Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE1666

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
18-04-2002
Zaaknummer
02/052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 maart 2002

eerste civiele kamer

rolnummer 2002/52 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Renault Nissan Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

principaal appellante,

incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. J.M.J. Huver,

tegen:

de besloten vennootschap

Autobedrijf [principaal geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te Almelo,

principaal geïntimeerde,

incidenteel appellante,

procureur: mr. P.C. Plochg.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 2 januari 2002 dat de president van de arrondissementsrechtbank te Almelo tussen principaal appellante (hierna ook te noemen: Nissan) als gedaagde en principaal geïntimeerde (hierna ook te noemen: [principaal geïntimeerde]) als eiseres heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Nissan heeft bij exploot van 11 januari 2002 aangezegd van dat vonnis van 2 januari 2002 in hoger beroep (spoedappèl) te komen, met dagvaarding van [principaal geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 In haar appèlexploot heeft Nissan vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het vonnis zal vernietigen en [principaal geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties. Bij conclusie van eis in hoger beroep heeft Nissan voorts een aantal nieuwe producties in het geding gebracht en heeft zij geconcludeerd overeenkomstig het appèlexploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [principaal geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, een aantal producties in het geding gebracht en onder aanvoering van 5 grieven incidenteel appèl ingesteld tegen voormeld vonnis en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen in dier voege dat Nissan, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld alle uit de tussen partijen geldende dealerovereenkomst voortvloeiende en daarmee samenhangende verplichtingen na te komen en deze te blijven nakomen totdat de dealerovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, zulks op straffe van een dwangsom zoals door de president in eerste instantie toegewezen en met veroordeling van Nissan in de kosten van de appèlprocedure.

2.4 Ter zitting van 14 februari 2002 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Nissan door mr. W.B.J. van Overbeek, advocaat te Amsterdam, en [principaal geïntimeerde] door mr. P.A.J.M. Lodestijn, advocaat te Apeldoorn; beiden hebben daarbij pleit-notities in het geding gebracht. Aan beide partijen is daarbij voorts akte verleend van het in het geding brengen van nieuwe stukken.

2.5 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Tegen de overwegingen van de president van de rechtbank in rechtsoverweging 2 inzake de vaststaande feiten zijn geen grieven of bezwaren gericht, zodat die feiten ook in hoger beroep vaststaan, met uitzondering van de volgende door Nissan gestelde en door [principaal geïntimeerde] niet weersproken aanvullingen:

- Nissan is in het vonnis ten onrechte als B.V. aangeduid, zij heeft de aanduiding N.V. in haar naam;

- In haar brief van 30 januari 1998 heeft Nissan, anders dan de president vaststelt, niet zozeer aan [principaal geïntimeerde] bevestigd dat de dealerovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd, als wel vastgesteld dat [principaal geïntimeerde] niet heeft geprotesteerd tegen de mondelinge opzegging van de dealerovereenkomst door Nissan met een opzegtermijn van twee jaar welke had plaatsgevonden tijdens de bespreking tussen partijen van 22 januari 1998 (bladzijde 2 van het vonnis, tweede gedachtenstreepje).

- Nissan had niet slechts de bedoeling, maar was medio 2000 daadwerkelijk al met een derde overeengekomen dat deze in oktober 2001 als (nieuwe) Nissan/Renault dealer van start zou gaan (bladzijde 3 van het vonnis, vierde gedachtenstreepje).

- De woorden “run-out” zijn in de verkeerde context gebruikt: het ging juist om “introductie” van een nieuw model (bladzijde 3 van het vonnis, vierde gedachtenstreepje).

- De verwijzing naar artikel 85 EG-Verdrag moet zijn: artikel 81 EG (bladzijde 3 van het vonnis, vijfde gedachtenstreepje).

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De door Nissan aangevoerde grieven zien erop de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof zal de grieven in het principaal appèl dan ook gezamenlijk behandelen.

4.2 Tussen partijen staat vast dat de dealerovereenkomst tussen Nissan en [principaal geïntimeerde] tijdens een bespreking van 22 januari 1998 niet met onderlinge instemming is beëindigd, maar door Nissan is opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee jaren. Nissan heeft deze opzegging bij brief van 30 januari 1998 bevestigd en bij brief van 26 maart 1998 nog eens opgezegd “voor zover vereist”.

4.3 Naar het voorlopig oordeel van het hof is de opzegging van 22 januari 1998 rechtsgeldig, nu zij is geschied in overeenstemming met de bepalingen van de dealerovereenkomst en die bepalingen niet strijdig zijn met de toepasselijke EG-verordening (28 juni 1995, Vo 1475/95, Publicatieblad L145/25, hierna aangeduid als de Verordening) en met name artikel 5, tweede lid, punt 2, inhoudend dat de termijn voor regelmatige opzegging van een voor onbepaalde duur gesloten overeenkomst voor beide contractpartijen ten minste twee jaar bedraagt.

De aard van het kort geding laat slechts ruimte voor beperkte inhoudelijke toetsing van de opzegging.

Anders dan [principaal geïntimeerde] aanvoert, bevat de opzegging wel een motivering. In haar opzeggingsbrief van 30 januari 1998 aan [principaal geïntimeerde] voert Nissan aan dat zij [principaal geïntimeerde] meerdere malen heeft gewezen op haar achterblijvende verkoopprestaties van nieuwe Nissan automobielen, hetgeen aan [principaal geïntimeerde] onder andere is bevestigd in een aantal brieven uit 1995 en 1996. Voorshands verlangen de redelijkheid en billijkheid niet dat Nissan haar met inachtneming van de dealerovereenkomst gedane opzegging nader motiveerde.

De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging van een overeenkomst slechts tot beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat (zie HR 3 december 1999, NJ 2000,120). Aannemelijk is voorshands dat [principaal geïntimeerde] vóór de opzegging gedurende meerdere jaren met haar verkoopprestaties is achtergebleven. Dat vormt voorshands een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging

Naar het voorlopig oordeel van het hof is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden, die tot gevolg zouden hebben dat Nissan niet in redelijkheid tot opzegging van de dealerovereenkomst had kunnen komen.

4.4 In januari 2000 is de opzegtermijn van twee jaar in onderling overleg met zes maanden verlengd tot 30 juni 2000. Bij brief van 10 februari 2000 is dit door Nissan aan [principaal geïntimeerde] bevestigd.

4.5 Nissan stelt dat daarna de opzegtermijn nog tot tweemaal toe in onderling overleg met respectievelijk zes en negen maanden is verlengd, steeds met schriftelijke bevestiging van de zijde van Nissan. [principaal geïntimeerde] bestrijdt dit standpunt en wijst erop dat de bedoelde bevestigingsbrieven van Nissan het karakter hadden van een standaardbrief. Van enig protest van [principaal geïntimeerde] tegen de inhoud van de bedoelde schriftelijke bevestigingen van Nissan is het hof echter niets gebleken. Voorts staat voorshands vast dat partijen gedurende de periodes na de verlengingsmededelingen op dezelfde voet als daarvoor zaken met elkaar zijn blijven doen volgens de bepalingen van de dealerovereenkomst. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan hieruit (minst genomen) niet anders dan een stilzwijgende instemming van [principaal geïntimeerde] met de (verdere) verlenging van de opzegtermijn worden afgeleid, zodat de tot 30 juni 2000 verlengde opzegging niet was uitgewerkt. Een andere opvatting ligt ook niet voor de hand, nu afwijzing van de verlenging van de opzegtermijn door [principaal geïntimeerde] in beginsel zou leiden tot het eindigen van de dealerovereenkomst en niet is gebleken van enig belang aan de zijde van [principaal geïntimeerde] bij een dergelijk einde.

4.6 Nu in de bevestigingsbrieven van de zijde van Nissan steeds uitdrukkelijk is aangegeven dat slechts sprake was van een verlenging van de termijn, verbonden aan de opzegging van 22 januari 1998 en dat geen nieuwe opzegtermijn ging lopen, en nu die brieven, naar aannemelijk is, zonder protest door [principaal geïntimeerde] zijn behouden, is het hof voorshands van oordeel dat er geen sprake is van totstandkoming van een nieuwe dealerovereenkomst. Dat [principaal geïntimeerde] (ook) andere brieven van Nissan ontving, waarin niet steeds rekening werd gehouden met het naderende einde van haar dealerovereenkomst, doet daaraan naar het voorlopig oordeel van het hof niet af. Nu [principaal geïntimeerde] ook tijdens de (verlengde) opzegtermijn als volwaardig dealer moest kunnen functioneren en in staat moest worden gesteld gebruik te maken van de door Nissan aan haar dealers geboden faciliteiten, ontving zij ook berichten van Nissan in dat kader. Het is begrijpelijk dat in die berichten, die vanuit verschillende afdelingen van Nissan kwamen en vaak het karakter van een standaardbrief hadden, niet steeds uitdrukkelijk werd gerefereerd aan het naderende einde van de dealerovereenkomst met [principaal geïntimeerde]. Daarop kon [principaal geïntimeerde] dan ook niet in redelijkheid de verwachting baseren, dat Nissan de dealerovereenkomst met haar wilde voortzetten of een nieuwe overeenkomst met haar wilde aangaan.

4.7 Op 25 juli 2001 heeft Nissan in een bespreking met [principaal geïntimeerde] aangegeven dat na het verstrijken van de toen lopende verlengingsperiode van de opzegtermijn op 25 oktober 2001, geen sprake meer zou kunnen zijn van enige verlenging van de opzegtermijn. Ook dit gesprek is door Nissan schriftelijk bevestigd. Nu een dergelijke waarschuwing door Nissan naar het voorlopig oordeel van het hof formeel niet vereist was, heeft Nissan, mede gelet op de voorgeschiedenis, voldoende zorgvuldig jegens [principaal geïntimeerde] gehandeld door aldus tijdig aan te kondigen dat van verdere verlengingen van de opzegtermijn geen sprake zou zijn.

[principaal geïntimeerde] heeft aangevoerd dat Nissan naar redelijkheid en billijkheid in de zomer van 2001 niet meer aan haar meermalen verlengde opzegging mocht vasthouden omdat [principaal geïntimeerde] haar eerdere, veelbelovende overname- onderhandelingen met [potentiële overnemer] na de alliantie van Nissan met Renault had afgebroken en Nissan [principaal geïntimeerde] niet in de gelegenheid stelde om met de nieuwe Hub-partner [potentiële overnemer] over een overname te onderhandelen.

Hierover wordt als volgt geoordeeld.

Dat de (na de opzegging) in mei 1999 geformeerde nieuwe alliantie Renault/Nissan enige tijd met de reorganisatie van het dealernet heeft gewacht en mede in dat kader [principaal geïntimeerde]s opzegtermijn enige malen heeft verlengd, rechtvaardigt niet dat Nissan niet aan haar opzegging mocht vasthouden. Niets belette [principaal geïntimeerde], die nog steeds op het definitief einde van haar dealerschap bedacht moest zijn, om zelf onderhandelingen te voeren met [potentiële overnemer], van wie ook [principaal geïntimeerde] begreep dat deze voor Nissan de meest in aanmerking komende kandidaat was. Aannemelijk is echter dat [potentiële overnemer] in Almelo over een leegkomende ruimte beschikt(e), van waaruit zij haar Hub-partnership met Nissan wil(de) gaan uitoefenen. Onder deze omstandigheden kan aan Nissan voorshands niet worden tegengeworpen dat zij niettemin aan de opzegging vasthield ondanks het feit dat [principaal geïntimeerde] in wezen geen onderhandelingspositie had bij [potentiële overnemer].

4.8 [principaal geïntimeerde] stelt dat zij, afgaande op de in haar visie door Nissan gewekte verwachting dat de relatie tussen partijen zou worden voortgezet, verplichtingen is aangegaan, die haar thans, nu Nissan de relatie daadwerkelijk wenst te beëindigen, schade berokkenen. Het gaat daarbij om:

- het in dienst nemen van een chef werkplaats met specifieke kennis van Nissan automobielen,

- het aankopen van voorraden auto’s (drie stuks) en onderdelen en

- het aanschaffen van het door Nissan aan haar dealers voorgeschreven geautomatiseerd administratief dealersysteem “EVA DMS” van ongeveer f 100.000,--, waarvan de bij RN Financial Services B.V. afgesloten financiering eindigt met de dealerovereenkomst.

4.9 Het hof stelt voorop dat niet is gebleken van enig specifiek op [principaal geïntimeerde] gericht aandringen door Nissan om de in de vorige overweging genoemde verplichtingen aan te gaan. Het hof is voorshands van oordeel dat het op peil houden van het personeelsbestand en de voorraad onderdelen en auto’s maatregelen zijn, die in beginsel van elk garage- of dealerbedrijf mogen worden verwacht. Van aanvullende omstandigheden of feiten, die tot het voorlopig oordeel zouden leiden dat het hier bijzondere verplichtingen betreft, waarvan op voorhand duidelijk is dat zij zijn aangegaan op basis van beweerdelijk bij [principaal geïntimeerde] gewekte verwachtingen ten aanzien van de voortzetting van de dealerrelatie, is niet gebleken.

Ten aanzien van het EVA DMS systeem stelt het hof voorop dat de noodzaak voor [principaal geïntimeerde] om dit te introduceren is veroorzaakt door de diverse verlengingen van de opzegtermijn van de dealerovereenkomst, welke tot gevolg hadden dat de wederzijdse rechten en verplichtingen tussen partijen ook na de introductiedatum van het nieuwe systeem voortduurden. [principaal geïntimeerde] kon alleen als dealer blijven functioneren indien ook haar bedrijf van het door Nissan geïntroduceerde en voor al haar dealers geldende nieuwe systeem gebruik ging maken. Voorts is onweersproken gesteld dat het systeem is gebaseerd op een algemeen automatiseringssysteem voor garagebedrijven, ten behoeve van de Nissan/Renault organisatie voorzien van specifieke aanvullende modules, zodat het ook na het eindigen van de dealerovereenkomst voor een belangrijk deel door [principaal geïntimeerde] gebruikt kan worden. Ten slotte acht het hof van belang dat Nissan bij brief van haar advocaat van 3 januari 2002 aan [principaal geïntimeerde] heeft aangeboden het EVA DMS systeem terug te nemen en haar alle, althans de belangrijkste, kosten en investeringen ter zake te vergoeden (welk aanbod overigens door [principaal geïntimeerde] is afgewezen nu zij zich niet bij de opzegging wil neerleggen).

Mede gezien het feit dat naar het voorlopig oordeel van het hof geen sprake was van door Nissan veroorzaakte gerechtvaardigde verwachtingen bij [principaal geïntimeerde] dat de relatie tussen partijen zou worden voortgezet en dat zij gedurende de herhaald verlengde opzegtermijn in redelijkheid alle gelegenheid heeft gehad om haar onderneming over te dragen of om te polen naar een ander merk of andere activiteiten, kunnen de door [principaal geïntimeerde] aangegane verplichtingen, die niet als een verdieping van de relatie worden aangemerkt, dan ook niet tot een andere beoordeling leiden omtrent de beëindiging (zowel de opzegging als de verlengde opzeggingstermijnen) van de dealerovereenkomst.

4.10 [principaal geïntimeerde] bepleit subsidiair een “legistische toepassing” van de Verordening, die tot de conclusie zou moeten leiden dat de verlenging(en) van de opzegtermijn moet(en) worden gekwalificeerd als het aangaan van een nieuwe dealerovereenkomst, die krachtens de Verordening een minimale looptijd van vijf jaar zou moeten hebben. Voorshands verwerpt het hof deze stelling van [principaal geïntimeerde]. In het Riviera-arrest van 21 januari 1999 (Jur EG 1999, blz. II-0093) heeft het EG-hof beslist dat de oude verordening inzake dealerovereenkomsten (EEG 123/85, 12 december 1984 Publicatieblad EG L 15, bladzijde 16) geen dwingende voorschriften bevat, die de geldigheid van de clausules van een dealerovereenkomst rechtstreeks aantasten. De oude verordening wijkt in materiële zin niet af van de Verordening, zodat de hiergenoemde beslissing haar geldigheid ook onder de Verordening heeft behouden. Er is derhalve door (enkele herhaalde) verlenging(en) van de opzegtermijn na opzegging naar het voorlopig oordeel van het hof niet krachtens een bepaling van de Verordening een nieuwe dealerovereenkomst tot stand gekomen.

4.11 Het hof komt, anders dan de president in eerste instantie, tot het voorlopig oordeel dat de dealerovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is opgezegd en dat de opzegtermijn weliswaar diverse malen is verlengd, laatstelijk in afwachting van het vonnis van de president, maar dat die verlengingen niet tot gevolg hebben gehad dat de opzegging haar geldigheid heeft verloren of dat een nieuwe dealerovereenkomst is ontstaan.

4.12 Voor het door [principaal geïntimeerde] gedaan bewijsaanbod, in het bijzonder door het horen van getuigen, biedt de kort gedingprocedure in het algemeen geen plaats.

5 De slotsom

5.1 Het principaal appèl slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De grieven in het incidenteel appèl, welke strekken tot voortzetting van de dealerovereenkomst totdat deze alsnog op rechtsgeldige wijze is beëindigd, behoeven om die reden geen bespreking.

5.2 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [principaal geïntimeerde] in de kosten van beide instanties worden verwezen.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de president van de rechtbank te Almelo van 2 januari 2002 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [principaal geïntimeerde] af,

veroordeelt [principaal geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van voor de eerste aanleg begroot op EUR 1.134,45 voor salaris van de procureur en op EUR 193,76 voor griffierecht en voor het principaal appèl begroot op EUR 2.314,28 voor salaris van de procureur en op EUR 281,18 voor explootkosten en griffierecht en voor het incidenteel appèl begroot op EUR 771,43 voor salaris van de procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Steeg, Van den Heuvel en Quint en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2002.