Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE2853

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
97-22125
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/882
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 97/22125

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de sector Financieel Beleid en Beheer van de gemeente Epe (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag baatbelasting 1996.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is ter zake van de haar in eigendom toebehorende onroerende zaak [a-straat 1 te Z] een aanslag baatbelasting opgelegd tot een bedrag van ƒ 3.876. De aanslag is gedagtekend 31 oktober 1996.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Ambtenaar heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend met bijlagen waaronder een afschrift van de Verordening baatbelasting riolering [a-straat, b-straat, c-straat en d-straat] (hierna: de Verordening).

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de eerste enkelvoudige belastingkamer van het Hof van 3 april 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede [de Ambtenaar].

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting van 3 april 2001 een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.6. De Ambtenaar heeft ter genoemde zitting overgelegd een afschrift van de bij de Verordening behorende gewaarmerkte kaart.

1.7. De Ambtenaar heeft desgevraagd na genoemde zitting op 5 april 2001 aan het Hof gezonden afschriften van:

- het raadsvoorstel G15 voor de kredietverstrekking voor de aanleg van de riolering [a-straat] c.a. alsmede bijbehorend bekostigingsbesluit (hierna: het bekostigingsbesluit);

- het raadsvoorstel en raadsbesluit H4 d.d. 16-11-1995 met betrekking tot het Gemeentelijk RioolPlan (GRP);

- het raadsvoorstel D22 met betrekking tot het vaststellen van de Verordening baatbelasting [a-straat] c.a. (hierna: de Verordening), alsmede

- afschriften van de bekendmaking.

1.8. Bij brief van 18 april 2001 heeft de griffier partijen bericht dat het lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer de zaak ter behandeling heeft verwezen naar een meervoudige belastingkamer.

1.9. Op 19 november 2001 heeft de Ambtenaar de bij het onder 1.7. genoemde bekostigingsbesluit behorende gewaarmerkte kaart toegezonden.

1.10. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de derde meervoudige belastingkamer van het Hof van 20 december 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [de Ambtenaar].

1.11. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van 20 december 2001 een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter genoemde zittingen als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1 te Z].

2.2. Op 20 april 1995 heeft de raad van de gemeente Epe overwogen

"dat door of met medewerking van het gemeentebestuur voorzieningen tot stand worden gebracht in de vorm van de aanleg van riolering in de omgeving van de [a-straat], [b-straat], [c-straat] en [d-straat]"

en het bekostigingsbesluit genomen dat voorziet in een verhaal van de kosten van de aanleg van riolering in het voornoemde buitengebied tot een bedrag van f 233.450 door middel van de heffing van een baatbelasting met een looptijd van vijftien jaren. De jaarlijkse heffing zal zijn gebaseerd op een heffing-ineens van f 5.075 per onroerende zaak en komt uit op f 558 per jaar.

2.3. De riolering is ter plaatse in opdracht van de gemeente aangelegd. De onroerende zaak [a-straat 1] ligt op circa 10 meter van de in 1995 aangelegde riolering en kan zonder meer daarop worden aangesloten.

Na aftrek van subsidies van de Provincie Gelderland en het Zuiveringschap is f 424.231 van de investeringskosten ten laste van de gemeente gebleven.

2.4. De raad van de gemeente Epe heeft op 14 december 1995 de Verordening vastgesteld. Daarbij is het tarief vastgesteld op f 3.876 per onroerende zaak. De geraamde opbrengst bedraagt f 178.296.

Bij de Verordening behoort een gewaarmerkte kaart van het gebate gebied. Op deze kaart is vermeld dat deze hoort bij "raadsbesluit baatbelasting riolering [a-straat] c.a. Raadsbesluit d.d. 14 december 1995, D 22-II".

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of de Ambtenaar de onderhavige aanslag in strijd met algemene beginselen van bestuur heeft opgelegd en zo niet, of belanghebbende terecht tot een bedrag van f 3.876 in de heffing van de baatbelasting is betrokken.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -:

Door belanghebbende:

Ter zitting van 3 april 2001

Zij is best bereid een redelijke bijdrage te betalen voor de aanleg van de riolering.

Ter zitting van 20 december 2001

Een redelijke bijdrage is in ieder geval een stuk lager dan het bedrag van f 3.876.

Degenen die baatbelasting zijn verschuldigd zijn in het verleden niet betrokken in het rioolaansluitrecht. De tarieven van de verschillende heffingen zijn ongelijk.

Zij weet niet of één van de 46 eigenaren die in de onderhavige baatbelasting zijn betrokken voor een lager bedrag dan f 3.876 is aangeslagen.

Namens de Ambtenaar:

Ter zitting van 3 april 2001

Door de opbrengst van rioolrechten is het mogelijk de opbrengst van de onroerende zaakbelasting aan te wenden voor andere doeleinden.

Ter zitting van 20 december 2001

De baatbelasting wordt geheven ter dekking van een deel van de kapitaalkosten. Deze kosten worden niet verhaald via de rioolrechten. Van een dubbele heffing is derhalve geen sprake.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechter in belastingzaken is niet bevoegd te beoordelen of de Gemeente Epe door het aanbrengen van een pompputje en een schakelkast op het perceel van belanghebbende inbreuk heeft gemaakt op de eigendom van belanghebbende.

4.2. Ingevolge artikel 216 van de Gemeentewet besluit de raad van de gemeente tot het invoeren van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening. Van degenen die van een onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht kan ingevolge artikel 222 van de Gemeentewet een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen.

4.3. Op 20 april 1995 heeft de Raad van de gemeente Epe een bekostigingsbesluit vastgesteld als bedoeld in artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet. De onroerende zaak van belanghebbende is gelegen in het gebied dat is aangegeven op de bij het bekostigingsbesluit behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Het besluit is bekend gemaakt overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.

4.4. Bij besluit van 14 december 1995 heeft de raad van de gemeente Epe de Verordening vastgesteld terzake van de aanleg van riolering en bijbehorende pompputjes alsmede terzake van de vestiging van zakelijke rechten ten behoeve van die rioolaanleg. Met betrekking tot deze Verordening is voldaan aan het bekendmakingsvereiste van artikel 139 van de Gemeentewet.

4.5. De Ambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat belanghebbendes onroerende zaak door de aanleg van de riolering is gebaat en dat de aan die aanleg verbonden kosten voor een beperkt deel aan de gerechtigden tot de onroerende zaken is doorberekend. Belanghebbende bestrijdt niet dat haar onroerende zaak door de aanleg van de riolering is gebaat doch acht de van haar gevorderde bijdrage te hoog nu zij reeds door middel van de onroerendezaakbelasting heeft bijgedragen aan de rioleringskosten. Voorts zou sprake zijn van een willekeurige belastingheffing omdat vóór 1 januari 1994 het rioolaansluitrecht slechts f 637 bedroeg en eigenaren van onroerende zaken in aangrenzende gebieden voor de aanleg van nieuwe riolering geen cent hebben betaald.

4.6. De Ambtenaar heeft voorts betoogd dat de bestaande bebouwing in het onderhavige buitengebied van [Z] (zoals aangegeven op de bij de Verordening behorende kaart) ter zake van de in 1995 uitgevoerde rioleringswerken in de heffing van een baatbelasting is betrokken, omdat de gemeente in 1995 geen gebruik meer kon maken van de "Verfijningsuitkering Riolering" die in het verleden werd toegekend om rioleringsvoorzieningen voor bestaande bebouwing op het gewenste peil te brengen.

4.7. Naar het oordeel van het Hof zijn het bekostigingsbesluit en de Verordening op de juiste wijze tot stand gekomen. Uit de stukken van het geding blijkt voorts dat het tarief in de Verordening zodanig is vastgesteld dat geen hoger bedrag aan baatbelasting wordt geheven dan artikel 222 van de Gemeentewet toestaat. Voor het overige is het vaststellen van het tarief voorbehouden aan de gemeenteraad. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat het vastgestelde tarief leidt tot een onredelijke en/of willekeurige belastingheffing. Als argument daarvoor kan niet gelden dat de gemeente voorheen volstond met een heffing van een rioolaansluitrecht van f 637. Geen rechtsregel hoefde de raad te weerhouden van het vaststellen van de Verordening voor het onderhavige gebied. Het Hof is niet bevoegd de innerlijke waarde van de Verordening te toetsen. Nu het recht dat geldt voor belanghebbendes onroerende zaak niet gelijk is aan het recht dat in eerdere jaren gold voor andere onroerende zaken is van rechtens gelijke gevallen geen sprake, en derhalve evenmin van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.8. De onroerendezaakbelasting wordt geheven van alle eigenaren en gebruikers van onroerende zaken en staat los van de heffing van baatbelasting die slechts wordt geheven ter zake van onroerende zaken die door nieuw aangebrachte voorzieningen zijn gebaat. Van een willekeurige belastingheffing is evenmin sprake nu de ambtenaar onweersproken heeft gesteld dat de aanlegkosten van de riolering in de nieuwbouwwijken volledig aan de eigenaren van de daarop te realiseren onroerende zaken in rekening zijn gebracht via de grondprijzen dan wel door middel van exploitatie-overeenkomsten.

5. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Ambtenaar.

Aldus gedaan te Arnhem op 27 maart 2002 door mr. J.B.H. Röben, voorzitter, mw. mr. M.C.M. de Kroon en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 maart 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.