Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE2034

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
00-00099
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0937
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 00/00099

U I T S P R A A K

op het beroep van [X te Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen na te melden navorderingsaanslag en kwijtscheldingsbesluit.

1. Navorderingsaanslag, boete en bezwaar

Met dagtekening 1 juni 1999 en nummer [01.H.57] heeft de inspecteur over het jaar 1995 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 135.460 waarvan ƒ 85.037 belast naar het bijzondere tarief van 45%. De navorderingsaanslag is vastgesteld met een verhoging van 100% waarvan de inspecteur 50% heeft kwijtgescholden. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit een bezwaarschrift ingediend. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij de mondelinge behandeling op 1 maart 2002 te Arnhem is verschenen en gehoord de inspecteur. Belanghebbendes gemachtigde is voor de mondelinge behandeling uitgenodigd bij aangetekende brief van 4 februari 2002 die blijkens een door het hof op 6 februari 2002 ontvangen retourkaart op 5 februari 2002 werd uitgereikt. Hij is niet ter zitting verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is op 20 november 1990 in het huwelijk getreden met [Y] (hierna: de vrouw). Het huwelijk is op 9 december 1994 door echtscheiding ontbonden.

3.2. De vrouw en belanghebbende hebben de gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk geregeld in een echtscheidingsconvenant dat op schrift is gesteld en is getekend op 25 september 1994 (door belanghebbende) en op 31 augustus 1994 (door de vrouw).

3.3. In het echtscheidingsconvenant wordt onder meer het volgende overwogen:

(…)

E. De vrouw heeft zich bereid verklaard alimentatie ten behoeve van de man te betalen. Partijen achten het daarbij redelijk dat deze alimentatie gelimiteerd en afgebouwd wordt op de hieronder in artikel 2 vermelde wijze (…). Partijen zijn voorts overeengekomen dat de vrouw haar alimentatieplicht over het gelimiteerde aantal jaren afkoopt door voldoening van een som ineens.

Het echtscheidingsconvenant bevat voorts onder andere de volgende bepalingen:

"Artikel 2. Alimentatie voor de man

(…)

2.6 Tussen partijen is voorts afgesproken dat de vrouw aan de man een afkoopsom voor toekomstige alimentatieuitkeringen zal voldoen. Ter bepaling van het terzake aan de man toekomende bedrag is de contante waarde van de alimentatie tegen 6 % berekend over de periode 1 juli 1994 tot en met 30 juni 1997 op een bedrag van fl. 135.460,--. (…)

2.7. De contante waarde van deze totale bruto alminatatieverplichting ad fl. 135.460,-- zal de vrouw aan de man voldoen binnen 14 dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers voor de Burgerlijke stand."

3.4. Het bedrag van ƒ 135.460 (hierna: de afkoopsom) is door de vrouw gestort op de derdenrekening van een notaris. Op 31 januari 1995 is de afkoopsom vanaf deze derdenrekening overgemaakt aan belanghebbende.

3.5. Belanghebbende heeft van de afkoopsom geen melding gemaakt in zijn aangiften over de jaren 1994 en 1995. De primitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1995 is overeenkomstig de aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen van nihil. De primitieve aanslag is gedagtekend 31 oktober 1997.

3.6. De inspecteur heeft bij het verweerschrift stukken overgelegd die betrekking hebben op het vaststellen van de primitieve aanslag. Volgens die stukken- "raadplegen fasen van een proces" en "raadplegen fase-afhandeling"; prints van computerbestanden - en de daarop door de inspecteur op bladzijde 3 van het verweerschrift in de derde alinea gegeven toelichting is de handmatige verwerking van belanghebbendes aangifte over 1995 op 19 september 1997 afgedaan, is het opmaken van de elementennota beëindigd op 26 september 1997 en is de mededeling dat een aanslag moet worden opgemaakt 9 oktober 1997 verzonden.

3.7. Met dagtekening 24 oktober 1997 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen [Q] de inspecteur schriftelijk medegedeeld dat - zakelijk weergegeven - belanghebbende in 1994 een afkoopsom alimentatie van zijn ex-echtgenote heeft ontvangen.

3.8. Bij brief d.d. 5 november 1997 heeft de inspecteur belanghebbendes gemachtigde geschreven - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - dat hij voornemens was belanghebbende een navorderingsaanslag over 1994 op te leggen in verband met de door hem van de vrouw ontvangen afkoopsom.

3.9. Ter zake van de door belanghebbende ontvangen afkoopsom heeft de inspecteur vervolgens (zonder toepassing van het bijzondere tarief) nagevorderd over het jaar 1994. Het belastbare inkomen over 1994 werd daarbij vastgesteld op ƒ 144.351. Nadat belanghebbende tegen die belastingaanslag bezwaar heeft gemaakt - waarbij onder andere werd aangevoerd dat het bedrag van ƒ 135.460 in 1995 is ontvangen en niet in 1994 - heeft de inspecteur de navorderingsaanslag 1994 bij uitspraak op bezwaar d.d. 28 december 1998 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 8.891 (ƒ 144.351 - ƒ 135.460) en is hij overgegaan tot het vaststellen van de thans omstreden navorderingsaanslag over 1995.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of het ontbreken van een zogenaamd "nieuw feit" aan de navordering in de weg staat, hetgeen belanghebbende verdedigt en de inspecteur betwist. Voorts is in geschil of de inspecteur terecht heeft nagevorderd met een boete van (na gedeeltelijke kwijtschelding) 50%.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Ter zitting is daaraan door de inspecteur toegevoegd - zakelijk weergegeven-:

4.2.1. Belanghebbende is opzet te verwijten, dit impliceert dat hij te kwader trouw is en navordering dus ook mogelijk is als een "nieuw feit" zou ontbreken.

4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de afkoopsom behoort tot belanghebbendes belastbare inkomen over het jaar 1995.

5.2. Het hof verwerpt het verweer van belanghebbende dat hij altijd zou hebben "begrepen dat hier sprake was van verdeling van bezit" en dat hij "slechts uit onwetendheid" zou hebben gehandeld.

De tekst van het convenant zoals aangehaald onder 3.3. maakt overduidelijk dat de vrouw belanghebbende alimentatie diende te voldoen en dat zij hem een afkoopsom voor alimentatieuitkeringen zou betalen van ƒ 135.460. Het convenant biedt geen enkel aanknopingspunt voor belanghebbendes betoog inhoudende dat hij de ƒ 135.460 zou hebben ontvangen uit hoofde van verdeling van bezittingen.

Voor zover belanghebbende met zijn bewering dat hij "dit convenant niet ter beschikking [had]" wil betogen dat hij de inhoud van het convenant niet kende, wordt dit betoog eveneens verworpen. Het hof acht het - mede gelet op de aanzienlijke omvang van het bedrag - volstrekt onaannemelijk dat belanghebbende op het punt van de alimentatie niet met de (zakelijke) inhoud van het door hem zelf ondertekende convenant bekend was.

5.3. Belanghebbende heeft dan ook door in of bij zijn aangifte op geen enkele wijze melding te maken van de door hem ontvangen afkoopsom de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthouden.

5.4. De vraag of de inspecteur met betrekking tot de afkoopsom beschikte over een nieuw feit behoeft gelet op hetgeen is overwogen onder 5.3. niet te worden beantwoord. Nu belanghebbende de inspecteur op dit punt opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden is belanghebbende met betrekking tot dit feit (het genieten van de afkoopsom) te kwader trouw zodat de inspecteur ook dan kan navorderen als hij bij het vaststellen van de primitieve aanslag met dat feit bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).

5.5. Hetgeen is overwogen onder 5.2. brengt mee dat belanghebbende door in of bij zijn aangifte op geen enkele wijze melding te maken van de door hem ontvangen afkoopsom willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Het is derhalve aan zijn opzet te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Een boete van 50% acht het hof bij opzet in beginsel passend en geboden. Feiten of omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot het oordeel dat in dit geval een lagere boete op zijn plaats is, zijn niet aannemelijk geworden. Met name de omstandigheid dat de inspecteur aanvankelijk heeft nagevorderd over het jaar 1994 geeft daartoe geen aanleiding.

6. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 14 maart 2002 door mr. drs. F.J.P.M. Haas, mr. Kooijmans en mr. drs. Van Amsterdam, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M.. Snoijink) (F.J.P.M. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 14 maart 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.