Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE1027

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
99-01807
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/20.1.3
V-N 2002/32.3.1
FutD 2002-0777
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 99/01807

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 454.813,--.

1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij het Hof.

De Inspecteur heeft vervolgens een vertoogschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de tweede meervoudige belastingkamer van het Hof van 9 januari 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede [de Inspecteur].

2. Feiten

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.1. In het onderhavige jaar (1996) organiseerde [A] Gmbh, een in Duitsland gevestigde vennootschap (hierna: de organisator), een zogenoemd piramidespel. Teneinde nieuwe deelnemers aan het spel te werven, bediende de organisator zich van "vrije medewerkers" (Marketing-Direktoren onderscheidenlijk Marketing-Managers). Deze medewerkers organiseerden in hun regio spelbijeenkomsten. Het piramidespel werd hoofdzakelijk in Nederland uitgevoerd. Incidenteel waren er ook activiteiten in België en Groot-Britannië.

2.2. Belanghebbende was in 1996 ten behoeve van de organisator werkzaam als "vrije medewerker". Hij organiseerde in 1996 meerdere bijeenkomsten. Voorts was hij verantwoordelijk voor de inzet en opleiding van - aan hem ondergeschikte - managers. Belanghebbende had in de piramidespelorganisatie ongeveer 150 mensen onder zich.

2.3. De door belanghebbende georganiseerde bijeenkomsten werden in Nederland - onder meer in [pretpark a] - gehouden. In Duitsland heeft hij geen bijeenkomsten belegd. De door [pretpark a] terzake van de zaalhuur, maaltijden en consumpties opgemaakte facturen zijn geadresseerd aan de organisator ter attentie van [X, b-straat 1, 1000 AA Q].

2.4. In de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [Q] stond belanghebbende tot 22 maart 1995 ingeschreven op het zo-even genoemde adres. Op dit adres bevindt zich een woning die belanghebbende in 1996 in eigendom toebehoorde. Belanghebbendes partner woonde - ook na 22 maart 1995 nog - op dit adres. Belanghebbende, die relatieproblemen had, verbleef in 1996 regelmatig gedurende langere tijd op zijn boot in de jachthaven van [R].

2.5. Blijkens een op 30 november 1994 afgegeven verklaring van de gemeente [S] (Duitsland) heeft belanghebbende zich als inwoner van die gemeente ingeschreven op het adres [c-strasse 2 te S]. Voorts heeft de gemeente [S] op 27 augustus 1998 verklaard dat belanghebbende in de periode van 30 november 1994 tot en met 14 mei 1997 in die gemeente gevestigd is geweest op genoemd adres. Op dit adres is de organisator gevestigd. Voorts is aldaar de bedrijfsleider van de organisator, [B] met zijn gezin woonachtig. Belanghebbende heeft in 1996 met enige regelmaat de kinderen van de familie B] van school gehaald. Volgens het bevolkingsbureau van de gemeente [S] heeft belanghebbende zich nimmer bij die instantie gemeld.

2.6. Belanghebbende heeft zich in de periode 22 maart 1995 tot en met 31 maart 1996 eveneens aangemeld bij de gemeente [T] (Duitsland), op het adres [d-strasse 3 te T].

2.7. Belanghebbende beschikte over een auto met een Duits kenteken.

2.8. In het najaar van 1996 heeft belanghebbende bij Assurantiekantoor [C te U] een autoverzekering afgesloten voor een Porsch met Nederlands kenteken. Hierbij heeft belanghebbende als adres opgegeven [b-straat 1 te Q]. Daarnaast heeft hij voor een andere - eveneens van Nederlands kenteken voorziene - Porsch een zogenoemde klassiekerverzekering afgesloten, waarbij ook gebruik is gemaakt van genoemd adres.

2.9. Belanghebbende heeft in 1996 tenminste 9 keer benzine getankt in Nederland.

2.10. Belanghebbende heeft in 1996 15 maal door middel van een betaalautomaat in Nederland betalingen verricht vanaf zijn bankrekening bij de [e]-bank. Hij heeft op die rekening 10 keer contant geld gestort. De uitgaven via deze bankrekening hebben onder meer betrekking gehad op een mobiele telefoon en bouwmaterialen.

2.11. De door belanghebbende voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de organisator opgemaakte declaraties zijn in Nederland opgemaakt.

2.12. Belanghebbende heeft in 1996 geen aangifte gedaan voor de Duitse inkomstenbelasting.

2.13. De Duitse fiscus heeft belanghebbende niet als inwoner van Duitsland aangemerkt.

2.14. In een door de FIOD aan de Inspecteur verstrekt overzicht is vermeld dat belanghebbende in 1996 van de organisator ƒ 464.313,-- bruto heeft ontvangen voor zijn met betrekking tot het piramidespel verrichte werkzaamheden.

2.15. Belanghebbende heeft ter zake van deze werkzaamheden contact gehad met de Belastingdienst te [V]. Bij brief van 17 juni 1998 is hem door een medewerker van die eenheid medegedeeld dat "inkomsten uit spelletjes" niet zijn belast.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag tot een juist bedrag is berekend. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende in 1996 in Duitsland dan wel in Nederland woonachtig was en voorts tot welk bedrag de inkomsten uit het piramidespel in de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekering dienen te worden betrokken.

3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 1996 in Duitsland woonde en dat zijn inkomsten uit het piramidespel ongeveer ƒ 112.260 hebben belopen. De Inspecteur huldigt daarentegen het standpunt dat belanghebbende in het onderhavige jaar als inwoner van Nederland moet worden aangemerkt en dat bedoelde inkomsten ƒ 464.313 hebben bedragen.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Daaraan hebben zij ter zitting nog het volgende toegevoegd:

door belanghebbende:

- het aanbod tot het horen van de getuigen - de familie [B] - trekt hij in;

- de fiscus heeft hem medegedeeld dat inkomsten uit spelletjes niet behoefden te worden aangegeven;

- hij had in 1995 en 1996 ongeveer 150 mensen onder zich in de piramidespelorganisatie,

door de Inspecteur:

- Er is een op 17 juni 1998 gedagtekende - aan belanghebbende gerichte - brief van de Inspecteur van de eenheid te [V], waarin is vermeld dat inkomsten uit spelletjes niet zijn belast. De door belanghebbende verstrekte informatie is echter zeer summier geweest. De aard en de omvang van zijn werkzaamheden zijn door hem niet vermeld.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 112.260.

3.5. De Inspecteur concludeert daarentegen tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

Woonplaats

4.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dient voor de toepassing van de Nederlandse belastingwetgeving de vraag waar iemand woont te worden beoordeeld naar de omstandigheden.

4.2. Gelet op de hiervóór in de onderdelen 2.1 tot en met 2.13 vermelde feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht geconcludeerd dat het middelpunt van belanghebbendes levensbelangen in 1996 in Nederland was gelegen. In dit verband acht het Hof met name van belang dat belanghebbende zijn werkzaamheden voor het piramidespel hoofdzakelijk in Nederland heeft verricht; hier te lande beschikte over een hem in eigendom toebehorende woning en voorts gedurende lange tijd op zijn boot in [R] heeft verbleven. De inschrijvingen in de Duitse registers doen hieraan niet af, aangezien zulke inschrijvingen in dezen beperkt gewicht in de schaal leggen.

4.3. Nu de Duitse fiscus belanghebbende in 1996 niet als inwoner van Duitsland heeft aangemerkt, is van een zogenoemde dubbele woonplaats in de zin van - kort gezegd - het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten belastingverdrag geen sprake.

4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende in het onderwerpelijke jaar als binnenlands belastingplichtige moet worden bestempeld en dat de door hem genoten inkomsten aan de (Nederlandse) heffing van inkomstenbelasting zijn onderworpen.

Hoogte van het inkomen

4.5. Bij de beoordeling van de vraag of de Inspecteur het belastbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 1996 tot een juist bedrag heeft vastgesteld, dient te worden vooropgesteld dat ten aanzien van deelnemers aan een piramidespel, die - zoals belanghebbende - actief betrokken zijn bij de organisatie van het spel, sprake is van een bron van inkomen. Dit betekent dat de door deze personen met het piramidespel behaalde netto-voordeel in de heffing van de inkomstenbelasting dient te worden betrokken (zie onder meer HR 1 februari 2002, nr. 36.668, NTFR 2002/221).

4.6. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het onderwerpelijke jaar een belastbaar inkomen aangegeven van ƒ 4.220 negatief. In zijn beroepschrift heeft belanghebbende evenwel erkend dat dit bedrag niet juist is en dat bedoeld inkomen ongeveer ƒ 112.260 heeft belopen.

4.7. Hiervan uitgaande, moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in het onderhavige jaar zijn belastbare inkomen tot een - zowel absoluut als relatief bezien - aanzienlijk te laag bedrag heeft aangegeven. Dit betekent dat hij niet de vereiste aangifte in de zin van artikel 29, tweede lid (oud), van de AWR heeft gedaan en dat het Hof - op grond van die bepaling - is gehouden het beroep van belanghebbende af te wijzen, tenzij gebleken is, dat en in hoeverre de uitspraak of de belastingaanslag onjuist is.

4.8. Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat hij niet alle bedragen die door de Inspecteur in aanmerking zijn genomen daadwerkelijk heeft ontvangen. Volgens belanghebbende zijn de op sommige declaratieformulieren vermelde bedragen kennelijk door anderen in ontvangst genomen. Gelet op de door de Inspecteur overgelegde - van de FIOD afkomstige - lijst, waarin de door belanghebbende ter zake van zijn voor het piramidespel verrichte werkzaamheden ontvangen bedragen zijn vermeld (bijlage 14 bij het vertoogschrift), acht het Hof belanghebbendes betoog in dezen niet aannemelijk, laat staan dat belanghebbende hiermee heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak van de Inspecteur respectievelijk de aanslag onjuist is vastgesteld. Belanghebbende heeft met name ook niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat meer kosten zijn gemaakt dan door de Inspecteur in aanmerking zijn genomen. Nu belanghebbende ook overigens geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd die deze gevolgtrekking zouden kunnen rechtvaardigen, dient zijn beroep in zoverre ongegrond te worden verklaard.

Vertrouwensbeginsel

4.9. Voorzover belanghebbende zich op grond van de in 2.15 bedoelde brief van de inspecteur te [V] beroept op het vertrouwensbeginsel, faalt dit beroep. De Inspecteur heeft in dit verband gemotiveerd gesteld - en het Hof acht zulks aannemelijk - dat belanghebbende bij zijn vraagstelling de desbetreffende medewerker van de eenheid te [V] niet heeft medegedeeld wat de werkelijke aard en omvang van zijn werkzaamheden voor de organisator waren doch slechts heeft gesproken over "inkomsten uit spelletjes". Onder deze omstandigheden kan belanghebbende aan de in de bedoelde brief gedane uitlatingen geen vertrouwen ontlenen dat in rechte dient te worden beschermd.

4.10. Het gelijk in deze zaak is derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (oud).

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 11 maart 2002 door mr. Lamens, voorzitter, mr. Van Schie en mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van mr. Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 maart 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.