Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD9849

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-02-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
00/232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0544 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 00/232

U i t s p r a a k

op het beroep van STICHTING ZWEMBAD [X te Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. De naheffingsaanslag is genummerd 1.2019500, gedagtekend 7 juli 1999, betreft het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1999 en bedraagt ƒ 14 454. Aan heffingsrente is ƒ 169 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 10 januari 2000 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 14 februari 2000.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort het verweerschrift.

2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 11 januari 2002 te Arnhem zijn belanghebbende bij monde van haar secretaris en haar penningmeester gehoord alsmede de inspecteur.

2.4. De notities van het pleidooi dat de inspecteur ter zitting heeft gehouden en een twintigtal foto's die namens belanghebbende zijn overgelegd worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep - naar het hof verstaat - de nahef-fingsaanslag te verminderen tot (36 654 m³ onttrokken grondwater à ƒ 0,17 = ƒ 6 231,18 + 644 m³ à ƒ 0,1736 = ƒ 111,80 ofwel) ƒ 6 342,98 onder dienovereenkomstige aanpassing van de heffingsrente.

3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Bij belanghebbende is sinds 1 januari 1980 het buitenzwembad [X] ondergebracht, dat voordien eigendom was van de gemeente [Q].

4.2. Het zwembad bestaat uit een diep en een ondiep bassin met daaromheen ruime lig- en speelweiden. Het diepste bassin meet 20 x 25 meter en is maximaal 4 meter diep.

4.3. Er wordt grondwater onttrokken om de zwembaden te vullen, de ligweiden te beregenen en om er spoel- en schoonmaakwerkzaamheden mee uit te voeren.

4.4. Jaarlijks omstreeks 1 april worden beide baden geheel geleegd voor schoonmaak- en renovatiewerkzaamheden. Daarbij wordt rondom het diepe bad het grondwater weggepompt om te voorkomen dat de wanden op het diepste gedeelte van het bad instorten en de vloeren van het diepe bassin opdrijven. Dat wegpompen gebeurt door een pomp met een capaciteit van ± 50 m³ per uur met een bemalingsringleiding die blijvend om dat gedeelte is aangelegd op ongeveer vijf meter onder het maaiveld.

4.5. Op ongeveer 15 meter naast de ringleiding bevindt zich een bron waaruit op een diepte van ± 35 meter grondwater wordt onttrokken voor het vullen van het zwembad en de voormelde beregening en schoonmaakwerkzaamheden. Dit gebeurt met twee pompen die elk een capaciteit hebben van 15 m³ per uur.

4.6. In het tijdvak van naheffing is voor de onder 4.4 bedoelde bemaling in 1998 22 450 m³ en in het eerste kwartaal van 1999 25 284 m³ grondwater onttrokken. Deze onttrekkingen hebben telkens niet langer geduurd dan vier achtereenvolgende maanden.

4.7. Voor overig gebruik is in 1998 36 654 m³ en in het eerste kwartaal van 1999 644 m³ grondwater onttrokken. De belasting voor deze onttrekking is niet in geschil.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of het onder 4.4 bedoelde onttrekken valt onder de uitzondering voor de ontwatering of afwatering van gronden in de zin van artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) en, zo niet, valt aan te merken als een onttrekking door middel van een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor het drooghouden van een bouwput, als bedoeld in artikel 8, onderdeel b, van de Wbm.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -

5.3.1. namens belanghebbende:

5.3.1.1. Zij stelt reparatiewerk aan het zwembad op één lijn met bouw- en waterbouwkundige werken, daar ook hierbij de bemalingspomp in werking moet worden gesteld.

5.3.1.2. Voor de Wbm wordt zij geacht twee inrichtingen te hebben, voor de provinciale grondwaterheffing slechts één, waarmee minder dan de vrijgestelde hoeveelheid grondwater wordt onttrokken. Daarom zou zij een overgangsregeling voor de Wbm billijk achten.

5.3.1.3. Zij legt twintig foto's over, die de inspecteur reeds uit de bezwaarfase kent.

5.3.1.4. De bassins zijn ruim veertig jaar oud en de bewapening vertoont corrosie.

5.3.1.5. Zij voert het onttrokken bemalingsgrondwater af op een sloot die in beheer is bij het waterschap.

5.3.1.6. De heffingsrente is niet zelfstandig in geschil.

5.3.2. en door de inspecteur:

5.3.2.1. Hij heeft er geen bezwaar tegen dat de twintig foto's tot de gedingstukken gaan behoren, daar ze hem bekend zijn van het horen op bezwaar.

5.3.2.2. Hij ziet in de bemaling geen vrijgesteld drooghouden van een bouwput.

5.3.2.3. Het maakt de provincie niet uit of belanghebbende één dan wel twee inrichtingen heeft, daar de onttrokken hoeveelheid binnen de vrijstelling blijft.

5.3.2.4. Hem kan onwetendheid van belanghebbende niet worden tegengeworpen. De grondwaterbelasting moet op aangifte worden voldaan.

5.3.2.5. Hem kan de herberekening van de heffingsrente worden overgelaten ingeval het hof de naheffingsaanslag mocht verminderen.

5.3.2.6. Hij heeft niet het voor 1999 geldende tarief van ƒ 0,1736 maar het voordien geldende tarief van ƒ 0,17 per m³ toegepast. Hij gunt het voordeel daarvan ook ingeval van vermindering van de naheffingsaanslag aan belanghebbende en beroept zich dus niet op interne compensatie.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Over de uitzondering die in artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wbm is opgenomen is in de memorie van toelichting op het ontwerp dat tot de Wbm heeft geleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 849, nr. 3) op bladzijde 20 het volgende vermeld:

'In het vierde [thans: vijfde] lid wordt tot uitdrukking gebracht dat handelingen die niet het onttrekken van grondwater ten doel hebben maar wel de grondwaterstand mede beïnvloeden, zoals het bemalen ten behoeve van de peilbeheersing, buiten het bestek van de grondwaterbelasting vallen. Hetzelfde geldt voor het infiltreren van water dat geschiedt ter handhaving of verhoging van de grondwaterstand tot een ander doel dan het onttrekken van grondwater. Ook het oppompen van water uit de diepere bodemlagen als voortvloeisel van mijnontginning, kan voor de vaststelling van de voor belasting in aanmerking komende onttrekkingen van water buiten beschouwing worden gelaten.'

In de genoemde toelichting is als algemene doelstelling van de grondwaterbelasting verwoord het tot gelding doen komen van het prijsmechanisme voor het schaarste-aspect dat verbonden is aan de in de natuur aanwezige stoffen, in casu schoon water.

6.2. Het moet in overeenstemming met de zo-even weergegeven bedoelingen van de wetgever worden geacht, dat bemaling ter opheffing van een voortdurend of incidenteel plaatselijk optredend teveel aan grondwater geen belastbare onttrekking vormt. Aan zulke bemaling is het schaarste-aspect immers vreemd. De bemaling door belanghebbende voldoet aan de wettelijke omschrijving 'ontwatering of afwatering van gronden'. In de vaststaande feiten ligt immers besloten dat de bodem van het diepe bassin lager ligt dan de grondwaterstand van de onmiddellijk omliggende grond.

6.3. Noch de tekst noch de onder 0 aangehaalde passage uit de wordingsgeschiedenis van artikel 3, vijfde lid, van de Wbm biedt steun aan het standpunt van de inspecteur, dat onder ontwateren slechts is te verstaan het geheel van maatregelen waarmee op een permanente basis gronden worden ontdaan van overtollig grondwater met het oog op het beheersen van een bepaalde grondwaterstand. Dit klemt te meer, daar vaststaat dat het zwembad jaarlijks in het voorjaar wordt geledigd. Aannemelijk is te achten dat bemaling (kort vóór en) tijdens lediging voorkomt, dat de bodem en de wanden van het diepe bassin zouden bezwijken onder de druk van het grondwater dat zich bevindt in de omliggende grond. Juist dankzij de bemaling verandert het zwembad niet in een bouwput.

6.4. Dit wordt niet anders doordat de Wbm in artikel 8, onderdeel b, tijdelijke bronbemaling apart vrijstelt, daar deze vrijstelling specifiek is toegesneden op het drooghouden van een bouwput, waarvan te dezen evenwel - ook in de zienswijze van de inspecteur - geen sprake is. Voorts verdient opmerking, dat ook waterschappen hun waterbeheersingstaak plegen uit te oefenen overeenkomstig de per seizoen wisselende behoeften en daartoe onder meer het grondwaterpeil niet-permanent beïnvloeden, hetgeen buiten het bestek van de grondwateronttrekking valt.

7. Slotsom

Het beroep is gegrond. De naheffingsaanslag moet worden verminderd tot ƒ 6 340 ofwel € 2 877.

8. Proceskosten

Wat het griffierecht betreft, merkt de inspecteur terecht op dat van belanghebbende volgens artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht slechts éénmaal griffierecht kon worden geheven. Volgens artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen was belanghebbende bevoegd om, zoals zij heeft gedaan, tegen de aangevallen uitspraak en die op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag genummerd 1.2017500 over het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 beroep in te stellen bij één beroepschrift. De griffier zal worden gelast het voor de behandeling van het beroep onder nummer 00/233 geheven recht van ƒ 450 ofwel € 204,20 terug te betalen.

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht en in samenhang met het zo-even genoemde beroep waarop heden eveneens uitspraak wordt gedaan te berekenen op de reis- en verblijfkosten van haar verschenen bestuursleden, begroot op€ 21,-.

9. Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2 877;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van € 204,20 te vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 21,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan te Arnhem op 4 februari 2002 door mr N.E. Haas, voorzitter, mr Wolt en mr drs Van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 februari 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.