Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE3160

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2002
Datum publicatie
27-05-2002
Zaaknummer
21-002578-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002578-01

Uitspraak dd.: 16 mei 2002

TEGENSPRAAK

GERECHTSHOF TE ARNHEM

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 27 november 2001 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres verdachte],

thans verblijvende in het huis van bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 mei 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte zijn echtgenote om het leven heeft gebracht door haar vele malen met een mes te steken. De ernst van dit feit wordt onderstreept door het feit dat verdachte tot zijn daad is gekomen in de aanwezigheid van de zevenjarige dochter van verdachte en het slachtoffer. Het meisje moet daardoor getraumatiseerd zijn en zal de gevolgen van het getuige zijn van het bewezen feit tot in lengte van jaren ondervinden. Voorts neemt het hof in aanmerking dat het feit verdachte volledig kan worden toegerekend.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het primair telastegelegde en bewezenverklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering tot schadevergoeding

Volgens opgaaf ter terechtzitting in hoger beroep hebben de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]i bedoeld zich te voegen in het strafproces overeenkomstig het navolgende.

De benadeelde partij, [benadeelde partij 1], heeft een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van fl.22.812,59 (tweeëntwintigduizendachthonderdtwaalf gulden en negenenvijftig cent) (thans: € 10.351,90)) ingesteld.

Deze vordering is bij vonnis, waarvan beroep, toegewezen tot een bedrag van fl. 6600,00 (zesenzestighonderd gulden). Voor het overige is de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

In het vonnis, waarvan beroep, is op grond van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde opgelegd.

Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaard handelen materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Wat betreft het meer of anders gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, aangezien de vordering in zoverre niet van zodanig eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij, [benadeelde partij 2], heeft een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van fl.10.000,00 (tienduizend gulden) (thans: € 4.537,80) ingesteld.

Bij het vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Het hof zal mitsdien bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk is en dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De benadeelde partij, [benadeelde partij 3]i, heeft een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van fl.30.000,00 (dertigduizend gulden) (thans: € 13.613,41) ingesteld.

Bij het vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaard handelen immateriële schade heeft geleden en derhalve in aanmerking komt voor schadevergoeding. Het bepalen van de exacte hoogte van dit bedrag is echter niet van eenvoudige aard. De vordering dient dan ook -bij wijze van voorschot- tot na te melden bedrag te worden toegewezen. Wat betreft het meer gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

twee zwarte veterschoenen, twee sokken, een gele onderbroek, een rode broek, een wit hemd, een trui, een beige jas, een grijze joggingbroek, een wit shirt en een zwarte clockhouse pantalon.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], p/a [adres], van een bedrag van € 3.248,54 (drieduizendtweehonderdachtenveertig euro en vierenvijftig cent).

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk is.

Verwijst verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], p/a [adres], in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3]i, wonende te [woonplaats], p/a [adres], van een bedrag van € 5.000,-- (vijfduizend euro).

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is.

Verwijst verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr Van Houten, voorzitter,

mrs Mannoury en Lauwaars, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Nypels, griffier,

en op 16 mei 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.