Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD9835

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-02-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
01/1308
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/17.3.23
V-N 2002/32.30 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0544 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 01/1308

U i t s p r a a k

op het beroep van [X b.v. te Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden naheffingsaanslagen in de grondwaterbelasting.

1. Naheffingsaanslagen en bezwaar

1.1. De naheffingsaanslag met nummer 1.2017500 betreft het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 en bedraagt ƒ 17 442 aan belasting, waarbij een vergrijpboete van ƒ 4 360 is opgelegd en ƒ 2 062 aan heffingsrente is berekend. Die met nummer 1.2010500 betreft het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 30 juni 2000 en bedraagt ƒ 4 490 aan belasting, waarbij een vergrijpboete van ƒ 806 is opgelegd en ƒ 153 aan heffingsrente is berekend. Beide naheffingsaanslagen zijn gedagtekend 8 november 2000.

1.2. Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 29 maart 2001 de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de daarbij genomen boetebeschikkingen vernietigd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 9 mei 2001 en aangevuld per telefax op 14 juni 2001 en per brief op 15 juni 2001, waarbij drie bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort het verweerschrift.

2.3. Met schriftelijke toestemming van beide partijen heeft het hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, en het onderzoek op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt de naheffingsaanslagen te vernietigen.

3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Bij belanghebbende, die bij de Belastingdienst ook bekend was onder de naam [A BV] en tot 1 juli 1999 was genaamd [B BV], is een onderzoek ingesteld naar haar belastingplicht voor de grondwaterbelasting over het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 30 juni 2000. Het rapport daarvan is gedagtekend 21 augustus 2000 en in kopie overgelegd als bijlage van het aanvullende beroepschrift.

4.2. Belanghebbende vervaardigt en levert verpakkingen en foliën voor de levensmiddelenindustrie en de genotmiddelenbranche.

4.3. In haar regenereerafdeling, waar het interne afval wordt verwerkt, gebruikt zij grondwater om mee te koelen. Tot eind 1997 koelde zij bovendien verscheidene condensatoren van machines met grondwater. Sindsdien is zij hiervoor overgegaan op luchtkoeling, waardoor de onttrokken hoeveelheid grondwater aanzienlijk is teruggelopen.

4.4. Volgens haar aangifte bij de provincie [Q] heeft belanghebbende gedurende de jaren die tot het voormelde tijdvak behoren de volgende hoeveelheden grondwater onttrokken:

1995: 30 708 m³

1996: 32 489 m³

1997: 39 408 m³

1998: 11 333 m³

1999: 7 480 m³

eerste halfjaar 2000: 4 807 m³.

4.5. Op 12 januari 1995 is namens belanghebbende een formulier Opgaaf Grondwaterbelasting, Vaststelling aangifteplicht, ingezonden aan het Centraal milieubelastingenteam van de voormelde eenheid van de Belastingdienst. Daarin is melding gemaakt van één inrichting met een capaciteit van 9 m³ per uur met als doel het onttrekken van proceskoelwater en als verwachte hoeveelheid 20 000 m³ per jaar.

4.6. Belanghebbende onttrok grondwater uit één bron met behulp van twee pompen, waarvan er één daadwerkelijk werd gebruikt. Uitsluitend voor het geval deze uitvalt, was een tweede pomp geïnstalleerd. Het hiermee opgepompte grondwater kon via een verbindingsleiding worden gevoerd naar de leiding die water van de eerste pomp naar de machines voerde.

4.7. De sinds begin 1999 gebruikte pompen hadden een capaciteit van 1,8 m³ bij een opvoerhoogte van 51 meter tot 6,5 m³ per uur bij een van 18 meter. Volgens het grondwaterregister van de provincie [Q] onttrok belanghebbende op een diepte van 20 à 30 meter.

4.8. Tot begin 1999 onttrok belanghebbende grondwater met twee pompen die volgens het onder 4.5 vermelde formulier ieder een capaciteit hadden van ± 9 m³ per uur.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of

5.1.1. de capaciteit van de twee pompen bijeengeteld moet worden, zodat de vrijstellingsgrens als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) is overschreden, wat de inspecteur verdedigt doch belanghebbende betwist, en, zo ja,

5.1.2. de onttrekking met de tweede pomp is vrijgesteld op grond van artikel 8 voormeld, onderdeel d, wat belanghebbende voorstaat, doch de inspecteur ontkent.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de pompcapaciteit van de inrichting niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur. Zij stelt hiertoe primair dat de beide pompen nooit tegelijkertijd werkten, daar de door haar bedoelde 'pomp 2' louter een stand-by-functie had, en er dus nooit meer dan 10 m³ per uur daadwerkelijk is onttrokken. Subsidiair stelt zij dat de capaciteit van de bedoelde pomp 2 buiten beschouwing moet blijven daar deze valt onder de vrijstelling voor een inrichting ten behoeve van noodvoorzieningen.

6.2. De pompcapaciteit is de grootheid waarin wordt uitgedrukt hoeveel water in de aangegeven tijdseenheid - in dezen m³/uur - door de inrichting kan worden onttrokken. Onder 'inrichting' en 'onttrekken van grondwater' is volgens artikel 3, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wbm te verstaan hetgeen daarmee wordt bedoeld in de Grondwaterwet. Volgens artikel 1, eerste lid, van de Grondwaterwet wordt onder 'inrichting' verstaan: een inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater; onder 'onttrekken van grondwater' wordt verstaan: het onttrekken van grondwater door middel van een inrichting. Volgens de memorie van antwoord op het ontwerp van de Wbm (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 849, nr. 6, bladzijde 59) zijn de inrichtingsbegrippen hierdoor toch inhoudelijk aan elkaar gelijk en omvat het voor de grondwaterbelasting geldende begrip mede de in de Grondwaterwet vermelde «werk».

6.3. Het laatstvermelde begrip is kennelijk ontleend aan - en moet derhalve geacht worden een niet minder ruime betekenis te hebben dan in - de sinds het eind van de jaren zestig tot stand gebrachte milieuwetgeving, waaronder de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. In de jurisprudentie, waarvan het arrest van de Hoge Raad van 19 september 1977, nummer 68 953 (NJ 1977, 616), een voorbeeld vormt, is dat begrip steeds ruim uitgelegd.

6.4. In de aangevallen uitspraak heeft de inspecteur de pompcapaciteit, door hem omschreven als 'het aantal kubieke meters per uur dat die inrichting maximaal kan oppompen bij een bepaalde diepte', berekend op 18 m³ per uur. Belanghebbende heeft deze berekening op zichzelf niet betwist. In het bijzonder zijn geen eigenschappen van de inrichting gesteld of gebleken die verhinderen dat, zoals de inspecteur in het verweerschrift concludeert, de pompen bij het bestaande leidingstelsel gelijktijdig [kunnen] worden gebruikt.

6.5. De inspecteur heeft bijgevolg terecht de pompcapaciteit van de inrichting van belanghebbende bepaald door de capaciteit van beide pompen samen te tellen en deze aldus, gelet op de voormelde opvoerhoogte van 20 à 30 meter, berekend op meer dan 10 m³ per uur. Daarbij mist betekenis dat de pompen, zoals belanghebbende stelt, nooit beide tegelijk hebben gewerkt. De onder 5.1.1 geformuleerde vraag wordt dus bevestigend beantwoord.

6.6. Uit het vorenoverwogene vloeit tevens de ontkennende beantwoording van vraag 5.1.2 voort. Pomp 2 maakt immers deel uit van de bestaande inrichting en kan niet op zichzelf worden aangemerkt als een 'inrichting ten behoeve van noodvoorzieningen'.

6.7. Terecht verwijst de inspecteur naar de beperkte strekking van hetgeen de wetgever met 'onttrekking door middel van een inrichting ten behoeve van noodvoorzieningen' voor ogen heeft gestaan. Daartoe behoort niet het oppompen van water ten behoeve van het productieproces met behulp van een pomp die als reserve deel uitmaakt van de onder 4.5 inrichting waarmee, naar uit de vaststaande feiten voortvloeit, procesmatig water aan de bodem is onttrokken.

7. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 4 februari 2001 door mr N.E. Haas, voorzitter, mr Lamens en mr Punt, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 februari 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.