Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD9608

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
00-00626
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0530
Belastingblad 2002/541

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nr. 00/00626

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Ambtenaar belast met de heffing van de gemeentelijke belastingen van de gemeente Epe (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag baatbelasting dorpscentrum [Z].

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende opgelegde aanslag is gedagtekend 31 januari 1999 en genummerd […]. Het bedrag van de aanslag is f 10.244,19.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak van 16 februari 2000 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 28 maart 2000, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift met bijlagen, alsmede de op 20 november 2001 van de Ambtenaar ontvangen afschriften van het na te noemen bekostigingsbesluit van 20 april 1995, van de bij dat besluit behorende gewaarmerkte kaart en van de bekendmaking.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 13 december 2001 te Arnhem zijn gehoord [de directeur] van belanghebbende, alsmede [de Ambtenaar].

2.4. De notities van het pleidooi dat door de gemachtigde van de Ambtenaar bij de mondelinge behandeling is gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Ambtenaar twee foto's overgelegd, welke foto's met toestemming van de wederpartij tot de stukken worden gerekend.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Op 20 april 1995 heeft de raad van de gemeente Epe bij raadsbesluit nr. G 17 een besluit genomen als bedoeld in artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet (hierna: het bekostigingsbesluit) in verband met het voornemen van het gemeentebestuur om voorzieningen tot stand te brengen teneinde het centrum van [Z] her in te richten. Bij de stukken van het geding behoort een gewaarmerkte kaart met de aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaken zijn gelegen, alsmede afschriften van de bekendmaking. In het raadsbesluit is vermeld dat de ten laste van de gemeente blijvende kosten van de herinrichting voor maximaal 52 percent worden verhaald door middel van een baatbelasting.

3.2. Op 26 maart 1998 heeft de raad van de gemeente Epe bij raadsbesluit nr. D 3 vastgesteld de Verordening baatbelasting dorpscentrum [Z] (hierna: de verordening). Bij de verordening behoort een gewaarmerkte kaart van het gebate gebied. Op deze kaart is vermeld dat deze hoort bij 'raadsbesluit "Verordening baatbelasting dorpscentrum [Z]". Raadsbesluit d.d.

26-4-1998, nr. D3'. Genoemde datum is abusievelijk vermeld in plaats van 26 maart 1998. Het op de kaart aangeduide gebied is gelegen binnen het gebied dat was aangeduid op de bij het bekostigingsbesluit behorende kaart. De verordening is op de juiste wijze bekend gemaakt.

3.3. De verordening - voorzover voor dit geding van belang - luidt:

Artikel 2 (belastbaar feit)

1. Onder de naam "baatbelasting dorpscentrum Z]" wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de groene omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 april 1998 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur;

2. de in het eerste lid bedoelde voorzieningen bestaan uit:

- wijziging van de bestrating;

- groenvoorziening;

- straatmeubilair;

- openbare verlichting;

- verkeersremmende en voetgangersvriendelijke maatregelen.

Artikel 4 (maatstaf van heffing)

1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken van de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het belastingjaar 1998, zoals die voor het tijdvak 1997-2000 is bepaald naar de waardepeildatum 1 januari 1995.

2. (enz.)

Artikel 5 (belastingtarief)

1. Het bedrag bedraagt voor elke volle eenheid van f 5.000,-- van de heffingsmaatstaf f 50,33

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid bedraagt het tarief voor elke volle eenheid van f 5.000,--:

a. indien vanaf de frontzijde van de onroerende zaak uitzicht bestaat op de voorzieningen zonder dat de onroerende zaak directe grenst aan de voorzieningen: f 37,75

b. indien vanaf de frontzijde van de onroerende zaak geen uitzicht bestaat op de voorzieningen en de onroerende zaak aan de frontzijde evenmin direct grenst aan de voorzieningen: f 25,17.

3.4. De doelstelling van de herinrichting van het dorpscentrum van [Z] was om te komen tot een duurzame verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte en daarmee tot het verbeteren van het winkel- en verblijfsklimaat. Onder meer zijn de volgende voorzieningen getroffen:

- wijziging en vervanging van de bestrating in de [a-straat en het b-plein];

- de aanleg van fietssuggestiestroken;

- het verkeersluw maken van de [a-straat] over het gedeelte dat is gelegen tussen de kruisingen met de [c-straat/d-laan] en de [e-straat/f-weg] door versmalling van het weggedeelte en het instellen van éénrichtingsverkeer;

- het treffen van groenvoorzieningen;

- het plaatsen van afscheidingspaaltjes, van banken en afvalbakken;

- het creëren van fietsstallingen;

- het aanleggen van openbare verlichting.

In de [e-straat], aan de overzijde van de onroerende zaak van belanghebbende, zijn de parkeerplaatsen en het trottoir voorzien van nieuwe bestrating en is straatmeubilair geplaatst. Het trottoir is verbreed. Voorts zijn ter hoogte van de ingang van het pand van belanghebbende verkeersremmende maatregelen getroffen.

3.5. De kosten van de herinrichting hebben in totaal f 3.107.500 bedragen. De geraamde opbrengst van de baatbelasting beloopt f 250.000. Dit is 8,045 percent van die kosten.

3.6. Belanghebbende is eigenaresse van de onroerende zaak [e-straat 2]. In het pand, dat de bestemming 'centrumvoorziening' heeft, is een supermarkt gevestigd. De WOZ-waarde van deze zaak als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening is f 2.039.000. De Ambtenaar heeft de aan belanghebbende opgelegde aanslag berekend naar het tarief van artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de verordening.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de Ambtenaar heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door wel de onroerende zaak van belanghebbende in de belastingheffing te betrekken en niet de door belanghebbende in haar beroepschrift genoemde onroerende zaken [c-straat 1] e.v.

4.2. Partijen hebben de voor hun respectievelijke standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting toegevoegd:

4.3. Namens belanghebbende:

Door de herinrichting is het aantal parkeerplaatsen in de [e-straat] teruggebracht van 8 naar 6.

Zij bestrijdt niet dat haar pand door de getroffen voorzieningen gebaat kan zijn.

In de [c-straat] is ook een verkeersdrempel aangelegd. Zij is van mening dat de gemeente het gebate gebied niet zorgvuldig met de groene viltstift heeft getekend en dat sprake is van willekeur.

Zij verzoekt de Ambtenaar te veroordelen in haar proceskosten.

Door de Ambtenaar:

Het pand van belanghebbende is gelegen op 14 meter van de kruising [a-straat/e-straat]. Het pand [c-straat 1], waarmee belanghebbende vooral de vergelijking trekt, is gelegen op 36 meter van de kruising [a-straat/c-straat]. In dit geval is de afstand tot de [a-straat] het doorslaggevende argument geweest. Ook wijst hij op de voorzieningen die in de [e-straat] zelf zijn getroffen.

4.4. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en van de aanslag.

4.5. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende, die niet bestrijdt dat haar onroerende zaak door de door de gemeente getroffen voorzieningen is gebaat, stelt dat de gemeente de grens van het gebate gebied onduidelijk heeft getrokken, waardoor ongelijke behandeling en willekeur kan ontstaan. Meer in het bijzonder is zij van mening dat haar onroerende zaak evenals de onroerende zaak pand [c-straat 1] niet in het herinrichtingsgebied ligt en ook geen zicht heeft op het winkelgebied. Nu de onroerende zaak [c-straat 1] buiten de heffing is gelaten meent belanghebbende dat haar onroerende zaak ook buiten de heffing moet blijven.

5.2. De Ambtenaar heeft ter verdediging van de aanslag het volgende aangevoerd. De gemeente heeft bij het bepalen van de grens tot waar er sprake is van uitstralingsbaat rekening gehouden met een aantal factoren, zoals afstand tot het heringerichte gebied, de ligging van de onroerende zaak ten opzichte van het heringerichte gebied, de bestemming van de onroerende zaak, de soort onroerende zaak, bepaalde natuurlijke of kunstmatige grenzen, barrières, enz. De onroerende zaak van belanghebbende is aangeslagen naar het laagste tarief omdat deze niet direct grenst aan de getroffen voorzieningen in de [a-straat] en aan de frontzijde daarop ook geen duidelijk uitzicht heeft. De afstand van de onroerende zaak tot de [a-straat] is evenwel slechts 14 meter. In de [e-straat] zelf zijn ook enkele voorzieningen getroffen, zoals reconstructie van de aanwezige parkeerplaatsen, nieuwe bestrating daarvan en de plaatsing van straatmeubilair. De onroerende zaak van belanghebbende profiteert mee van de verbetering van het winkel- en verblijfsklimaat in het centrum van [Z] en de uitstraling daarvan. Hetzelfde geldt voor de onroerende zaken [c-straat 2 en 3] die ook grenzen aan het heringerichte gebied en daar zicht op hebben. De onroerende zaak [a-straat 1] ligt op 36 meter van de kruising [a-straat/c-straat], heeft een kantoorbestemming en heeft geen zicht op de getroffen voorzieningen.

5.3. Het Hof is van oordeel dat de Ambtenaar met hetgeen hij heeft aangevoerd voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door belanghebbende gestelde gelijkheid tussen de onroerende zaak van belanghebbende en de door belanghebbende genoemde onroerende zaak [c-straat 1], gelet op het verschil in ligging, bestemming, afstand tot de [a-straat], alsmede zicht op en nabijheid tot de getroffen voorzieningen, niet kan opgaan. Te dezen komt ook betekenis toe aan de in de [e-straat], aan de overzijde van het pand van belanghebbende, getroffen voorzieningen.

5.4. Nu sprake is van een niet gelijke of situatie tussen de onroerende zaak van belanghebbende en de onroerende zaak [c-straat 1] kan het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

5.5. Nu voor het overige niet is bestreden dat de onroerende zaak van belanghebbende door de getroffen voorzieningen in elk geval in zodanige mate is gebaat, dat de Ambtenaar belanghebbende terecht heeft aangeslagen naar het laagste tarief van de verordening, kan het beroep van belanghebbende niet slagen.

5.6. De omstandigheid, dat voorafgaande aan het besluit van de gemeenteraad van Epe tot het heffen van de belasting ten aanzien van de onroerende zaken van twee andere ondernemers onduidelijkheid heeft bestaan over de vraag of deze in de belastingheffing zouden worden betrokken, kan aan de juistheid van de onderhavige aanslag niet afdoen.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

7. Proceskosten

Voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen aanleiding.

8 Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan op 29 januari 2002 door mr Röben, voorzitter, mr De Kroon en mr Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts, als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 januari 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.