Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE1038

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
01-01031
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/20.1.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/01031

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Belanghebbende : [X]

Te : [Z]

Verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen [P]

Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

Betreft : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998

Nummer : [01.H86]

Mondelinge behandeling : op 21 februari 2002 te Arnhem

Waarbij verschenen : [de Inspecteur]

Waarbij niet verschenen : belanghebbende, hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen

gronden:

1. Belanghebbende is voor 40 uren per week in loondienst werkzaam bij [A] B.V. Daarnaast drijft belanghebbende een eenmanszaak genaamd [B]. De onderneming houdt zich bezig met het bemiddelen en adviseren met betrekking tot handelscontracten tussen de voormalige Oostbloklanden en Nederland. Belanghebbende heeft hiermee in het jaar 1998 een omzet van fl. 20.000,00 en een nettowinst van fl. 11.284,01 gerealiseerd.

2. Op 16 mei 2000 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 naar een belastbaar inkomen van fl. 64.692,00. Op 22 mei 2000 heeft hij vervolgens een aanvulling gedaan op zijn aangifte op grond waarvan het belastbare inkomen in zijn ogen fl. 59.565,00 zou bedragen. Bij de aangifte heeft belanghebbende verzocht om toepassing van de zelfstandigenaftrek, zoals bedoeld in artikel 44m van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 ( hierna: de Wet).

3. Op 9 augustus 2000 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht een gespecificeerd overzicht van de in 1998 in de onderneming verrichte werkzaamheden en de daaraan bestede tijd toe te zenden.

4. Belanghebbende heeft naar aanleiding daarvan aan de Inspecteur een "overzicht uren 1998 ", een "overzicht totale omzet 1998" en een "overzicht kilometers per klant in 1998" overgelegd. Het overzicht uren 1998 vermeldt 1527 uur, als aan de onderneming besteed.

5. Bij brief van 8 september 2000 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is van de aangifte af te wijken. Als reden geeft de Inspecteur op dat niet is voldaan aan de grotendeelseis bedoeld in artikel 44m, eerste lid, onderdeel a, van de Wet.

6. Artikel 44m, eerste lid, onderdeel a, luidt als volgt: Ten aanzien van de belastingplichtige die winst uit onderneming geniet en bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, wordt een zelfstandigenaftrek toegepast indien:

a. gedurende het kalenderjaar de tijd die in totaal wordt besteed aan het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming en het verrichten van arbeid, als bedoeld in artikel 22, grotendeels, doch voor ten minste 1125 uren, in beslag worden genomen door het drijven van die onderneming.

7. De onderhavige aanslag is op 6 oktober 2000 vastgesteld naar een belastbaar inkomen van fl. 70.650,00.

8. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend. Bij uitspraak van 9 maart 2001 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen. Op 23 maart 2001 heeft belanghebbende beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaarschrift.

9. In beroep bestrijdt belanghebbende dat niet zou zijn voldaan aan de grotendeelseis, zulks omdat enerzijds een aantal uren moet worden opgeteld bij het urenoverzicht 1998 van 1527 uren, in verband met het door hem genoemde begrip "no cure no pay" en anderzijds dat de Inspecteur ten onrechte is uitgegaan van een voor het gehele jaar geldende werkweek van 40 uur per week.

10. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn standpunt herhaald dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de grotendeelseis, zodat de zelfstandigenaftrek terecht niet is toegekend.

11. In afwijking van hetgeen is vermeld in zijn verweerschrift onder punt 6.2. heeft de Inspecteur ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat het aantal uren dat, gelet op de grotendeelseis, in beslag moet worden genomen door het drijven van een onderneming niet 1824 beloopt, maar het gemiddelde van 1824 uur en 1527 uur, te weten 1675 uur.

12. Het standpunt van belanghebbende dat een aantal uren dient te worden opgeteld bij het overzicht uren 1998 deelt het Hof niet. Op het door belanghebbende verstrekte "overzicht uren 1998", is immers vermeld "op basis van no cure no pay". Hierin ligt besloten dat de niet declarabele werkuren reeds in dit overzicht zijn opgenomen.

13. Het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur bij het toepassen van de grotendeelseis ten onrechte is uitgegaan van een voor het gehele jaar geldende werkduur van 40 uur per week onderschrijft het Hof evenmin. De Inspecteur heeft bij de vaststelling van het aantal uren dat belanghebbende heeft besteed aan arbeid uit hoofde van zijn dienstbetrekking immers rekening gehouden met 15 vakantiedagen, 10 snipperdagen en 8 feestdagen door deze dagen in mindering te brengen op het aantal uren.

14. Het Hof is gelet op het vooroverwogene van oordeel, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan 1675 uur heeft besteed aan het feitelijk drijven van de onderneming. Mitsdien is niet voldaan aan de voorwaarden voor de zelfstandigenaftrek. De aanslag is tot het juiste bedrag opgelegd.

slotsom:

Het beroep is niet gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2002 door mr. Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Aalbersberg als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(L.A. Aalbersberg) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 maart 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.