Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE2869

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
00-01739
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/01739

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998

nummer : [0.H86]

mondelinge behandeling : op 28 februari 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : de gemachtigde van belanghebbende en [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende is directeur en groot aandeelhouder van [A] BV (hierna: de Holding).

2. Op 26 november 1993 is de Holding een overeenkomst aangegaan met B N.V.], waarbij in geval van arbeidsongeschiktheid door een ongeval - of ziekte van belanghebbende een jaarrente uitgekeerd wordt. De verzekering loopt af op 16 november 1998, maar wordt stilzwijgende verlengd voor telkens 5 jaar. De einddatum van de verzekering is 1 september 2009.

3. Bijna vijf jaar later, op 19 oktober 1998, wordt voormelde overeenkomst aangepast in verband met de wijziging van de verzekeringnemer. Met ingang van 16 november 1998 is nu niet meer de Holding maar belanghebbende verzekeringnemer. De einddatum van de verzekering blijft 1 september 2009.

4. Belanghebbende gaat in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 uit van een belastbaar inkomen van ƒ 47.661, waarbij hij rekening houdt met een bedrag van ƒ 49.091 aan 'premies lijfrente'. Gemachtigde geeft hiervan in zijn brief van 3 mei 2000 de volgende specificatie:

- premie lijfrente ƒ 7.013

- door Holding in rekening gebracht voor arbeids-

ongeschiktheidsverzekering 1993-1998 ƒ 34.376

- premie arbeidsongeschiktheidsverzekering 1999 ƒ 7.702

Totaal ƒ 49.091

5. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur het belastbare inkomen van belanghebbende vastgesteld op ƒ 89.739, waarbij de Inspecteur uitsluitend het bedrag van ƒ 7.013 aan premie lijfrente als persoonlijke verplichtingen heeft aangemerkt. Na bezwaar is het belastbare inkomen van belanghebbende nader vastgesteld op ƒ 82.037, waarbij het bedrag van ƒ 7.702 dat belanghebbende in 1999 aan premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan [B N.V.] heeft voldaan, alsnog als persoonlijke verplichtingen in mindering is gebracht op zijn onzuivere inkomen.

6. Belanghebbende stelt dat ook het bedrag van ƒ 34.376 dat door de Holding aan hem in rekening is gebracht, en dat door hem via verrekening in rekening-courant aan de Holding is betaald, op zijn onzuivere inkomen in mindering moet worden gebracht, aangezien vermelding van de Holding in de oorspronkelijke polis als verzekeringnemer berust op een vergissing. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende een brief overgelegd van [C] b.v. van 7 maart 2001, waarin het volgende staat vermeld:

' Naar aanleiding van uw telefonisch verzoek van vrijdag 2 maart 2001 bevestigen wij u het navolgende.

De verzekeringnemer op bovengenoemde arbeidsongeschiktheidsverzekering van [B N.V.], ingangsdatum 16 november 1993, werd abusievelijk op naam gesteld van [de Holding].

Na constatering d.d. 16-09-1998 van deze omissie is de juiste tenaamstelling van de verzekeringnemer eerst intern aangetekend door verzekeraar en vervolgens per prolongatiedatum 16-11-1998 middels polisaanhangsel gecorrigeerd.

Wij vertrouwen erop u hiermede naar behoren te informeren.'

7. Ingevolge het bepaalde in artikel 45, eerste lid, aanhef, onderdeel g, aanhef en onder 6°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), kunnen als persoonlijke verplichtingen onder andere worden aangemerkt, premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel g, ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval. Niet in geschil is dat de Holding als verzekeringnemer gedurende de jaren 1993 tot en met 1998 de premies ten bedrage van ƒ 34.376 aan [B N.V.] heeft betaald. Tevens is niet in geschil dat de Holding voormeld bedrag in de tweede helft van 1998 aan belanghebbende in rekening heeft gebracht en dat voormelde polis niet met terugwerkende kracht is gewijzigd. Het Hof is van oordeel dat door belanghebbende voldoende aannemelijk is gemaakt dat dit bedrag, al dan niet via verrekening in rekening courant, ook door hem aan de vennootschap is betaald. Tevens is komen vast te staan dat belanghebbende in de jaren 1993 tot en met 1998 geen premies heeft betaald en deze ook niet aan [B N.V.] verschuldigd was, aangezien hij tot 16 november 1998 geen verzekeringnemer was. Gezien de limitatieve opsomming die artikel 45, eerste lid, van de Wet geeft van verplichtingen die als een persoonlijke verplichtingen in mindering kunnen worden gebracht op het onzuivere inkomen, kan het door hem aan de Holding betaalde bedrag van ƒ 34.376 dan ook niet aangemerkt worden als betaalde premie in de zin van voormeld wetsartikel.

8. Maar ook al zou dit laatste anders zijn, dan nog kan dit bedrag niet op het onzuivere inkomen van belanghebbende in mindering worden gebracht, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, bijvoorbeeld door overlegging van een offerte of een aanvraag voor de verzekering, dat het op 26 november 1993 in de polis opnemen van de Holding als verzekeringnemer berustte op een administratieve fout omdat, in tegenstelling tot hetgeen in de polis staat vermeld, niet de Holding maar belanghebbende op voormelde datum een verzekeringsovereenkomst met [B N.V.] had beoogd te sluiten. De hiervoor aangehaalde, door belanghebbende overgelegde brief van de verzekeringstussenpersoon, [C] b.v., is hiertoe naar het oordeel van het Hof van onvoldoende gewicht, nu de inhoud hiervan niet wordt ondersteund door bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de Holding ten onrechte als verzekeringnemer op de polis stond vermeld.

9. Het Hof is derhalve van oordeel dat de Inspecteur het bedrag dat door belanghebbende aan de Holding is vergoed terecht niet heeft aangemerkt als een persoonlijke verplichting in de zin van voormeld artikel.

10. Belanghebbende stelt nog dat het door belanghebbende aan de Holding betaalde bedrag wel is geaccepteerd voor de vennootschapsbelasting en doet in verband hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hiertoe heeft belanghebbende een stuk overgelegd, dat, naar het Hof aanneemt en door de Inspecteur ook niet is bestreden, onderdeel uitmaakt van de door de Holding ingediende aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1998. Hierin staat onder het kopje '18d Overige personeelskosten' een bedrag van ƒ 10.792 negatief vermeld, in welk bedrag volgens belanghebbende het door hem aan de Holding betaalde bedrag is verwerkt. Uit de tot het geding behorende stukken blijkt niet dat het door belanghebbende aan de Holding betaalde bedrag uitdrukkelijk en gemotiveerd in de aangifte vennootschapsbelasting is opgenomen. Dit is door belanghebbende ook niet gesteld. Het Hof is dan ook van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel reeds op grond hiervan niet kan slagen.

slotsom:

Het beroep is niet gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2002 door mr. N.E. Haas, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G.J. van Well als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(M.C.G.J. van Well) (N.E. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 maart 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.