Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE2348

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2002
Datum publicatie
07-05-2002
Zaaknummer
A2001-469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 mei 2002

eerste civiele kamer

rolnummer 01/469 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de stichtingen

1 Stichting Werkgroep Gendt en

2 Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen Foster Parents Plan,

gevestigd te Goes,

appellanten,

procureur: mr S.I. Henny,

tegen:

de stichting Stichting Foster Parents Plan Nederland,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwe-zen naar de inhoud van het mondeling vonnis (het dictum) van 13 april 2001 en het schriftelijk vonnis (de rechtsoverwegingen en het dictum) van 20 april 2001 dat de president van de rechtbank te Arnhem in kort geding tussen appellanten (hierna ook te noemen: de Werkgroep en het Fonds) als ge-daagden in conventie/eiseressen in reconventie en geïnti-meerde (hierna ook te noemen: FPP) als eise-res in conventie/verweerster in reconventie heeft gewezen. Van het vonnis van 13/20 april 2001 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 De Werkgroep en het Fonds hebben bij exploot van 20 april 2001 aangezegd van het vonnis van 13 april 2001 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van FPP voor dit hof.

2.2 Bij op 15 mei 2001 betekende akte van procureur tot procureur heeft de procureur van FPP namens FPP aan de procureur van de Werkgroep en het Fonds de termijn waarop zij was gedagvaard verkort en de Werkgroep en het Fonds opgeroepen tegen een eerdere rechtsdag.

2.3 Bij memorie van grieven hebben de Werkgroep en het Fonds 23 grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangebo-den en pro-ducties in het geding gebracht en hebben zij gecon-cludeerd dat het hof de vonnissen van 13 en 20 april 2001 in conventie en in reconventie zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, in conventie aan FPP alsnog haar vordering zal ontzeggen en in reconventie FPP zal veroordelen om alsnog binnen twee weken een bodemprocedure tegen de Werkgroep en het Fonds te beginnen, met veroordeling van FPP in de kosten van beide instanties.

2.4 Bij akte hebben de Werkgroep en het Fonds zeven geluidsbandjes en een videoband ter griffie gedeponeerd.

2.5 Bij memorie van antwoord heeft FPP de grieven bestreden, bewijs aangebo-den, pro-ducties in het geding gebracht en heeft zij gecon-cludeerd dat het hof het vonnis van 13 april 2001 zal bekrachtigen, onder aanvulling en wijziging van de gronden, met veroordeling van de Werkgroep en het Fonds in de kosten van dit geding in (naar het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.6 Daarna hebben de Werkgroep en het Fonds akte verzocht van hun uitlating over de door FPP overgelegde producties, van het overleggen van een aantal produc-ties en van hun bewijsaanbod, waarna FPP een akte uitlating producties heeft verzocht.

2.7 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Tegen de in het vonnis (van 20 april 2001, p. 2 en 3, sub 1) tot en met 5)) vastgestelde feiten zijn op zichzelf geen grieven of bezwaren gericht, zodat ook in hoger beroep van die feiten wordt uitgegaan, met dien verstande dat grief 5 zich richt tegen de vaststelling in het vonnis (p. 2, sub 1)) dat FPP een ontwikkelingsorganisatie is. Volgens de toelichting op de grief had FPP tijdens haar werkzaamheden in Barranquilla geen doelstelling als ontwikkelingsorganisatie en heeft zij dat ook niet waar gemaakt. FPP heeft ter terechtzitting in eerste aanleg (op 12 april 2001) uiteengezet dat zij deel uitmaakt(e) van de internationale ontwikkelingsorganisatie FPP International en tot statutaire doelstelling heeft “zorg te dragen voor maximale, duurzame financiële bijdrage aan internationale programma’s, gericht op verbetering van de toekomst voor kansarme kinderen in ontwikkelingslanden”. De vaststelling van de president is dus niet onjuist, maar beoogt nog niets te zeggen over het behalen van de ontwikkelingsdoelstelling. De grief heeft geen succes.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In grief 3 klagen de Werkgroep en het Fonds dat de gronden waarop het dictum berust, niet op de zitting van 13 april 2001 zijn uitgesproken.

Over artikel 2.11.2 (artikel 230 NRv.) vermeldt de MvT (26 855, nr. 3, p. 135):

“De uitspraak is de mededeling van de beslissing aan partijen, die het moment bepaalt waarop de rechterlijke beslissing haar werking verkrijgt en waarop de termijnen voor hoger beroep of cassatie aanvangen. Het vonnis is de schriftelijke neerslag en de uitwerking van de beslissing die aan de eisen van artikel 2.11.2 voldoet, met dien verstande dat het pas een vonnis is als het daadwerkelijk is uitgesproken. Zonder schriftelijk stuk is er alleen een uitspraak en dus geen vonnis. De ideale situatie is dus dat het schriftelijke stuk reeds vóór de uitspraak gereed is. Uitzondering op deze situatie vormt de situatie dat de rechter aanstonds uitspraak doet, bijvoorbeeld in kort geding (…)”.

Dit geldt eveneens voor de onder het oude Wetboek van burgerlijke rechtsvordering gewezen vonnissen, zoals het vonnis waarvan beroep. Het spreekt vanzelf dat zelfs de kort geding rechter slechts met uiterste terughoudendheid zal mogen beslissen zijn uitspraak pas later schriftelijk te motiveren. Daarbij moet met name worden gedacht aan het geval dat het spoedeisend belang van een onmiddellijke voorziening zo zwaar weegt en een schriftelijke motivering zoveel tijd zou vergen dat een en ander hoogstwaarschijnlijk tot gevolg zou hebben dat het kort geding onvoldoende rechtsbescherming zou bieden en effect zou sorteren. Kennelijk heeft de president zodanig geval aanwezig geacht. Hoewel dit op hun weg lag, hebben de Werkgroep en het Fonds niet uiteengezet waarom zodanig geval zich hier niet voordeed. Bij exploot van 20 april 2001 hebben zij hoger beroep ingesteld en, na anticipatie door FPP, eerst op 17 juli 2001 hun memorie van grieven genomen. Onder deze gegeven omstandigheden valt in redelijkheid niet in te zien welk belang de Werkgroep en het Fonds hebben (gehad) om zich te beroepen op het ontbreken van de (schriftelijke) motivering van de beslissing gedurende de periode van 13 tot 20 april 2001.

4.2 In grief 4 klagen de Werkgroep en het Fonds erover dat de zaak werd behandeld binnen drie dagen na de dagvaarding en dat voor hun verdediging slechts een uur werd gegeven.

FPP heeft dit kort geding aangespannen nadat zij op maandag 9 april 2001 de folder had ontvangen en, ondanks een sommatie door de advocaat van FPP per fax van die datum (productie 16 zijdens FPP in eerste aanleg) tot staking van de verspreiding, had vernomen dat de Werkgroep en het Fonds om die reden nog die week een zeer groot aantal folders zouden laten verspreiden (productie 17 zijdens FPP in eerste aanleg). In dit licht lag het voor de hand dat de president aan FPP op termijn van enkele dagen een zittingsdatum voor het kort geding gaf. De korte voorbereidingstijd was aldus in belangrijke mede ontstaan doordat de Werkgroep en het Fonds een intensivering van de verspreiding van de aangevochten folder verkozen boven de, in dit soort gevallen min of meer gebruikelijke, bevriezing van de situatie in afwachting van het kort geding-vonnis. In aanmerking genomen dat partijen bij een kort geding tevoren in producties vervatte bewijsmiddelen aan de president en de wederpartij kunnen doen toekomen, beschikten de Werkgroep en het Fonds ter terechtzitting over voldoende tijd om hun – verdere – verdediging te doen presenteren. Dat zij er voor hebben gekozen om de Zembla-documentaire ter zitting te presenteren, had vanzelfsprekend tot gevolg dat de tijd voor overig verweer werd verkort. Blijkens de conclusie van antwoord (van 8 pagina’s) hebben zij de gelegenheid gehad en te baat genomen om op alle stellingen van FPP in te gaan. Tijd voor de EO-documentaire en de banden met de vraaggesprekken in Barranquilla behoefde de president onder die omstandigheden in redelijkheid niet ter zitting ter beschikking te stellen.

4.3 Anders dan de Werkgroep en het Fonds onder grief 6 stellen, had FPP naast haar conservatoir beslag tot afgifte van de resterende folders wel belang bij haar vordering, aangezien haar conventionele vordering een veel bredere strekking had dan het enkele tegengaan van verdere verspreiding en ook gericht was op opsporing van de omvang der uitgevoerde verspreiding en op rectificatie. Het door de Werkgroep en het Fonds ingeroepen auteursrecht op de folder kan vanzelfsprekend niet rechtvaardigen dat de Werkgroep en het Fonds onrechtmatige mededelingen over FPP doen. Uiteenlopende beslissingen in conventie en in reconventie wijzen ten slotte nog niet op vooringenomenheid van de president.

4.4 Bij de inhoudelijke beoordeling van de conventionele vorderingen moet het volgende worden vooropgesteld.

4.5 Het hof heeft kennisgenomen van de gedeponeerde videoband. Van de zeven geluidsbandjes (met een speelduur van 60 tot 90 minuten per geluidsbandje) bevatte één het programma De Ochtenden van 12 april 2001, dat met name over India handelt. De andere zes genummerde geluidsbandjes bevatten door mr Wilgers gehouden interviews in vreemde talen, deels vertaald, maar zijn ongestructureerd en bij gebreke van aanwijzingen en praktisch gesproken ontoegankelijk. Zo is onduidelijk waar deze interviews zich afspelen en of en in welke mate zij betrekking hebben op Barranquilla. Het hof heeft deze geluidsbandjes daarom buiten beschouwing moeten laten.

4.6 Aan de videoband en het eerste geluidsbandje kent het hof in het kader van dit kort geding een belangrijke betekenis toe. De vraag of de hulp in de derdewereldlanden goed aankomt, kan in het kader van een kort geding niet eenvoudig worden onderzocht. Het gaat om programma’s van verschillende zendgemachtigden, nadat andere zendgemachtigden in het verleden al aandacht aan FPP hadden geschonken. Uit die uitzendingen blijkt ook dat adoptieouders of hun relaties bij bezoeken aan de adoptiekinderen ter plaatse ontdekten dat de werkelijkheid een aanmerkelijk minder fraai beeld liet zien dan zoals in de correspondentie aan de adoptieouders geschetst en waarop zij toch mochten afgaan, zoals blijkt uit de mededeling van dhr. Voûte van FPP (geluidsbandje) dat het rechtstreeks verband tussen de adoptieouders en de adoptiekinderen hierin bestaat dat de kinderen rapporteren over het geld dat aan het ontwikkelingswerk gegeven wordt. Daarom mag bij uitstek op de ervaringen van die kinderen en hun verzorgers worden afgegaan.

4.7 Blijkens mededelingen van dr. Paul Hoebink, werkzaam voor het Derde Wereldcentrum en bij de KUN (EO Tijdsein november 1997, videoband 0.53) haalt Nederlands grootste fondsenwerver FPP jaarlijks ongeveer f 200 miljoen uit de “chari“-markt (ook videoband 0.36). Reeds in 1983 ontstond er rond FPP grote opschudding toen door Vara’s Konsumentenman (Vara Zembla september 2000, videoband circa 0.20) werd uitgezonden dat 50% van de inkomsten van FPP opging aan kosten. Een commissie Van Kemenade onderzocht in 1984 de hulpverlening door FPP. Zij adviseerde om de directe band tussen de adoptieouders en de kinderen veel minder sterk te benadrukken en het individuele karakter van de hulpverlening en van de hulprelatie verder te beperken en te relativeren (zie ook het rapport Commissie De Boer, productie 22 bij memorie van antwoord, p. 38) omdat de kinderen, ondanks de bij de adoptieouders gewekte verwachtingen, individueel geen financiële steun kregen. In september 2000 heeft EO Tijdsein (videoband vanaf circa 0.21) er opnieuw op gewezen dat de organisatie van FPP/Plan International veel geld kostte (in Denemarken restte van de ingezamelde 8 miljoen Kronen slechts 2 miljoen voor de kinderen en hun omgeving; videoband ca. 0.23). Van zijn opbrengst moet FPP 75% afdragen aan het centrale kantoor van Plan International in Londen, dat de projecten coördineert. De naar aanleiding van de gebeurtenissen in 1997 opgerichte Werkgroep heeft (Vara Zembla september 2000, videoband circa 0.14) zelf onderzoek gedaan in Guatemala. EO Tijdsein heeft in 2000 (met Van Schaijk van de Werkgroep) in Barranquilla, Colombia, onderzoek verricht naar het Plan Padrino, waarvan de resultaten zijn te zien in Zembla (videoband van 0.24 tot en met 0.36) en in EO Tijdsein september 2000 (videoband van 1.03 tot 1.05 en van 1.20 tot 1.23).

Naar aanleiding van een door mr. Tomlow ingestelde vordering heeft de daarvoor ingestelde Commissie De Boer (van wie dr. P. Hoebink deel uitmaakte) in juni 2001 haar rapport uitgebracht over de activiteiten van FPP/Plan International in Cité Soleil (Haïti) (productie 22 bij memorie van antwoord). Daaruit blijkt (tweede pagina van de samenvatting) dat op de donaties van de ouders voor Cité Soleil na aftrek van allerlei kosten 50% aldaar beschikbaar kwam, waarvan ongeveer de helft, dus 25%, naar ondersteunende activiteiten voor de kinderen, zoals medische zorg en schoolgeld, ging en de andere helft naar gemeenschapsprojecten, zoals de bouw van scholen en gezondheidsprojecten. Voorts is volgens die samenvatting duidelijk dat de Foster-ouders hoe dan ook een bepaalde steun voor “hun” Foster-kinderen verwachten. Volgens hoofdstuk 7 (“De verwachtingen van ouders in Nederland en de voorlichting”, p. 33) verwachtte een kwart van de ondervraagden dat hun hulp direct aan het kind ten goede zou komen en verwachtte 70% dat de bestedingen naar het kind en de omgeving zouden gaan. In het wervingsmateriaal, zo vervolgt het rapport, staat het kind centraal en de essentie is: door een band aan te gaan met een kind kunt u het leven van dat kind verbeteren. In hoofdstuk 8.2 (p. 36) vermeldt het rapport onder meer:

“Het leggen van die directe band vereist verder een hoge mate van transparantie over de exacte besteding van middelen. In feite doet men bij financiële adoptie twee beloftes: men stelt aan de ene kant een contract voor aan het Foster-kind en zijn verzorgers; en aan de andere kant aan de Foster Parents. Indien men een foto neemt van een kind, het een inschrijvingskaart van Plan International geeft en het vraagt regelmatig een brief te schrijven, dan doet men een belofte. Voor arme mensen voor wie ieder dubbeltje telt, is die belofte naar de mening van de Commissie een belofte tot directe steun. De belofte aan de Foster Parents is nagenoeg dezelfde. Natuurlijk wordt kenbaar gemaakt dat een deel van de steun gaat naar de gemeenschap waarin het kind leeft, maar welk deel dat betreft is veelal niet helder. Foster Parents verwachten in feite bijna allemaal dat in ieder geval een deel van wat zij contribueren ten goede zal komen aan dit ene kind. Hoe groot dat deel is, dient een op afstandsadoptie gerichte organisatie duidelijk te maken.”.

Het hof onderschrijft voorshands deze opvattingen, waarmee echter nog geenszins is gezegd dat de adoptieouders en/of hun adoptiekinderen nakoming zouden kunnen vorderen op basis van een schenkingsovereenkomst

4.8 Thans volgt een voorlopig oordeel van het hof over de afzonderlijke citaten uit de folder, volgens de door de president aangehouden nummering.

4.9 Ad (1) dat FPP aan de kinderen in Barranquilla jarenlang heeft voorgehouden dat zij begunstigde waren van Nederlandse pleegouders. Grief 8 richt zich tegen rechtsoverweging 14.

Uit de hiervoor vermelde vindplaatsen op de videoband in samenhang met het rapport van de Commissie De Boer is vooralsnog voldoende aannemelijk dat FPP aan de kinderen heeft (laten) voorhouden dat zij (direct) begunstigden van pleegouders waren. Op de videoband (0.28) is te zien dat in Barranquilla de adoptiekaartjes leeg waren gebleven en dat de verzorgers zich erover beklaagden dat zij voor een huis niets dan bakstenen of een paar zakken cement kregen, terwijl ze naar de adoptieouders moesten schrijven dat ze in een goed huis woonden. Voorts is op de videoband te zien (0.44) hoe Flor de Maya de vervallen slaapruimte toont, bestemd voor zeven personen zonder enige privacy en uiteenzet dat zij aan hulp drie jaar niets heeft overgehouden en zelfs geen geneesmiddelen kreeg toen het adoptiekind van mw. Brokerhof aan hepatitis leed. Ten slotte blijkt uit de videoband (1.19) dat de dertienjarige Yadeiris Pedrosa, al zeven jaar adoptiekind van de familie Tjebbes, nooit hulp heeft gekregen, ook niet van de gezondheidszorg, en dat zij in 1999 de school moest verlaten omdat er voor haar geen schoolgeld was.

Een en ander vindt steun in de een aantal in of omstreeks augustus 2000 ingevulde formulieren (producties 0 zijdens de Werkgroep en het Fonds bij memorie van grieven), waarvan de standaardtekst is vertaald (productie 1, een na laatste blad zijdens de Werkgroep en het Fonds in eerste aanleg). Daaruit blijkt dat een niet onaanzienlijk aantal invullers van het standaardformulier, kennelijk in Barranquilla, opgeeft ondanks hun lidmaatschap van het FPP-plan geen geld of goederen te hebben ontvangen.

Aan het voorgaande kan niet afdoen wat FPP daaromtrent zelf in Nederland ten behoeve van (potentiële) adoptieouders publiceerde (producties 2, 3 en 4 zijdens FPP in eerste aanleg), noch hetgeen de faillissementsrechters in eerste en tweede aanleg hebben overwogen (producties 7 en 8 zijdens FPP in eerste aanleg). Het gaat immers over de bij de adoptiekinderen en hun ouders/verzorgers gewekte verwachtingen, welke nog geen schenkingsovereenkomsten behoeven te impliceren.

4.10 Ad (2) dat de hulp nooit is aangekomen. Grief 9 richt zich tegen rechtsoverweging 17.

FPP heeft zich terzake enkel beroepen op het rapport van Price Waterhouse van 2 februari 1996 aan opdrachtgeefster Plan International (productie 7 zijdens de Werkgroep en het Fonds in eerste aanleg; met vertaling).

Price Waterhouse verklaart zelf (op de eerste pagina) dat het niet heeft gepoogd om de informatie die het rapport bevat onafhankelijk te verifiëren, dat het rapport niet zonder haar uitdrukkelijke schriftelijke goedkeuring mag worden verspreid naar anderen en dat zij zelfs geen enkele verantwoordelijkheid aanvaardt indien dit rapport door anderen wordt ingezien. Daarnaast bevat het rapport nauwelijks cijfers en is het in het geheel niet voorzien van enige financiële bijlage. Al dit soort beperkingen maken het rapport praktisch oncontroleerbaar. Aan een dergelijk rapport kan voorshands geen bewijskracht toekomen ten gunste van de opdrachtgeefster Plan International en het aan haar gelieerde FPP.

Een feit is dat van de donaties door de adoptieouders maximaal ongeveer 50% ter plaatse van hun adoptiekinderen wordt besteed (zie het hiervoor besproken rapport van de Commissie De Boer) en hetgeen hierna wordt overwogen naar aanleiding van ad (3). Blijkens rechtsoverweging 4.9 verklaren individuele kinderen en hun verzorgers in Barranquilla, maar blijkens de videoband ook elders, dat zij geen enkele hulp hebben ontvangen.

Dat de hulp nooit aankwam is dus in een aantal gevallen op individueel niveau waar, maar in zijn algemeenheid wel tamelijk ongenuanceerd.

4.11 Ad (3) dat het “onzin” zou zijn dat de donaties aan de projecten zijn besteed. Daarmee zijn door de folder de projecten wegenaanleg, gezondheidszorg, betaling van schoolgeld en het opknappen van huizen bedoeld. Grief 10 richt zich tegen rechtsoverweging 19.

FPP heeft haar betwisting van deze aantijging enkel gebaseerd op het rapport van Price Waterhouse van 2 februari 1996, waarvan reeds hiervoor is overwogen dat het onbruikbaar is. De Werkgroep en het Fonds hebben bij memorie van grieven (ongenummerde pagina’s 28 tot en met 30) commentaar gegeven op de volgens Plan International in Barranquilla uitgevoerde projecten (productie 12 zijdens de Werkgroep en het Fonds in hoger beroep) en daarvan een financiële reconstructie gemaakt. Deze komt er op neer dat Plan International (FPP) aan de diverse projecten per saldo ongeveer f 6.420.500,-- heeft besteed uit donaties van 1985 tot en met 1999 ad in totaal f 77.177.340,--. FPP heeft dat vervolgens niet weersproken, zodat daarvan voorshands moet worden uitgegaan. Hieruit blijkt dat slechts ongeveer 8% van de donaties ter plaatse in Barranquilla is besteed.

Daarnaast heeft FPP niet – gemotiveerd – weersproken dat de Colombiaanse regering ingevolge de INURBE-regeling de kosten van wegenaanleg, gezondheidszorg en schoolgeld vergoedde. Dit vindt steun in het rapport van Price Waterhouse van 2 februari 1996, waarin (op p. 12 van de vertaling) sprake is van INURBE-subsidies door de Colombiaanse overheid voor huisrenovaties, waartoe Plan International voor een overbruggingslening met hefboomwerking zorgt.

De bewering van FPP dat het geld aan projecten is besteed, was dus door de Werkgroep en het Fonds niet geheel maar wel voor een aanmerkelijk deel terecht als onzin aan te merken.

4.12 Ad (4) dat wie kritiek had op FPP onmiddellijk werd geschorst. Grief 11 richt zich tegen rechtsoverweging 21.

De Werkgroep en het Fonds hebben bij conclusie van antwoord in conventie (vierde blad, een na laatste alinea) en onder grief 11 uiteengezet dat zij doelden op de kinderen in Barranquilla, die volgens hen zelf zeiden dat wie kritiek had onmiddellijk werd geschorst. Blijkens haar pleitaantekeningen in eerste aanleg (nr. 28) betrok FPP dit niet op de kinderen in Barranquilla maar op haar donateurs. Bij memorie van antwoord heeft FPP, toen haar duidelijk had moeten zijn dat de Werkgroep en het Fonds in hun folder niet op de donateurs maar op de kinderen doelden, dat laatste niet weersproken, zodat vaststaat en in de folder juist wordt vermeld dat wie (van de kinderen in Barranquilla) kritiek had op FPP onmiddellijk werd geschorst.

4.13 Ad (5) dat de kinderen en hun ouders vergeefs hoopten op hulp. Grief 12 richt zich tegen rechtsoverweging 23.

Uit hetgeen hierover onder rechtsoverweging 4.11 is overwogen, blijkt dat FPP in Barranquilla in verhouding tot de donaties weinig heeft besteed. Vast staat dat FPP sedert 1999 ter plaatse in het geheel geen hulp meer verstrekt. In het licht van het voorgaande is de stelling dat de kinderen en hun ouders vergeefs hoopten op hulp juist, zowel voor een groot aantal van hen tijdens de aanwezigheid van FPP als voor allen sedert het vertrek van FPP uit Barranquilla.

4.14 Ad (6) dat f 95 miljoen zoek is in Barranquilla. Grief 13 richt zich tegen rechtsoverweging 25.

Bij memorie van grieven hebben de Werkgroep en het Fonds het als niet thuis te brengen bedrag verlaagd tot: (f 77.177,340,-- wegens donaties minus f 6.420.500,-- aan bestedingen is) f 70.756.840,--.

Ook hier komt aan FPP geen beroep toe op het rapport van Price Waterhouse van 2 februari 1996. Haar beroep op de beschikkingen van de rechtbank en het gerechtshof te Amsterdam tot afwijzing van het faillissementsverzoek (producties 7 en 8 zijdens FPP in eerste aanleg) treft geen doel omdat deze rechters zich niet hebben uitgelaten over de vraag of er aan FPP geschonken gelden zouden ontbreken. Dat volgens hen geen schenkingsovereenkomsten aanwezig waren, sluit echter geenszins uit dat er geld bij FPP en/of Plan International “zoek” kan zijn.

Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.11 vermeld, hebben de Werkgroep en het Fonds de ontvangen donaties en in Barranquilla bestede gelden gereconstrueerd. Hun benadering dat er f 70 miljoen “zoek” is, lijkt voorshands wel aannemelijk in die zin dat dit bedrag niet in Barranquilla aan projecten is besteed, maar anderzijds kunnen de Werkgroep en het Fonds er niet omheen dat fondsenwerving nu eenmaal kosten met zich meebrengt, zij het dat dergelijke kosten met het oog op het doel zoveel als redelijkerwijze mogelijk beperkt behoren te worden. Blijkens de toelichting van drs. P. Lakeman van Sobi (videoband 0.56) blijft er voor Barranquilla zelf geen 88% over, maar na aftrek van 18% wegens nationale inzameling, 4% voor International Plan Londen, 3% voor correspondentie en 16% wegens niet thuis te brengen, omstreeks 59 tot 60%, hetgeen ook dr. P. Hoebink (videoband 0.58) bevestigt. Dit vindt ook steun in het rapport van de commissie De Boer (productie 22 zijdens FPP bij memorie van antwoord, tweede blad samenvatting en p. 23) waar, zij het voor het project Cité Soleil in Haïti, sprake is van een financiële beschikbaarheid ter plaatse van 50%.

In het licht van de totale donateursbijdragen aan FPP van f 200 miljoen per jaar, betekent dit dat er f 80 tot 100 miljoen per jaar in de organisatie (van FPP, Plan International en ter plaatse) blijft hangen en dat er in de jaren 1985 tot en met 1999 f 28 miljoen tot f 35 miljoen ten nadele van Barranquilla aan organisatie is opgegaan. Van de circa f 70 miljoen voor Barranquilla gaat dus f 28 miljoen tot f 35 miljoen op aan organisatiekosten en er is dan per saldo f 52 miljoen tot f 35 miljoen niet thuis te brengen. Dat er 95 miljoen zoek is, lijkt voorshands overdreven, maar dat het om tientallen miljoenen gaat, mag voorshands wel worden aangenomen.

4.15 Ad (7) dat het overal hetzelfde is, waar je ook komt, in Sri Lanka, Haïti of Kenia. Grief 14 richt zich tegen rechtsoverweging 27.

Voor Haïti wordt verwezen naar het rapport van de commissie De Boer (productie 22 zijdens FPP bij memorie van antwoord, tweede blad samenvatting en p. 23) waar sprake is van een financiële beschikbaarheid ter plaatse van 50% en het gedurende de jaren 1991 tot en met 1998 gaat om de besteding van vele miljoenen aan US-dollars (p. 25).

Voor Sri Lanka heeft haar ambassadeur zich kritisch uitgelaten over de besteding van de gelden (videoband 0.35).

De eindconclusie van de Nederlandse ambassade in Bolivia (videoband 0.36) is “ronduit vernietigend”.

Met betrekking tot Kenia verklaart voormalig medewerkster van FPP Beryl Akiniy (videoband 0.46) dat de correspondentie van de adoptiekinderen uit de computer komt. Een anonieme professionele medewerker zegt hierover dat veel van deze correspondentie verzonnen wordt door de overbelaste maatschappelijk werkers. Verder blijkt van een totaal mislukt waterproject (videoband 1.05), dat de kinderen niets krijgen maar alles naar de gemeenschap gaat en zij alleen gebruik kunnen maken van boeken, school en bibliotheek als zij geld hebben (videoband 1.11). Een anonieme medewerker vertelt dat de 4000 gezinnen niet van de hulp profiteren, geen geld hebben voor de aanbetaling van koeien in het project en dat de koeien alleen naar de welgestelde gezinnen gaan.

Met betrekking tot de Filipijnen blijkt dat ziekten uit de brieven van de adoptiefkinderen worden geschrapt (videoband 0.22 en verklaring daar van Vangi Itar videoband 0.51) en dat een huizenproject op Mindoro is mislukt (videoband 1.01). Voorts verklaart moeder Sotefo dat haar kind Arvic niets van FPP kreeg (videoband 1.14) en kreeg Mayola Zoleta éénmaal een stuk speelgoed en verder niets (videoband 1.16). Projectleidster mw. Sosa erkent dat zij ter plaatse slechts 10 families per jaar met de aankoop van grond kunnen helpen (videoband 1.16).

Een ander maakt voorshands voldoende aannemelijk dat zich dezelfde problemen op dezelfde schaal in Haïti, Sri Lanka en de Filippijnen voordoen.

Met betrekking tot India wordt nog verwezen naar het geluidsbandje van De Ochtenden van 12 april 2001, waaruit blijkt dat een watertorenproject van FPP mislukte, terwijl het waterproject van Unicef verderop volop water geeft.

4.16 Ad (8) dat de kinderen noch de omgeving iets zien van de donaties. Grief 15 richt zich tegen rechtsoverweging 28.

Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.10 is overwogen naar aanleiding van ad (2).

4.17 Ad (9) dat FPP inmiddels het geld gebruikt om de duurste advocaten van Nederland te betalen. Grief 16 richt zich tegen rechtsoverweging 30.

Anders dan de president heeft overwogen, brengt de folder – want daar gaat het om - niet tot uitdrukking dat de toename van uitvoeringskosten ad f 1,7 miljoen door de Werkgroep en het Fonds worden aangemerkt als advocaatkosten. De folder maakt er wel melding van dat geld uit de financiële adopties wordt gebruikt om de duurste advocaten van Nederland te betalen. In geen van beide instanties heeft FPP betwist dat zij geld uit de financiële adopties gebruikt om de duurste advocaten van Nederland te betalen. Feitelijk is deze mededeling dus niet onjuist.

4.18 Ad (10) dat het Fonds steun verdient voor zijn wanhopige poging bij deze “duistere organisatie” nakoming te krijgen van de beloften. Grief 17 richt zich tegen rechtsoverweging 32.

Een organisatie, die zich ontwikkelingshulp ten doel stelt, dient uit zichzelf ten behoeve van haar donateurs zorg te dragen voor een transparante financiële rapportage en naast de behaalde resultaten ook rekenschap af te leggen van mislukkingen. Blijkens het voorgaande blijft ongeveer 50% van de donaties in de organisatie hangen, hetgeen op geen enkele wijze in publicaties van FPP aan de (potentiële) donateurs wordt gemeld. Dat de organisatie van FPP in dit opzicht als duister wordt aangemerkt is in zoverre niet onjuist.

4.19 Ad (11) dat een voortvarende advocaat alvast is begonnen met het faillissementsverzoek van FPP. Grief 18 richt zich tegen rechtsoverweging 33.

Niet van belang is wanneer de folders zijn vervaardigd maar wanneer deze zijn of zouden worden verspreid. Vaststaat dat zij, voorzien van de namen van het Fonds en de Werkgroep, verspreid zouden gaan worden in april 2001. Vaststaat dat de rechtbank en het gerechtshof te Amsterdam het verzoek tot faillietverklaring van FPP toen al lang hadden afgewezen bij beschikkingen van respectievelijk 3 oktober 2000 en 7 november 2000 (producties 7 en 8 zijdens FPP in eerste aanleg). Gesteld noch gebleken is dat cassatieberoep werd ingesteld. Hetgeen de Werkgroep en het Fonds nog aanvoeren om duidelijk te maken dat FPP volgens hen failliet is, doet na de mislukte faillissementsaanvraag niet meer ter zake. Dat een van de advocaten alvast met een faillissementsverzoek was begonnen, was dus in april 2001 onjuist omdat dit was achterhaald door de afwijzende beschikkingen. Van een voornemen tot een nieuw faillissementsverzoek, zoals later bij brief van 30 augustus 2001 namens het Fond aangekondigd (productie 23 bij memorie van antwoord), was toen nog geen sprake. In hoger beroep hebben de Werkgroep en het Fonds terecht niet de overweging van de president aangevochten dat de betreffende mededeling bijzonder schadelijk is voor de reputatie van FPP, waardoor nog meer donateurs zouden worden afgeschrikt.

4.20 Ad (12) dat uit een onbedoeld naar buiten gekomen intern onderzoek is gebleken dat er sprake was van fraude in Barranquilla. Grief 19 richt zich tegen rechtsoverweging 35.

FPP heeft wel aangevoerd dat het rapport van Price Waterhouse van 2 februari 1996 al lang in het bezit is van de Werkgroep en het Fonds, maar daarmee heeft FPP nog niet weersproken dat dit rapport, dat een puur interne strekking heeft, onbedoeld naar buiten is gekomen.

Op zichzelf is bedoelde fraude inderdaad in het rapport van Price Waterhouse van 2 februari 1996 (p. 7 sub f.) te vinden. Het rapport voegt daar echter aan toe:

“In 1994 werd actie ondernomen als remedie in deze situatie – aankopen voor de wijk waar de problemen werden herkend, worden nu gedaan door het Regio Kantoor en alle medewerkers betrokken bij de kwade praktijken zijn ontslagen. Ook is een interne controle functie van start gegaan op het Regio Kantoor, met verantwoordelijkheid voor controle van wijkrapporten en procedures.”.

Door van deze aanpak door FPP geen melding te maken hebben de Werkgroep en het Fonds ten onrechte slechts een halve waarheid gecreëerd, hetgeen een vertekend beeld van de werkelijkheid opriep. Hetgeen de Werkgroep en het Fonds onder deze grief verder aanvoeren heeft geen betrekking op de in de folder gesignaleerde fraude en is daarom niet van belang. De Werkgroep heeft nog aangevoerd dat zij niet voor de folder verantwoordelijk is, maar dit verweer wordt verworpen omdat haar naam en website zodanig op de folder staan vermeld dat de gemiddelde lezer er op zal vertrouwen dat de folder mede van de Werkgroep afkomstig is.

4.21 Ad (13) dat de ambassadeurs (van Nederland) niets positiefs kunnen melden over FPP. Grief 20 richt zich tegen rechtsoverweging 37.

Deze passage “niets positiefs” vindt in die zin geen steun in de door de Werkgroep en het Fonds (als productie 38 bij memorie van grieven) overgelegde memoranda van de diverse Nederlandse ambassades. Allereerst moet worden geconstateerd dat het gaat om adviezen over de vraag of FPP moest worden toegelaten tot het MFP. Daarbij gaat het om meer kwesties dan de door de Werkgroep en het Fonds aan het adres van FPP gemaakte verwijten.

Bolivia adviseert zonder meer negatief. Bamako (Mali) uit zich negatief over de zware overhead in de organisatie en verlangt bewijzen van een goed financieel beheer. Uganda is zonder meer positief. Manilla (Filipijnen) is zonder meer positief. Dar es Salaam (Tanzania) kan geen onderbouwd oordeel vellen. Colombo (Sri Lanka) acht de werkzaamheden wel effectief, maar twijfelt aan de toegevoegde waarde en meldt dat het programma in Badulla geen goede reputatie heeft en dat de positie van FPP in Sri Lanka zeker niet stabiel en onomstreden is, zodat deze ambassade zich van advies onthoudt. Quito (Equador) beschrijft dat FPP tracht uit zijn isolement te treden en de “ownership”-gedachte nauwelijks in de praktijk brengt en dat het project in Manabí niet kan worden beoordeeld, maar dat het project in Loja in die regio als matig tot slecht wordt ervaren. Bij dit laatste speelt een rol dat FPP zich concentreert op gemeenschappen/dorpen waar geadopteerde kinderen aanwezig zijn, hetgeen wel logisch is, maar niet door iedereen in de regio wordt begrepen.

Een en ander geeft dus een caleidoscopisch beeld. Daarnaast moet in aanmerking worden genomen dat oud-ambassadeur J. de Roos zich (op videoband 0.26) negatief en uiterst kritisch uitlaat over de plaatselijke tussenpersonen die persoonlijk beter zijn geworden van het plan Padrino in Barranquilla. Dat de ambassadeurs (van Nederland) niets positiefs kunnen melden over FPP, is dus wel overdreven.

Anders dan de Werkgroep en het Fonds aanvoeren, doet niet ter zake of de samenvatting van de minister van ontwikkelingssamenwerking wel of niet juist is. Het gaat immers om de in de folder opgenomen samenvatting van de Werkgroep en het Fonds dat de ambassadeurs niets positiefs kunnen melden over FPP.

4.22 Grief 7 bestrijdt de door de president in rechtsoverweging 10 vooropgestelde maatstaf. Bezien in het licht van de arresten van de HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801 en 6 januari 1995, NJ 1995, 422 is deze maatstaf juist.

Bij de hier aan de orde zijnde vraag staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van FPP niet door publicaties te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Welk van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband

te beschouwen omstandigheden, en wel - in een situatie als de onderhavige - in het bijzonder van de volgende:

a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;

b. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

c. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a. t/m c. bedoelde factoren;

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f. een mogelijke beperking van het door de publicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de

pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

Aldus HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801.

4.23 Van wezenlijke betekenis is dat FPP zich in de publiciteit begeeft om in het openbaar fondsen te werven voor ontwikkelingshulp. FPP is in het verleden (sedert 1983) meermalen in de pers, radio en televisie aangesproken op het belang van consistentie in de berichtgeving naar enerzijds de adoptieouders en anderzijds de adoptiekinderen toe, het belang dat met zo weinig mogelijk kosten zoveel mogelijk gedoneerde gelden ter plaatse en aan de adoptiekinderen worden besteed en het belang van transparante verslaglegging over haar werkzaamheden en de besteding van de gelden.

Voorts is van belang dat de Werkgroep en het Fonds niet voor hun eigen belangen opkomen, maar (omstreeks 1997) zijn ontstaan vanuit de zorg van een aantal adoptieouders over de vraag of de door de adoptieouders aan FPP geschonken gelden, kort gezegd, wel bij de adoptiekinderen aankomen. Daarbij speelt een rol dat FPP de rechtsvorm van een stichting heeft, waarop derden, zoals de adoptieouders, slechts in beperkte mate invloed kunnen uitoefenen, al heeft FPP een beroepscommissie in het leven geroepen. In 2000 heeft FPP van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking de MFO-status gekregen, hetgeen jaarlijkse evaluatie en controle tot gevolg heeft.

FPP en (degenen die leiding geven aan) de Werkgroep en het Fonds zijn sedert 1998 niet meer in gesprek. Dit heeft er toe geleid dat de Werkgroep en het Fonds contact met FPP hebben gezocht via de media. De folder is daarvan een voorbeeld.

4.24 De uitingen sub (2), (3), (6), (8), (12) en (13) bevatten, zoals hiervoor vermeld, wel een kern van waarheid, maar zijn, kort samengevat, ongenuanceerd en overdrijven het een en ander. Zij strekken er toe aan de kaak te stellen dat zich bij FPP, ook na eerdere publicaties, nog steeds de misstand voordoet dat de hulp van de donateurs/adoptieouders in een aantal gevallen niet en in het algemeen voor een (te) laag percentage ter plaatse aankomt. Bezien vanuit het algemeen belang rechtvaardigde de ernst van die misstand, welke de folder aan de kaak beoogt te stellen, deze publicatie terwijl de verdenkingen in voldoende mate steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, zoals nadien nog bevestigd door het rapport van de Commissie De Boer.

De inkleding van de verdenkingen is, gezien in verhouding tot de hiervoor bedoelde factoren, ongetwijfeld hard en kort door de bocht geformuleerd. Dit een en ander vindt zijn oorsprong in de verharding van de verhoudingen tussen partijen en de omstandigheid dat er ondanks de regelmatig terugkerende kritiek op de werkwijze van FPP, in de opvatting van de Werkgroep en het Fonds, later gesteund door het rapport van de Commissie De Boer, geen wezenlijke koerswijziging bij FPP is opgetreden, zodat nog steeds, respectievelijk opnieuw adoptieouders teleurgesteld kennis namen van de werkelijke mate van hulp aan hun adoptiekind en ter plaatse.

Voorshands is niet aannemelijk dat, ook zonder de publicatie van de folder, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor FPP minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden. Partijen waren diverse jaren niet meer met elkaar in gesprek, FPP had inmiddels de MFO-status verworven. FPP heeft ook niet aangegeven hoe de Werkgroep en het Fonds, inmiddels door FPP ervaren als “stalkers”, hun doel dan op een meer proportionele en subsidiaire wijze hadden kunnen bereiken. Voorts was uit de klachten van mr. Tomlow namens een aantal adoptieouders van Cité Soleil (Haïti) gebleken dat de door de Werkgroep en het Fonds gesignaleerde misstanden zich nog steeds voordeden.

In dit licht bezien, rechtvaardigde het gebrek aan nuancering en de overdrijvingen in de folder niet de constatering dat deze publicatie sub (2), (3), (6), (8), (12) en (13) jegens FPP onrechtmatig was en al helemaal geen preventief publicatieverbod. De grieven 21 en 23 treffen in zoverre doel.

4.25 De aankondiging van het faillissementsverzoek sub (11) was in april 2001 inmiddels apert achterhaald. De verspreiding van het gerucht dat een fondsenwerver als FPP zou (gaan) failleren is buitengewoon ernstig en bedreigend voor zijn vermogen om mensen als donateurs/adoptieouders te gaan of blijven binden en is, zonder gerichte tegenactie, op zichzelf in staat om op basis van de enkele publicatie het massaal afhaken van adoptieouders te bewerkstelligen, mogelijk met een faillissement als gevolg. De hiervan te verwachten gevolgen voor FPP zijn dan ook bijzonder bedreigend. De verspreiding van dit valse gerucht vormde op zichzelf een voldoende grond om de verspreiding van de folder te verbieden.

4.26 Volgens grief 2 brengt de beslissing in strijd met artikel 292 Rv. (oud) nadeel toe aan de hoofdzaak en kon de zaak zonder nadeel toe te brengen aan de belangen van partijen worden verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.

Aan het treffen van voorlopige voorzieningen behoeft evenwel niet zonder meer in de weg te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen (zie HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92).

Omtrent de uiting sub (11) heeft de president terecht geoordeeld dat door toewijzing van de gevorderde voorzieningen schade zoveel mogelijk moest worden voorkomen.

Anders dan de Werkgroep en het Fonds in grief 23 aanvoeren, brengt artikel 7 Grondwet niet mee dat er nimmer drukwerk uit het verkeer kan worden genomen. Al zal de rechter daarmee in verband met de vrijheid van meningsuiting terughoudend moeten zijn, een onrechtmatige publicatie kan ook preventief worden verboden.

Evenmin staat artikel 10 EVRM aan het nauwkeurig geformuleerd en duidelijk begrensd preventief publicatie- en uitingsverbod in de weg. De beperking van de uitingsvrijheid is voorzien bij het in vaste rechtspraak uitgewerkte artikel 6:162 BW en in zoverre noodzakelijk in een democratische samenleving ter adequate bescherming van de goede naam en rechten van in dit geval FPP. Het fundamentele recht van vrijheid van meningsuiting van de Werkgroep en het Fonds moet in deze, tot de publicatie en uiting van de faillissementsaanvraag beperkte situatie wijken voor het recht van FPP op een goede naam en haar andere rechten.

Op grond van het voorgaande moet ook de door de Werkgroep en het Fonds in verband met de gevorderde en gelaste rectificatie ingeroepen onverbindendheid van artikel 6:167 BW worden verworpen.

4.27 Grief 1 komt er tegen op dat de president aan het vonnis reeds werking heeft gegeven vóór de betekening ervan.

Een vonnis heeft rechtens effect direct vanaf de uitspraak. Dat een dwangsom ingevolge artikel 611a lid 3 Rv. niet kan worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld, impliceert geenszins dat het vonnis voor het overige niet eerder enig juridisch effect zou kunnen sorteren. Maatschappelijk kan een vonnis reeds vanaf de uitspraak effect sorteren, zoals blijkt uit de toelichting op grief 3, volgens welke FPP het bij het vonnis uitgesproken verbod van de folder in het NOS-nieuws heeft gebracht.

4.28 De reconventionele vordering is, zoals de president in rechtsoverweging 43 heeft begrepen, ingesteld onder de voorwaarde dat een deel van de vorderingen van FPP voor toewijzing in aanmerking komt. Tegen de afwijzing daarvan keren zich de grieven 6 en 22.

Volgens de Werkgroep en het Fonds is het laten voortduren van het beslag op de, niet afgegeven, acceptgirokaarten onrechtmatig. Indien al juist, dan rechtvaardigt dit nog niet om FPP bij kort geding-vonnis te dwingen om tegen de werkgroep en het Fonds een bodemprocedure in te stellen.

Ook het TRIPs-Verdrag dwingt daartoe niet, aangezien de vorderingen van FPP in dit kort geding geen voorlopige maatregelen betreffen als bedoeld in artikel 50, eerste lid wegens inbreuk op onder deze overeenkomst vallende rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom. Indien de Werkgroep en het Fonds een bodemprocedure wensen, welke zij volgens de haar antwoordakte van FPP in hoger beroep overigens inmiddels aanhangig zouden hebben gemaakt, staat er niets aan in de weg dat zij een dergelijke procedure zelf entameren. Hun processuele positie wijzigt niet doordat zij dan als eisers in plaats van gedaagden optreden. Van een door de Werkgroep en het Fonds ingeroepen schending van artikel 6 EVRM is dan ook niet gebleken.

4.29 Zowel in conventie als in reconventie hebben de Werkgroep en het Fonds bewijs van hun stellingen (door getuigen, deskundigen etc.) aangeboden. In het algemeen en ook in deze zaak leent de aard van het kort geding zich daarvoor echter niet, zodat ieder bewijsaanbod wordt gepasseerd.

5 De slotsom

5.1 Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens ten aanzien van de in het vonnis onder 5 gelaste rectificatie en de onder 9 uitgesproken veroordeling met de daarbij behorende dwangsommen. De onderstaande veroordelingen worden uitsluitend uitgesproken voor zover de Werkgroep en het Fonds nog niet aan de desbetreffende veroordelingen van de president hebben voldaan.

5.2 Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de president van de recht-bank te Arnhem van 13 april 2001, zoals gemotiveerd op 20 april 2001, behou-dens voor zover het dictum onder 5 en 6 en onder 9 en 10, vernietigt dat vonnis in zoverre en in zoverre opnieuw recht-doende:

veroordeelt de Werkgroep en het Fonds om, voorzover de Werkgroep en het Fonds nog niet aan de desbetreffende veroordeling van de president onder 5 zouden hebben voldaan, binnen twee weken na het wijzen van dit arrest op de internet-website van de Werkgroep werkgroepgendt.nl, de navolgende mededeling te (doen) plaatsen en deze mededeling gedurende een periode van twee maanden aldaar geplaatst te laten:

“Geachte lezers,

In 2001 hebben de Stichting Werkgroep Gendt en de Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen Foster Parents Plan de folders “Foster Parents Plan? Slecht Plan!” met een acceptgiro verspreid. Deze folder vermeldt ten onrechte dat een voortvarende advocaat alvast is begonnen met het faillissementsverzoek van Foster Parents Plan. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 7 mei 2002 in kort geding geoordeeld dat deze bewering jegens Foster Parents Plan onrechtmatig is en dat de Stichting Werkgroep Gendt en de Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen Foster Parents Plan met de verspreiding van deze folder onrechtmatig handel(d)en jegens Foster Parents Plan. Het gerechtshof heeft de Stichting Werkgroep Gendt en de Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen Foster Parents Plan daarom veroordeeld om de verspreiding van deze folder te staken en de inhoud ervan op deze wijze te rectificeren.

Stichting Werkgroep Gendt en Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen Foster Parents Plan.”

veroordeelt de Stichting Werkgroep Gendt en de Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen FPP om, ingeval zij na betekening van dit arrest in gebreke mochten blijven aan de hiervoor opgenomen veroordeling te voldoen, aan FPP een dwangsom te betalen van EUR 10.000,-- voor het niet of niet tijdig plaatsen van de hiervoor gelaste mededeling, alsmede van een dwangsom van EUR 450,-- per dag dat bedoelde mededeling korter dan twee maanden op de website van de Werkgroep geplaatst staat, echter tot een maximum van in totaal EUR 200.000,--;

veroordeelt de Stichting Werkgroep Gendt en de Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen FPP om zich met ingang van13 april 2001 te onthouden van het herhalen van mededelingen en uitlatingen welke er op neerkomen dat een voortvarende advocaat alvast is begonnen met het faillissementsverzoek van FPP;

veroordeelt de Stichting Werkgroep Gendt en de Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen FPP om ingeval zij na betekening van dit arrest in gebreke mochten blijven aan de hiervoor opgenomen veroordeling te voldoen, aan FPP een dwangsom te betalen van EUR 2.000,-- per mededeling/uitlating, echter tot een maximum van in totaal EUR 200.000,--;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs Houtman, Steeg en Van den Heuvel en in tegenwoordigheid van de griffier uitge-sproken ter open-bare terechtzitting van

7 mei 2002.