCP met haar adresgegevens.

4.4.4 Een verdergaande conclusie dan dat RCP de schijn tegen heeft, dat zij haar depot niet te goeder trouw heeft verricht nu de handelsnaam "Neo Kemp B.V." eerder in een openbaar register is geregistreerd dan dat RCP haar woordmerk deponeerde, kan naar het voorlopig oordeel van het hof op grond van het vorenstaande niet worden getrokken. Bij zodanige twijfel aan de geldigheid van het depot kan de gevraagde voorziening niet worden toegewezen en faalt ook grief V.

4.5.1 De grieven VI en VII hebben betrekking op het door RCP gestelde misleidende of (anderszins) onrechtmatige karakter van de folder van Neo Logistic Services B.V. (v/h Neo Management B.V.) (productie 19 van RCP) resp. van de door [geïntimeerde sub 11] gedane uitlatingen in de pers (De Binnenvaartkrant, Schuttevaer en Schip en Werf; RCP's producties 15, 16 en 17).

4.5.2 In de folder is te lezen: "De Neo K48 is een logische, sterk verbeterde doorontwikkeling van de 32 TEU 'Neokemp' die inmiddels al geruime tijd haar bestaansrecht bewijst op een viertal lijndiensten".

4.5.3 Naar het oordeel van het hof is hieraan niets misleidends of anderszins onrechtmatigs te ontdekken. RCP heeft zelf gesteld, dat geïntimeerden met haar ontwerp van de Neokemp aan de haal zijn gegaan en op dit ontwerp hebben voortgebouwd. Een vergroting van de capaciteit van 32 naar 48 containers kan in ieder geval in kwantitatief opzicht gevoeglijk als een sterke verbetering worden aangemerkt. De zinsnede dat de 32 TEU 'Neokemp' inmiddels al geruime tijd haar bestaansrecht bewijst kan niet anders dan als een compliment voor dit scheepstype worden opgevat.

4.5.4 Grief VI dient derhalve te worden verworpen.

4.5.5 In de Binnenvaartkrant van 7 november 2000 (RCP's productie 15) is sprake van door een teveel aan trillingen veroorzaakte mankementen aan de elektronica van de Neokemp, die tot aanvaringen zouden hebben geleid.

Geïntimeerden hebben als productie 30 een door Techno Fysica B.V. op 30 november 2000 uitgebracht onderzoeksrapport overgelegd, dat verslag doet van een trillingsonderzoek van de voortstuwingsinstallatie van het m.s. "Gemini", een van de door RCP in opdracht van Neo Kemp B.V. gebouwde schepen.

De conclusies houden ondermeer in: "De aan de thrusterinstallatie gemeten trillingsniveaus in langsrichting zijn hoog, tot maximaal 43 mm/sec (0-piek). Dit resulteert in niveaus op de potmeter behuizing van maximaal 61 mm/sec (0-piek). Dit soort hoge niveaus zal tot schade aan de elektrische componenten leiden".

Naar het oordeel van het hof staat hiermee voorshands in voldoende mate vast, dàt een teveel aan trillingen tot mankementen aan de elektronica kan hebben geleid. De beantwoording van de vraag, of deze mankementen daadwerkelijk de oorzaak van de (op zich niet weersproken) aanvaringen zijn geweest, gaat het kader van dit kort geding verre te buiten.

Vooralsnog moet het er voor worden gehouden, dat deze publicatie niet aantoonbaar onjuist is.

4.5.6 Het door RCP bestreden citaat uit Schuttevaer van 17 november 2000 (RCP's productie 16) dient in zijn verband te worden geplaatst.

De gewraakte, van Neo Kemp (althans van als haar eigenaren aangeduide [geïntimeerde sub 11] en [namen eigenaren]) afkomstige zinsnede "Als RCP zijn onderaannemers niet kan betalen, dan is dat niet onze zaak" is een reactie op de uitlating van RCP's directeur [naam directeur] "Maar als ze (kennelijk wordt Neo Kemp B.V. bedoeld, hof) willen dat ik nieuwe schepen voor ze bouw, moeten ze eerst schulden afbetalen. Ik heb van alles voorgefinancierd en kan de onderaannemers pas weer betalen wanneer er geld binnenkomt".

Indien in dit artikel dus al de suggestie wordt gewekt dat RCP haar onderaannemers niet kan betalen, dan komt dat door een uitspraak van RCP zèlf.

4.5.7 In het artikel in Schip en Werf van december 2000 (RCP's productie 17) is inderdaad sprake van "De tweede generatie" en een op grond van de ervaringen met de "eerste schepen" verbeterde scheepsvorm.

Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor (rechtsoverweging 4.5.3) is overwogen en beslist over het "doorontwikkelen" op basis van de door RCP gebouwde eerste vier schepen. De pretense verbeterde scheepsvorm wordt nader omschreven: het voorschip is nu V-vormig in plaats van praamvormig en de lijnen in het achterschip zijn veranderd voor een betere toestroming naar de schroeven.

Of de veranderingen daadwerkelijk verbeteringen zijn kan in het kader van dit kort geding niet worden uitgemaakt. De bestreden zinsneden blijven echter alleszins binnen de marges, die een marktpartij heeft bij de aanprijzing van haar producten. Van misleiding of anderszins onrechtmatig handelen jegens RCP is daarom geen sprake.

4.5.8 Ook grief VII dient daarom te worden verworpen.

4.6.1 In haar grief VIII bestrijdt RCP het oordeel van de president, dat voorshands geen sprake is van wanprestatie van de contractspartijen van RCP.

4.6.2 Op 6 april 1999 heeft "de heer [naam directeur van Meegen Maritiem] die in hoedanigheid als direkteur van van Meegen Maritiem bv. dit bedrijf vertegenwoordigt" een geheimhoudingsverklaring ondertekend (RCP's productie 4). Deze verklaring houdt ondermeer in:

"1) [naam directeur van Meegen Maritiem] verplicht zich tot geheimhouding jegens derden van alle door ons (RCP, hof) aan hem verstrekte mondelinge of schriftelijke gegevens.

2) [naam directeur van Meegen Maritiem] verplicht zich alle wetenschap kennis en ervaring opgedaan omtrent huidige of toekomstige ontwerpen en productie processen over te bouwen Container schepen en pontons van Ravestein Container Pontoons b.v. alleen aan te wenden voor projecten en opdrachten welke door Ravestein Container Pontoons b.v. zullen worden uitgevoerd en daaromtrent geen mededelingen te doen aan derden of daarvan gebruik te maken tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.

5) [naam directeur van Meegen Maritiem] verplicht zich de beperkingen uit deze geheimhouding verklaring onverkort op te leggen aan haar werknemers en aan derden die zij met toestemming van Ravestein Container Pontoons b.v. inschakelt bij het verkrijgen van opdrachten."

Met "de heer [naam directeur van Meegen Maritiem]" wordt klaarblijkelijk [geïntimeerde sub 11] bedoeld.

Op 28 september 1999 is de samenwerkingsovereenkomst tussen RCP ("de bouwer") en Van Meegen Trading B.V. ("de koper"), vertegenwoordigd door haar directeur [naam directeur van Meegen Maritiem], ondertekend (productie 5 van RCP). Deze overeenkomst houdt ondermeer in:

"1. "Know-how" bescherming

De tekeningen en berekeningen voor het schip zijn en blijven eigendom van de bouwer en mogen nimmer door de koper of door anderen zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de bouwer worden gebruikt.

2. Exclusiviteit

() Partijen (zullen) geen contracten, onderhandelingen en/of vervoerscontracten met betrekking tot het schip of met betrekking tot een order voor een soortgelijk schip (cursivering hof) aangaan met derden zonder schriftelijke toestemming van de andere partij. De koper zal met name ook geen leveringsonderhandelingen aangaan met andere werven en toeleveranciers voor dergelijke orders."

De bouwcontracten voor de vier door RCP te bouwen Neokemps zijn gesloten tussen RCP en Neo Kemp B.V. (producties 2 van RCP). Enig aandeelhouder en bestuurder van Neo Kemp B.V. was ToDo Investments B.V., met als bestuurders [geïntimeerde sub 11] en [de heer D.] (producties 21 van RCP). [de heer D.] heeft de bouwcontracten met RCP namens Neo Kemp B.V. ondertekend.

4.6.3 Van Meegen Maritiem B.V., Van Meegen Trading B.V. en Neo Kemp B.V. zijn alle via de persoon van [geïntimeerde sub 11] met elkaar verbonden en hebben alle een zekere rol gespeeld in de contractuele relatie(s) met RCP. Voor zover in dit kort geding van belang kunnen zij, evenals [geïntimeerde sub 11], naar het voorlopig oordeel van het hof, alle in zoverre worden aangeduid als "wederpartij" van RCP.

Het hof is verder voorshands van oordeel, dat genoemde vennootschappen ofwel rechtstreeks danwel via de persoon [geïntimeerde sub 11] (als "derden") gebonden zijn aan voormelde geheimhoudingsverklaring. Zij zijn evenzeer rechtstreeks danwel via [geïntimeerde sub 11] gebonden aan de in voormelde samenwerkingsovereenkomst opgenomen bepalingen omtrent knowhowbescherming en exclusiviteit.

4.6.4 ToDo Investment B.V. was enig aandeelhouder en bestuurder van Neo Management B.V. (productie 21 van RCP), dat later Neo Logistic Services B.V. is gaan heten (door RCP gesteld, memorie van grieven p. 18, en door geïntimeerden niet weersproken).

Ook ToDo Investment B.V. en Neo Management B.V./Neo Logistic Services B.V. behoorden daarom naar het voorlopig oordeel van het hof tot het conglomeraat van (rechts-)personen, die door de wederpartijen van RCP aan de geheimhoudingsverklaring, knowhowbescherming en exclusiviteit dienden te worden gebonden.

In de folder van Neo Logistic Services B.V. (RCP's productie 19) wordt gesteld "Neo Logistics bouwt en exploiteert schepen die exact zijn toegesneden op de essentie van deze spectaculair groeiende vraag en biedt de branche zo een nieuw logistiek concept".

Verder valt in de folder met zoveel woorden te lezen "De Neo K48 is een logische, sterk verbeterde doorontwikkeling van de 32 TEU 'Neokemp'. De juistheid van deze zinsnede is door geïntimeerden verdedigd en door het hof voorshands aangenomen (rechtsoverwegingen 4.5.1-4.5.4).

Deze "doorontwikkeling" heeft overduidelijk geleid tot een "soortgelijk schip" als waarvan in de exclusiviteitsbepaling sprake is en laat zich niet goed denken zonder dat gebruik is gemaakt van de ervaring, die bij de bouw van de eerste vier Neokemps is opgedaan ("knowhow").

Hierop duidt ook het in rechtsoverweging 4.5.8 besproken artikel in Schip en Werf van december 2000 (RCP's productie 17) waarin sprake is van "De tweede generatie" en een op grond van de ervaringen met de "eerste schepen" verbeterde scheepsvorm.

4.6.5 Het vorenstaande brengt met zich, dat grief VIII doel treft en dat het door RCP sub 5. gevorderde jegens Van Meegen Maritiem B.V., Van Meegen Trading B.V. en Neo Kemp B.V. dient te worden toegewezen.

4.7 Grief IX ontbreekt.

4.8.1 In grief X bestrijdt RCP het oordeel van de president, dat elke grond ontbreekt voor de stelling van RCP dat er sprake is van een onrechtmatige daad door de overige gedaagde partijen, reeds omdat geen sprake is van wanprestatie door de contractspartijen van RCP.

4.8.2 Uit hetgeen het hof terzake grief VIII heeft overwogen en beslist volgt dat de contractspartijen van RCP (Van Meegen Maritiem B.V., Van Meegen Trading B.V. en Neo Kemp B.V.) naar het voorlopig oordeel van het hof wèl wanprestatie jegens RCP hebben gepleegd door schending van de geheimhoudingsverplichting, de knowhowbescherming en/of de exclusiviteitsclausule.

4.8.3 Het hof heeft hiervoor (rechtsoverweging 4.6.4) reeds beslist, dat ook ToDo Investment B.V. en Neo Management B.V./Neo Logistic Services B.V. naar het voorlopig oordeel van het hof behoorden tot het conglomeraat van (rechts-) personen, die door de wederpartijen van RCP aan de geheimhoudingsverklaring, knowhowbescherming en exclusiviteitsclausule dienden te worden gebonden.

4.8.4 Dit geldt evenzeer voor [geïntimeerde sub 11] zelf en voor Van Meegen Beheer B.V, waarvan [geïntimeerde sub 11] enig aandeelhouder en bestuurder is (RCP's productie 21). Op haar beurt is Van Meegen Beheer B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van Van Meegen Trading B.V. (idem).

Ook Neo Kemp I B.V. - Neo Kemp IV B.V. zijn, als volle dochters van Neo Kemp B.V. (RCP's productie 21) gehouden de geheimhoudingsverklaring, knowhow-bescherming en exclusiviteitsclausule te respecteren.

4.8.5 Uit de in rechtsoverweging 4.6.4 geciteerde folder van Neo Logistic Services B.V. (voorheen Neo Management B.V.) blijkt, dat deze vennootschap misbruik maakt van de hiervóór door het hof aangenomen wanpresatie van RCP's contractspartijen Van Meegen Maritiem B.V., Van Meegen Trading B.V. en Neo Kemp B.V.. Dit dient als onrechtmatig handelen jegens RCP te worden aangemerkt.

[geïntimeerde sub 11] heeft via Van Meegen Beheer B.V. volledig zeggenschap over Van Meegen Trading B.V. en via ToDo Investments B.V. samen met [de heer D.] zeggenschap over Neo Kemp B.V. en Neo Management B.V./Neo Logistic Services B.V.. [geïntimeerde sub 11] en/of [de heer D.] zijn telkens de feitelijk handelende personen, hetgeen met zich brengt dat ook [geïntimeerde sub 11] en de "tussenliggende" rechtspersonen Van Meegen Beheer B.V. en ToDo Investments B.V. onrechtmatig jegens RCP handelen.

Dit brengt met zich, dat grief X slaagt en, voorzover het [geïntimeerde sub 11], Van Meegen Beheer B.V., ToDo investments B.V. en Neo Management B.V./Neo Logistic Services B.V. betreft, het door RCP sub 5. gevorderde dient te worden toegewezen.

4.8.6 Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat Neo Kemp I B.V. - Neo Kemp IV B.V. onrechtmatig jegens RCP hebben gehandeld. Voorzover in het kader van dit kort geding kan worden vastgesteld bestaat hun activiteit slechts uit het reden van de door RCP gebouwde "eerste generatie" Neokemps.

Dit brengt met zich dat, hoewel het door grief X bestreden oordeel van de president niet door het hof wordt gedeeld, dit te hunnen aanzien niet kan leiden tot toewijzing van RCP's vordering.

5 De slotsom

5.1 Het bestreden vonnis dient, voorzover gewezen tusen RCP en Neo Kemp I B.V. - Neo Kemp IV B.V., met verbetering van gronden te worden bekrachtigd, met veroordeling van RCP in de kosten van het geding in beide instanties. Nu de rol van Neo Kemp I B.V. - Neo Kemp IV B.V. in de gehele procedure slechts een zijdelingse is geweest acht het hof, mede gelet op de overigens ten aanzien van de proceskosten te nemen beslissing, termen aanwezig om de aan de zijde van Neo Kemp I B.V. - Neo Kemp IV B.V. gevallen kosten te begroten op nihil.

5.2.1 Het bestreden vonnis dient, voorzover gewezen tussen RCP en de overige gedaagden, thans geïntimeerden, te worden vernietigd. De vordering sub 5. zal worden toegewezen, versterkt met de sub 6. gevorderde dwangsommen.

Het hof zal aan de eventueel te verbeuren dwangsommen een bovengrens van € 5.000.000,-- verbinden.

Het meer of anders gevorderde dient te worden afgewezen.

5.2.2 Voor het stellen van een termijn als bedoeld in artikel 50.6 van het TRIPS-verdrag bestaat geen aanleiding, nu de toegewezen voorziening niet is gebaseerd op het door dit Verdrag bestreken gebied van de intellectuele eigendom.

5.2.3 Nu partijen ieder voor zich deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, acht het hof termen aanwezig om de proceskosten in beide instanties te compenseren in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

- bekrachtigt, met verbetering van gronden, het op 27 april 2001 door de president van de rechtbank te Arnhem gewezen vonnis, voorzover gewezen tussen RCP en resp. Neo Kemp I B.V., Neo Kemp II B.V., Neo Kemp III B.V. en Neo Kemp IV B.V.;

- veroordeelt RCP in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Neo Kemp I B.V., Neo Kemp II B.V., Neo Kemp III B.V. en Neo Kemp IV B.V. begroot op nihil;

- vernietigt voormeld vonnis, voorzover gewezen tussen RCP en resp. Neo Kemp B.V., Van Meegen Maritiem B.V., Van Meegen Trading B.V., Van Meegen Beheer B.V., ToDo Investment B.V., Neo Management B.V. en [geïntimeerde sub 11],

en opnieuw rechtdoende:

- beveelt Neo Kemp B.V., Van Meegen Maritiem B.V., Van Meegen Trading B.V., Van Meegen Beheer B.V., ToDo Investment B.V., Neo Management B.V. en [geïntimeerde sub 11] onmiddellijk na betekening van dit arrest te staken en gestaakt te houden het gebruik van alle door RCP meegedeelde kennis en ervaring omtrent het ontwerp en het productieproces van containerschepen van het type Neokemp voor een ander dan het met RCP overeengekomen doel, alsmede het aangaan van overeenkomsten met derden voor de (af)bouw van containerschepen van het type Neokemp, anders dan in opdracht van RCP;

- bepaalt dat Neo Kemp B.V., Van Meegen Maritiem B.V., Van Meegen Trading B.V., Van Meegen Beheer B.V., ToDo Investment B.V., Neo Management B.V. resp. [geïntimeerde sub 11] een dwangsom zullen verbeuren van

€ 50.000,-- voor iedere keer dat de betreffende partij dit bevel overtreedt en voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt, zulks met een maximum van

€ 5.000.000,-- voor iedere veroordeelde partij;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- compenseert de proceskosten in beide instanties in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs Houtman, Van den Heuvel en Schuman en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 4 juni 2002.