Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE2092

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-02-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
98-03677
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0924 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/03677

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de heffingsambtenaar van de gemeente Harderwijk (hierna: de Ambtenaar)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : beschikking waardevaststelling ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000

nummer : [01]

mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1 te Z]. Het betreft een op 22 mei 1997 opgeleverde nieuwbouw woning.

2. De Ambtenaar heeft bij een in 1997 afgegeven beschikking de waarde van de woning vastgesteld op f 35.000. In zijn verweerschrift stelt de Ambtenaar dat die waarde is bepaald naar de staat van de woning waarin deze zich bevond op 1 januari 1997, herrekend naar het prijspeil per peildatum 1 januari 1995. Deze beschikking is onherroepelijk komen vast te staan.

3. De Ambtenaar heeft vervolgens op 31 maart 1998 een nieuwe WOZ-beschikking met het nummer [01] (de onderhavige beschikking) afgegeven en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de waarde van de onroerende zaak naar de staat per 1 januari 1998, herrekend naar het prijspeil per peildatum 1 januari 1995 f 247.000 bedraagt. Bij de bestreden uitspraak heeft de Ambtenaar de waarde gehandhaafd.

4. Het systeem van de Wet WOZ maakt, voor zover hier van belang, onderscheid tussen beschikkingen op de voet van artikel 22, lid 1 en beschikkingen op de voet van artikel 25, lid 1. In de eerstbedoelde beschikkingen wordt de waarde van een onroerende zaak vastgesteld naar de maatstaf van artikel 18, dat wil zeggen dat de waarde wordt bepaald naar de waarde op de waardepeildatum en naar de staat waarin die zaak op die datum verkeert. In de beschikkingen op de voet van artikel 25, lid 1 wordt de waarde vastgesteld indien zich een van de in artikel 19, lid 1, bedoelde wijzigingen heeft voorgedaan. Daarbij wordt, indien het gaat, zoals in dit geval, om het in artikel 19, lid 1, aanhef en onder b, bedoelde geval van bouw waarin de desbetreffende zaak na de waardepeildatum die behoort bij het tijdvak waarvoor de waarde is vastgesteld, een verandering in waarde heeft ondergaan, de waarde vastgesteld naar de waarde die de zaak heeft naar de staat waarin die zaak verkeert bij het begin van het kalenderjaar volgende op dat waarin, kort gezegd, de bedoelde waardeverandering zich heeft voorgedaan. Op grond van artikel 25, lid 2, geldt de ingevolge het eerste lid van dat artikel gegeven beschikking eerst met ingang van het laatstbedoelde tijdstip. Bij beide categorieën beschikkingen is de waardepeildatum dezelfde, maar het tijdstip waarnaar de staat van de onroerende zaak moet worden beoordeeld is verschillend.

In het belang van de rechtszekerheid - met name ook om te kunnen controleren dat de waardeverandering van voldoende omvang is om een nieuwe beschikking op de voet van artikel 19, lid 1 in verbinding met artikel 25, lid 1 te rechtvaardigen - moet ingevolge artikel 25, lid 3 in de beschikking het tijdstip met ingang waarvan deze (nieuwe) waarde geldt worden vermeld.

5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de Ambtenaar, die het standpunt inneemt dat in dit geval artikel 19 van de Wet WOZ van toepassing is, een beschikking op de voet van artikel 25, lid 1 van de Wet WOZ had moeten afgeven, waarbij hij de hogere waarde van de onderhavige onroerende zaak per toestandsdatum 1 januari 1998 en per peildatum 1 januari 1995 had moeten vaststellen.

6. Uit de onderhavige beschikking blijkt echter dat de Ambtenaar de waarde per peildatum 1 januari 1995 voor het heffingstijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 heeft vastgesteld en niet met ingang van 1 januari 1998.

De Ambtenaar heeft derhalve ten onrechte een beschikking op de voet van artikel 22, lid 1 van de Wet WOZ afgegeven. Deze beschikking kan dan ook niet in stand blijven.

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de onderhavige beschikking;

- gelast de Ambtenaar het griffierecht van € 36,30 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2002 door mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 maart 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.