Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE1035

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
00-00961
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/20.1.14
FutD 2002-0772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/00961

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997

nummer : [01.H76]

mondelinge behandeling : op 29 januari 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende alsmede [de Inspecteur]

gronden:

1. In verband met het verrichten van zijn werkzaamheden is aan belanghebbende door zijn werkgever een lease-auto ter beschikking gesteld. Voor de ter beschikking gestelde auto heeft belanghebbende een bedrag van f 3.279 aan zijn werkgever moeten betalen.

2. Belanghebbende heeft het van hem in artikel 42, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) verlangde bewijs geleverd dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer, te weten 997, voor privé-doeleinden is gebruikt. De in artikel 42, derde lid, van de Wet bedoelde bijtelling is derhalve achterwege gebleven.

3. In de regeling van belanghebbendes werkgever met betrekking tot de ter beschikking gestelde lease-auto's is het volgende opgenomen:

"Er wordt van uitgegaan, dat de lease-auto ook gebruikt wordt voor woon-werkverkeer en privé-gebruik. Ter vergoeding van bovengenoemd gebruik zal de medewerker die de beschikking heeft over een lease-auto, de normale reiskostenvergoeding niet ontvangen en een jaarlijkse eigen bijdrage van 5% van de cataloguswaarde, inclusief de kosten van opties, accessoires en een eventueel ingebouwde LPG-installatie, aan [A] betalen".

4. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van f 226.888 en daarbij een bedrag van f 2.050 als reiskostenforfait in aftrek gebracht.

Hij is van mening dat, de onder 1 genoemde bijdrage aan de werkgever, gelet op het lage privé-gebruik, is betaald voor het woon-werkverkeer, zodat het reiskostenforfait behorend bij de reisafstand woon-werkverkeer van meer dan 20 kilometer terecht in aftrek is gebracht.

Daartegenover heeft hij een bedrag van f 558 (997 x f 0,56) opgegeven als inkomsten uit arbeid.

In aanvulling op zijn aangifte heeft belanghebbende nog een bedrag van f 2.356 als kosten van een werkruimte voor vermogensbeheer als aftrekpost opgevoerd.

5. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur onder andere de aftrek reiskostenforfait en werkkamer geweigerd en het belastbaar inkomen vastgesteld op f 228.295. Bij uitspraak op bezwaar heeft hij de bijtelling van het bedrag van f 558 alsnog achterwege gelaten en het belastbaar inkomen verminderd tot f 227.737.

6. De Inspecteur maakt uit de onder 3 vermelde regeling op dat de bijdrage van 5% van de cataloguswaarde die moet worden betaald door degene aan wie een lease-auto ter beschikking is gesteld, moet worden toegerekend aan het privé-gebruik ongeacht het aantal met de auto voor privé-doeleinden gereden kilometers en verdedigt dat deze geen betrekking heeft op het woon-werkverkeer.

7. Het Hof kan de Inspecteur niet volgen in zijn uitleg van genoemde regeling inhoudende dat het woord "gebruik" uitsluitend betrekking kan hebben op de privé-kilometers. Doorslaggevend is hoe de regeling onder de gegeven omstandigheden voor belanghebbende uitwerkt.

De Inspecteur betwist niet belanghebbendes stelling dat van het betaalde bedrag van f 3.279 slechts f 558 betrekking heeft op het privé-gebruik dat van de auto is gemaakt. Daaruit volgt, gelet ook op de bewoordingen van de regeling, dat in dit geval het verschil tussen f 3.279 -/- f 558 = f 2.721 alleen betrekking kan hebben op het woon-werkverkeer. Nu dit bedrag meer dan 70% uitmaakt van het bedrag van f 2.050 dat voor de afstand tussen belanghebbendes woon- en arbeidsplaats als reiskostenaftrek geldt, heeft belanghebbende de aftrek terecht opgevoerd Belanghebendes belastbaar inkomen dient te worden verminderd met f 2.050 tot f 225.687.

8. Met betrekking tot de geclaimde aftrek werkkamer heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat zijn woning die hij bewoont met zijn echtgenote, bestaat uit acht kamers, waarvan er één door hem is bestemd voor het beheer van zijn aandelenportefeuille. In deze kamer staat een bureau met stoel, computerapparatuur, boekenkasten en een zitbank.

De portefeuille bestond uit tien tot twintig fondsen en vertegenwoordigde per ultimo 1997 een waarde van f 131.716. Belanghebbende genoot f 2.800 aan dividend.

9. De onderhavige beheerwerkzaamheden die belanghebbende na zijn dagtaak bij de werkgever en in de weekenden in de werkkamer verrichtte, bestonden uit het verzamelen van nieuws, het uitvoeren van analyses, het geven van opdrachten en het uitvoeren van administraties. Gemiddeld was hij daar één à twee uur per dag mee bezig.

10. In het arrest van 22 maart 2000 (BNB 2000/180) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat uit de algemene regel van artikel 35 van de Wet voortvloeit dat indien een belastingplichtige in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkkamer in zijn woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer, zodat deze aan het persoonlijke leven van die belastingplichtige en zijn gezin is onttrokken, de aan het gebruik van de kamer verbonden kosten als kosten die drukken op vermogensinkomsten tot de aftrekbare kosten behoren (r.o. 3.4.).

11. Uit de aard en omvang van de door belanghebbende in zijn werkkamer verrichte werkzaamheden en de omvang en samenstelling van zijn beleggingen - in zijn geval vrij wel geheel bestaande uit een effectenportefeuille - maakt het Hof op dat hij de meeste tijd in zijn werkkamer heeft besteed aan studie/onderzoek naar de mogelijkheid met het vermogen zelf koerswinsten te behalen (waaronder het vermijden van koersverliezen) en slechts weinig tijd in zijn werkkamer heeft doorgebracht ten behoeve van de inkomsten uit effecten.

Immers die inkomsten vloeien als het ware automatisch uit de bron voort en zullen doorgaans alleen te hoeven worden bijgehouden/geadministreerd. Het tegendeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de werkkamer derhalve niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruikt ter verwerving van inkomsten uit vermogen. De Inspecteur heeft derhalve terecht geen aftrek toegestaan.

slotsom:

Het beroep is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op ƒ 3,50 (€ 1,60).

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de onderhavige belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 102.412,30 en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- gelast de Inspecteur het griffierecht van € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1,60, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2002 door mw. mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 februari 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.