Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD9617

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
01/01241
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0524

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 01/01241

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] (de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1992.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, gedagtekend 29 december 1995, is in afwijking van de aangifte (ƒ 65.207,-) opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 82.207,- met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 5.225,- (heffingsrente ƒ 724,-).

1.2. Bij zijn uitspraak van 12 december 1996 op het tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

2. De loop van het geding

2.1. Op het eveneens tijdig tegen de voormelde uitspraak ingestelde beroep heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch haar bevestigd bij zijn uitspraak van 15 september 1998, nr. 96/03392.

2.2. Naar aanleiding van het vervolgens door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd bij zijn arrest van 25 april 2001, nr. 34.791, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem (het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

2.3. Daartoe door het Hof in gelegenheid gesteld heeft de Inspecteur op 11 juni 2001 een conclusie na verwijzing (met drie bijlagen) ingediend en evenzo belanghebbende, mede in reactie daarop, op 11 oktober 2001 (met één bijlage).

2.4. Bij de mondelinge behandeling op 29 november 2001 te Arnhem zijn verschenen belanghebbende met haar gemachtigde [A], en [de Inspecteur].

De daarbij door belanghebbendes gemachtigde en de Inspecteur voorgedragen en overgelegde pleitnota's gelden, evenals het door de Inspecteur - zonder bezwaar van de kant van belanghebbende - verstrekte informatie-overzicht van de Stichting Nationale Autopas (S.N.A.), als hier ingevoegd.

3.Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende concludeert, naar zij ter zitting van het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch heeft verklaard en niet herroepen, in afwijking van haar beroepschrift, tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.845.

Tevens verzoekt zij het Hof te bepalen dat de proceskosten en het griffierecht worden vergoed.

3.2. De Inspecteur blijft bij de conclusies in het verweerschrift, primair en subsidiair tot bevestiging van zijn uitspraak en meer subsidiair tot vernietiging van zijn uitspraak en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.845,-.

4. De vaststaande feiten

Als vastgesteld door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en in cassatie niet bestreden, en voorts als gebleken ter zitting van het Hof, kan van het volgende worden uitgegaan.

4.1. Aan belanghebbende was in het onderhavige jaar in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking gesteld van het merk Mercedes (cataloguswaarde ƒ 85.000,-), voorzien van een benzinemotor (de auto).

Haar echtgenoot beschikte in dat jaar over een personenauto van het merk Jaguar.

4.2. De Inspecteur heeft op grond van artikel 42, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) twintig percent van de catalogusprijs van de auto tot belanghebbendes inkomsten uit arbeid gerekend.

4.3. Een door belanghebbende overgelegde kilometeradministratie geeft in 1992 een beginstand van de kilometerteller van de auto aan van 144.577 en een eindstand van 151.256, zodat in dat jaar in totaal 6.679 km zou zijn afgelegd.

Deze administratie vormt geen exacte vastlegging van de volgens de kilometerteller voor de vermelde ritten gereden afstanden.

4.4. De Inspecteur betwist echter niet dat de in de kilometeradministratie vermelde ritten zijn gemaakt en geen privé-doeleinden dienden, wel dat de genoemde begin- en eindstand van de teller overeenstemden met de werkelijkheid.

4.5. Een overzicht van door belanghebbende genoteerde kilometerstanden, door de Inspecteur overgelegde kopieën van garagenota's en enige gegevens van de S.N.A. geeft het volgende beeld:

administratie garagenota S.N.A.

13 februari 1991 139.004 95.511

11 maart 1991 96.319

19 maart 1992 146.200 118.764

1 oktober 1992 150.226 182.035

(medio februari 1993 is de auto van de hand gedaan)

24 maart 1994 159.270

18 april 1995 174.900

28 april 1997 218.825

16 april 1999 311.623

13 oktober 1999 155.512

28 juni 2001 157.158

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. In geschil is of de Inspecteur artikel 42, derde lid, van de Wet terecht heeft toegepast, zoals hij staande houdt.

5.2. Belanghebbende bestrijdt dit onder verwijzing naar het door haar van toepassing geachte vijfde lid van het voormelde artikel; zij stelt de auto in 1992 voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden te hebben gebruikt.

5.3. De Hoge Raad acht het oordeel van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat met belanghebbendes kilometeradministratie niet overtuigend is aangetoond dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, ontoereikend gemotiveerd:

Uit de uitspraak van het Hof blijkt niet of het al dan niet is uitgegaan van de juistheid van de vermelding in de kilometeradministratie van de begin- en eindstand van de kilometerteller in 1992 en het totale aantal van 6679 gereden kilometers dat daaruit is af te leiden. Indien het Hof de kilometeradministratie ook op dit punt onbetrouwbaar heeft geoordeeld, behoefde dat oordeel nadere motivering. De hiervoor in 3.1 vermelde omstandigheden zijn daarvoor immers op zichzelf onvoldoende. Indien het Hof de kilometeradministratie op dit punt wel heeft aanvaard, behoefde zijn oordeel voor het overige nadere motivering. Het Hof heeft immers vastgesteld dat de Inspecteur niet heeft betwist dat de in de kilometeradministratie vermelde ritten zijn gemaakt. In zoverre moet mitsdien in dit geding van de juistheid van de kilometeradministratie worden uitgegaan.

Uit de stukken van het geding blijkt voorts dat de Inspecteur voor die in de administratie vermelde zakelijke ritten een totale afstand heeft berekend welke 672 kilometer lager uitkomt dan het door belanghebbende gestelde totale aantal in 1992 met de auto gereden kilometers van 6679, waarin geen privé-kilometers zijn begrepen. In het licht van dit een en ander is niet op voorhand uitgesloten dat aan de kilometeradministratie, hoewel op grond van de hiervoor in 3.1 bedoelde omstandigheden onbetrouwbaar op het punt van de daarin vermelde afstanden, desondanks het bewijs zou kunnen worden ontleend dat de auto minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.

5.4. Voor een uitvoeriger weergave van de gronden waarop de wederzijdse standpunten steunen zij verwezen naar de van de partijen afkomstige stukken, waaronder de pleitnota's.

Ter zitting van 29 november 2001 is daaraan door en namens belanghebbende nog toegevoegd:

- de kilometeradministratie is in zowel 1992 als 1993 geheel van haar hand; de verschillen in handschrift zijn veroorzaakt door de verschillen in liniatuur van de beschreven bladzijden;

- de garage waarvan de overgelegde nota's afkomstig zijn is inmiddels in andere handen overgegaan, en de werknemers die uitleg zouden kunnen geven zijn niet meer te achterhalen;

door de Inspecteur:

- in de soortgelijke procedure over 1991 zijn de door belanghebbende genoteerde kilometerstanden door Hof en Hoge Raad ongeloofwaardig geacht zodat zij per definitie ook in de jaren daarna niet kunnen kloppen;

- een "gloeikaars" zoals vermeld op de garagenota van 13 februari 1991 hoort thuis in een dieselmotor; belanghebbendes auto had een benzinemotor.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De oordelen van Hof en Hoge Raad in het geschil over het jaar 1991 zijn niet bepalend voor het onderwerpelijke.

Juistheid van de kilometeradministratie

6.2. De door belanghebbende overgelegde kilometeradministratie lijkt regelmatig te zijn bijgehouden en komt het Hof authentiek voor.

Het is dan ook aan de Inspecteur zijn door belanghebbende bestreden stelling aannemelijk te maken, dat de kilometerstanden zoals die in deze administratie aan het begin en eind van het jaar 1992 en dus ook aan het begin van het jaar 1993 zijn vermeld niet juist zijn.

6.3. De Inspecteur wijst op de verschillen tussen de garagenota's en de kilometeradministratie (zie 4.5), en ziet in het overzicht van de S.N.A. een bevestiging van zijn stelling.

6.4. Belanghebbende ontleent aanwijzingen voor het tegendeel aan dezelfde vermeldingen, aangevuld met een verklaring van de garagehouder dat twee van zijn werknemers hem hebben verteld dat het in principe mogelijk zou kunnen zijn dat abusievelijk een verkeerde kilometerstand op de nota's zou zijn vermeld, zij het dat bewijzen daarvoor ontbreken.

6.5. Vaststaat dat op de nota van 13 februari 1991 ten minste twee bedragen voorkomen die geen betrekking hebben op de auto.

De door de S.N.A. geregistreerde kilometerstanden worden verstrekt door de garagehouders en zijn dan ook niet betrouwbaarder dan de op de nota's vermelde.

In 1991 en 1992 zijn er, merkwaardig genoeg en onverklaard gebleven, geen (nagenoeg) gelijke data van onderhoud door de garage en kilometerregistratie door de S.N.A.

De door de S.N.A. op 24 maart 1994 geregistreerde kilometerstand is lager dan die op de garagenota van 1 oktober 1992.

De Inspecteur heeft wel gesuggereerd maar niet aannemelijk gemaakt dat de kilometerteller intussen zou zijn teruggedraaid.

6.6. Naar het oordeel van het Hof geven deze feiten en omstandigheden teveel reden voor twijfel aan de juistheid van hetgeen op de garagenota's is vastgelegd - zoals ook de kilometerstanden - om op grond van deze gegevens tot volstrekte ondeugdelijkheid van belanghebbendes kilometeradministratie te concluderen.

Omdat ook overigens onvoldoende aanwijzingen bestaan dat deze administratie niet slechts onnauwkeurig was maar zelfs volledig in strijd met de werkelijkheid, verwerpt het Hof de onder 6.2 weergegeven stelling van de Inspecteur.

Omvang van het privé-gebruik

6.6. Op grond van het vorenoverwogene zal het Hof ervan uitgaan dat belanghebbendes kilometeradministratie kan worden gevolgd op het punt van de begin- en eindstand van de kilometerteller in 1992 en van het totale aantal van 6679 gereden kilometers dat daaruit is af te leiden.

6.7. Nu de Inspecteur niet heeft bestreden dat de in de kilometeradministratie vermelde ritten zijn gemaakt en (behoudens de onzekerheid over 672 km) geen privé-doeleinden dienden, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de auto in 1992 voor minder dan 1000 van de 6679 in dit jaar gereden kilometers voor privé-doeleinden is gebruikt.

Daarvoor is in dit geval geen nauwkeuriger aantekening van de gemaakte ritten, de gevolgde routes en de afgelegde afstanden nodig.

Artikel 42, vijfde lid, van de Wet is dus van toepassing.

7. Slotsom

7.1. In zoverre is het gelijk aan belanghebbende.

7.2. Hetgeen de Inspecteur primair en subsidiair heeft geconcludeerd houdt geen stand.

7.3. De bestreden uitspraak moet worden vernietigd en het belastbare inkomen kan overeenkomstig de gewijzigde conclusie van belanghebbende en de meer subsidiaire conclusie van de Inspecteur nader worden vastgesteld op ƒ 65.845,-.

8. Proceskosten

De Inspecteur wordt veroordeeld tot een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Gerechtshoven te 's-Hertogenbosch en Arnhem redelijkerwijs heeft moeten maken: 3½ (beroepschrift, mondelinge behandelingen en conclusie na verwijzing) × 1 (belang) × ½ (samenhang met zaak 01/01242) × ƒ 710,- = ƒ 1.242,50.

9. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van € 29.879,16;

- verstaat dat de Inspecteur belanghebbende het griffierecht van € 34.03 vergoedt, en

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden een tegemoetkoming in belanghebbendes kosten van het beroep zal betalen van € 653.82.

Aldus gedaan te Arnhem op 29 januari 2002 door mr. Van Schie, voorzitter, mr. Wolt en mr. drs. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van mr. Vellema als griffier.

(A. Vellema) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 januari 2002

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Het door een belanghebbende betaalde griffierecht voor de vervanging van een mondelinge uitspraak in een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.