Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD9605

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
99-03625
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0530
Belastingblad 2002/488

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nr. 99/03625

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Ambtenaar belast met de heffing van de gemeentelijke belastingen van de gemeente Epe (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag baatbelasting dorpscentrum [Z].

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak [g-straat 1 te Z] opgelegde aanslag is gedagtekend 31 januari 1999 en genummerd […]. Het bedrag van de aanslag is f 1.409,24.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak van 6 december 1999 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 17 december 1999, waarbij bijlagen waaronder drie foto's zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift met bijlagen, alsmede de op 20 november 2001 van de Ambtenaar ontvangen afschriften van het na te noemen bekostigingsbesluit van 20 april 1995, van de bij dat besluit behorende gewaarmerkte kaart en van de bekendmaking.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 13 december 2001 te Arnhem zijn gehoord belanghebbende, alsmede [de Ambtenaar].

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van de Ambtenaar bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Op 20 april 1995 heeft de raad van de gemeente Epe bij raadsbesluit nr. G 17 een besluit genomen als bedoeld in artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet (hierna: het bekostigingsbesluit) in verband met het voornemen van het gemeentebestuur om voorzieningen tot stand te brengen teneinde het centrum van [Z] her in te richten. Bij de stukken van het geding behoort een gewaarmerkte kaart met de aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaken zijn gelegen, alsmede afschriften van de bekendmaking. In het raadsbesluit is vermeld dat de ten laste van de gemeente blijvende kosten van de herinrichting voor maximaal 52 percent worden verhaald door middel van een baatbelasting.

3.2. Op 26 maart 1998 heeft de raad van de gemeente Epe bij raadsbesluit nr. D 3 vastgesteld de Verordening baatbelasting dorpscentrum [Z] (hierna: de verordening). Bij de verordening behoort een gewaarmerkte kaart van het gebate gebied. Op deze kaart is vermeld dat deze hoort bij 'raadsbesluit "Verordening baatbelasting dorpscentrum [Z]". Raadsbesluit d.d.

26-4-1998, nr. D3'. Genoemde datum is abusievelijk vermeld in plaats van 26 maart 1998. Het op de kaart aangeduide gebied is gelegen binnen het gebied dat was aangeduid op de bij het bekostigingsbesluit behorende kaart. De verordening is op de juiste wijze bekend gemaakt.

3.3. De verordening - voorzover voor dit geding van belang - luidt:

Artikel 2 (belastbaar feit)

1. Onder de naam "baatbelasting dorpscentrum [Z]" wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de groene omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 april 1998 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur;

2. de in het eerste lid bedoelde voorzieningen bestaan uit:

- wijziging van de bestrating;

- groenvoorziening;

- straatmeubilair;

- openbare verlichting;

- verkeersremmende en voetgangersvriendelijke maatregelen.

Artikel 4 (maatstaf van heffing)

1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken van de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het belastingjaar 1998, zoals die voor het tijdvak 1997-2000 is bepaald naar de waardepeildatum 1 januari 1995.

2. (enz.)

Artikel 5 (belastingtarief)

1. Het bedrag bedraagt voor elke volle eenheid van f 5.000,-- van de heffingsmaatstaf f 50,33

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid bedraagt het tarief voor elke volle eenheid van f 5.000,--:

a. indien vanaf de frontzijde van de onroerende zaak uitzicht bestaat op de voorzieningen zonder dat de onroerende zaak directe grenst aan de voorzieningen: f 37,75

b. indien vanaf de frontzijde van de onroerende zaak geen uitzicht bestaat op de voorzieningen en de onroerende zaak aan de frontzijde evenmin direct grenst aan de voorzieningen: f 25,17.

3.4. De doelstelling van de herinrichting van het dorpscentrum van [Z] was om te komen tot een duurzame verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte en daarmee tot het verbeteren van het winkel- en verblijfsklimaat. Onder meer zijn de volgende voorzieningen getroffen:

- wijziging en vervanging van de bestrating in de [a-straat en het b-plein];

- de aanleg van fietssuggestiestroken;

- het verkeersluw maken van de [a-straat] door versmalling van het weggedeelte en het instellen van éénrichtingsverkeer;

- het treffen van groenvoorzieningen;

- het plaatsen van afscheidingspaaltjes, van banken en afvalbakken;

- het creëren van fietsstallingen;

- het aanleggen van openbare verlichting.

3.5. De kosten van de herinrichting hebben in totaal f 3.107.500 bedragen. De geraamde opbrengst van de baatbelasting beloopt f 250.000. Dit is 8,045 percent van die kosten.

3.6. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [g-straat 1]. Het betreft een door belanghebbende verhuurd winkelpand gelegen aan de hoek van het [b-plein] en de [g-straat]. De ingang van de in het pand aanwezige winkel is aan het [b-plein]. Het [b-plein] is volledig heringericht tot aan de [g-straat]. Tot aan de hoek met die straat, ook voor het pand van belanghebbende, is de bestrating vernieuwd. De weg en stoepen zijn gelijkvloers gemaakt en de parkeerplaatsen zijn gereconstrueerd. Verder zijn nieuwe groenvoorzieningen en nieuwe openbare verlichting aangelegd en is nieuw straatmeubilair geplaatst.

3.7. De WOZ-waarde van belanghebbendes onroerende zaak als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening is f 142.000. De Ambtenaar heeft de aan belanghebbende opgelegde aanslag berekend naar het tarief van artikel 5, eerste lid, van de verordening.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of en in welke mate de onroerende zaak van belanghebbende door de getroffen voorzieningen is gebaat.

4.2. Partijen hebben de voor hun respectievelijke standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting toegevoegd:

4.2. Door belanghebbende:

Hij beschouwt het vernieuwen van de bestrating op het [b-plein] als onderhoud. Dikkere tegels dan voorheen voegen niets toe. Voor de deur van zijn pand zijn geen nieuwe voorzieningen getroffen.

Hij ziet wel in dat zijn pand wel een beetje gebaat is bij de getroffen voorzieningen, maar hij vindt het niet redelijk dat hij evenveel moet betalen als de eigenaren wier panden beter aan het [b-plein] zijn gelegen. Hij zou wensen dat zijn pand door de aanleg van de nieuwe bestrating meer bij het [b-plein] was betrokken.

4.3. Namens de Ambtenaar:

Het pand van belanghebbende ligt weliswaar aan het eind van de op het [b-plein] getroffen voorzieningen, maar vast staat dat de nieuwe bestrating en betegeling tot en met zijn pand loopt. Bovendien is vanaf het pand zicht op de overige voorzieningen. Daarom is het hoogste tarief toegepast.

De gebruikte betegeling is dikker dan de vorige en het gebied is iets verhoogd. De voorzieningen op en de inrichting van het [b-plein] vormen één onlosmakelijk geheel. Het gehele gebied inclusief het pand van belanghebbende heeft een upgrading ondergaan.

4.4. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en van de aanslag.

4.5. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De Ambtenaar heeft gesteld en belanghebbende heeft niet bestreden dat de herinrichting van het winkelgebied in het centrum van Z] één geheel van door het gemeentebestuur getroffen voorzieningen betreft en dat dit geheel is tot stand gebracht met het oog op verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte, verhoging van de aantrekkelijkheid van het winkelgebied en verbetering van het verblijfsklimaat.

5.2 De Ambtenaar heeft zich voorts op het standpunt gesteld, dat in het algemeen en ook in dit geval in een winkelgebied gelegen onroerende zaken zijn gebaat door verbeteringen en verfraaiing waardoor dat gebied voor winkelend publiek aantrekkelijker is geworden.

5.3. Belanghebbende ontkent weliswaar niet dat ook zijn onroerende zaak door de getroffen voorzieningen enigszins is gebaat, maar is van mening dat hij minder zou moeten betalen dan de belastingplichtigen wier onroerende zaak dichter bij de belangrijkste nieuwe voorzieningen ligt.

5.4. Het [b-plein], waaraan belanghebbendes onroerende zaak is gelegen is, op de wijze zoals hiervóór onder 3.6. is weergegeven, grotendeels heringericht. Blijkens de door belanghebbende bij het beroepschrift gevoegde foto's is het begin van de parkeerruimte op het [b-plein], op korte afstand schuin voor zijn onroerende zaak. De vernieuwde bestrating op het [b-plein], is ook voor belanghebbendes pand aangelegd.

5.5. Het Hof is van oordeel dat gelet op voormelde feiten en omstandigheden de Ambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de onroerende zaak van belanghebbende is gebaat door de door de gemeente getroffen voorzieningen. Daarbij merkt het Hof op dat voor de vraag of sprake is van baat betekenis mist welk soort activiteit op de peildatum 1 april 1998 in het pand plaatsvindt.

5.6. Vast staat dat de onroerende zaak van belanghebbende direct grenst aan de voorzieningen en dat vanaf de ingang van de in het pand aanwezige winkel uitzicht bestaat op de voorzieningen. Bij deze gegevens past het tarief van artikel 5, eerste lid, van de verordening.

5.7. Bij het treffen van een geheel van voorzieningen is het niet steeds te vermijden dat een aantal onroerende zaken nog gunstiger ten opzichte van die voorzieningen zal zijn komen te liggen dan andere onroerende zaken die eveneens onderdeel uitmaken van het direct gebate gebied. Die omstandigheid kan, indien met betrekking tot een aantal onroerende zaken sprake is van aanmerkelijk verschillen in baat die door de getroffen voorzieningen is ontstaan, nopen tot het maken van onderscheid in tariefstelling. Zulks is in de verordening ook gebeurd. In de omstandigheden van het onderhavige geval ziet het Hof geen aanleiding voor de conclusie dat voor belanghebbendes pand een ander tarief zou moeten gelden. Belanghebbendes onroerende zaak is weliswaar gelegen aan het eind van de op het [b-plein], getroffen voorzieningen, maar niet op zodanig afstand of geïsoleerd daarvan dat de toepassing van eenzelfde tarief als geldt voor de andere aan het [b-plein], gelegen onroerende zaken leidt tot willekeur bij de onderhavige heffing.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan op 29 januari 2002 door mr Röben, voorzitter, mr De Kroon en mr Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts, als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 januari 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.