Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD9115

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
11-02-2002
Zaaknummer
98/462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

29 januari 2002

eerste civiele kamer

rolnummer 98/462

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1 Mr. Antonius Johannes Keizers,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Financieel Begeleidings Instituut Maes B.V.,

wonende te [woonplaats],

2 [appellant sub 2],

handelende onder de naam [appellant sub 2] Software en Computers,

wonende te [woonplaats]

appellanten in het principaal appèl, incidenteel geïntimeerden,

procureur: mr. J. Langerhuizen;

tegen:

1 de stichting Stichting Pensioen- en Verzekeringskamer,

voorheen genaamd Stichting Verzekeringskamer,

gevestigd te Apeldoorn,

2 [geïntimeerde sub 2].,

in zijn hoedanigheid van gewezen bewindvoerder van de

naamloze vennootschap Levensverzekeringsmaatschappij

Vie d' Or N.V.,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal appèl, incidenteel appellanten,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar het door de rechtbank te Zutphen tussen partijen gewezen vonnis van 5 februari 1998. Een fotokopie van dat vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 29 april 1998 hebben appellanten (hierna te noemen: Keizers qq en [appellant sub 2]) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis met dagvaarding van geïntimeerden (hierna te noemen: Verzekeringskamer en [geïntimeerde sub 2]) voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben Keizers qq en [appellant sub 2] grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof dit vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Verzekeringskamer zal veroordelen: 1) tot betaling van schadevergoeding ten behoeve van Keizers qq en [appellant sub 2] op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2) in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Verzekeringskamer en [geïntimeerde sub 2] hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd. Tevens heeft Verzekeringskamer, onder aanvoering van grieven, incidenteel appèl ingesteld. Hierbij zijn producties overgelegd en is geconcludeerd dat het hof:

- in het principaal appèl het bestreden vonnis, zonodig onder aanvulling en verbetering van gronden, zal bekrachtigen voorzover Keizers qq en [appellant sub 2] daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard;

- in het incidenteel appèl het bestreden vonnis (voor het overige; toevoeging hof) zal vernietigen en opnieuw rechtdoende Keizers qq en [appellant sub 2] in hun overige vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren althans deze vorderingen zal afwijzen,

- Keizers qq en [appellant sub 2] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.4 In het incidenteel appèl hebben Keizers qq en [appellant sub 2] bij memorie van antwoord verweer gevoerd. Zij hebben daarbij producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof Verzekeringskamer in haar grieven niet-ontvankelijk zal verklaren althans haar haar vordering zal ontzeggen, met veroordeling van Verzekeringskamer in de kosten van het incidenteel appèl.

2.5 Ter terechtzitting van het hof van 24 september 2001 hebben partijen de zaak doen bepleiten, waarbij Keizers qq het woord heeft gevoerd mede namens [appellant sub 2], en waarbij namens Verzekeringskamer en [geïntimeerde sub 2] het woord is gevoerd door mr. W.C. Wennekes, advocaat te Den Haag, overeenkomstig door hen overge-legde pleitnota's.

2.6 Vervolgens zijn de procesdossiers overge-legd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Tegen de overwegingen van de rechtbank inzake de vaststaande feiten zijn geen grieven gericht, zodat die feiten ook in hoger beroep vaststaan.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Keizers qq en [appellant sub 2] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in het door hen ingestelde hoger beroep voorzover dat gericht is tegen [geïntimeerde sub 2], omdat zij geen grieven hebben aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank dat zij in hun vorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] niet-ontvankelijk zijn.

4.2 In hoger beroep is nog slechts aan de orde de vordering van Keizers qq en [appellant sub 2] tegen Verzekeringskamer. Deze vordering is gebaseerd op de stelling dat Verzekeringskamer de auteursrechten van [appellant sub 2] en Financieel Begeleidings Instituut Maes B.V. (hierna te noemen: FBIM) op respectievelijk het basisgedeelte (de zogenaamde "bibliotheek") en het bijzonder gedeelte van de software "V-Shell" heeft geschonden. Keizers qq en [appellant sub 2] verwijten Verzekeringskamer dat zij in het kader van de vereffening van de verzekeringsportefeuille van N.V. Levensverzekeringsmaatschappij Vie d'Or (hierna te noemen: Vie d'Or), bedoelde software (hierna te noemen: de software), ondanks diverse waarschuwingen, heeft overgedragen aan Levensverzekeringsmaatschappij Twenteleven N.V. (hierna te noemen: Twenteleven).

4.3 Het principaal appèl is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat FBIM niet kan worden aangemerkt als auteursrechthebbende op "V-Shell" en dat ten aanzien van de vraag of [appellant sub 2] kan worden aangemerkt als auteursrecht-hebbende op de "bibliotheek" voorlichting door deskundigen noodzakelijk is.

4.4 Het incidenteel appèl is onder meer gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, indien de auteursrecht van FBIM en [appellant sub 2] in rechte komen vast te staan, daarmee de onrechtmatigheid van de handelwijze van Verzekeringskamer vaststaat, waaraan niet afdoet een eventueel gebruiksrecht van Vie d'Or met betrekking tot bedoelde software.

4.5 Het hof ziet aanleiding om, veronderstellenderwijs uitgaande van auteursrechten van [appellant sub 2] en FBIM op de software, allereerst het incidenteel appèl te behandelen.

4.6 Voor de beoordeling van het incidenteel appèl zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. De software is door FBIM (voor zover nodig met instemming van [appellant sub 2]) aan Vie d' Or in gebruik gegeven ten behoeve van haar polisadministratie. Het programma is daartoe op een computersysteem geïnstalleerd. Tussen partijen staat vast dat Vie d'Or gerechtigd was ten behoeve van haar polisadministratie gebruik te maken van de software. Vie d'Or had de kosten van de software betaald aan FBIM. Dit blijkt uit de brief van mr. V.H.M. Wibaut, destijds advocaat van FBIM, van 12 januari 1994 aan mr. J.N.D.M. Kager, de advocaat die [geïntimeerde sub 2] bijstond bij de afwikkeling van de zaken van Vie d'Or. In die brief is over de software gesteld: "Op basis van verrekeningsafspraken betreffende de kosten kan de N.V. Vie d'Or van deze automatiseringsmiddelen gebruik maken." Dit is een buitengerechtelijke erkentenis die in de onderhavige procedure onvoldoende is herroepen. De stellingen van Keizers qq en [appellant sub 2] dat Vie d'Or geen gebruiksvergoeding betaalde voor de software en dat FBIM de ontwikkelingskosten van de software heeft betaald aan [appellant sub 2], zijn geen weerlegging van de erkenning dat de kosten van de software zijn verrekend met Vie d'Or. De software is specifiek ontwikkeld ten behoeve van gebruik door Vie d'Or. Gelet hierop alsmede op het feit dat Vie d'Or de kosten van de software heeft betaald, moet als onaannemelijk worden verworpen de stelling van Keizers qq en [appellant sub 2] dat aan Vie d'Or een tijdelijk gebruiksrecht is verleend, dat niet inhield het overdragen of laten gebruiken van de software aan of door derden. Deze stelling is, ondanks betwisting, niet onderbouwd. In verband daarmee en wegens het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst moet derhalve ervan worden uitgegaan dat FBIM en Vie d'Or geen afspraken hebben gemaakt over de precieze rechten en verplichtingen die tussen hen gelden met betrekking tot gebruik van de software. Dan valt ook niet in te zien dat aan FBIM het recht toekwam om het gebruiksrecht op te zeggen per 1 april 1994.

4.7 Gelet op dit gebruiksrecht van Vie d'Or, in verband met de in het auteursrecht geldende uitputtingsleer (dit wil zeggen dat een auteursrechthebbende geen zeggenschap meer heeft over de verdere verspreiding van een exemplaar van zijn werk vanaf het moment dat dit werk door hemzelf of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht) moet worden aangenomen dat Vie d'Or haar exemplaar van de software mocht overdragen aan een derde en dat FBIM en [appellant sub 2] over dit exemplaar van de software geen controle meer konden uitoefenen. Overigens zou het gebruiksrecht van Vie d'Or ook op grond van artikel 3:83 BW overdraagbaar zijn. Nu Vie d'Or bevoegd was haar gebruiksrecht van de software over te dragen, is de conclusie dat het door Keizers qq en [appellant sub 2] aan Verzekeringskamer verweten handelen geen inbreuk op het door hen gepretendeerde auteursrecht is, te meer niet omdat Verzekeringskamer de software niet heeft overgedragen aan Twenteleven, maar (slechts) in bewaring heeft gegeven. Daarbij komt nog dat onvoldoende is onderbouwd dat Twenteleven de software heeft gebruikt, zodat aan die (gemotiveerd betwiste) stelling van Keizers qq en [appellant sub 2], voorzover die gezien het voorgaande nog van belang zou zijn, wordt voorbijgegaan.

4.8 Uit het voorgaande volgt dat het incidenteel appèl gegrond is en dat een eventuele gegrondheid van het principaal appèl Keizers qq en [appellant sub 2] niet kan baten. Het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd, behoudens ten aanzien van de niet-ontvankelijk verklaring van Keizers qq en [appellant sub 2] in hun vorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] en in hun vordering tot betaling van een vergoeding voor de destijds bij Vie d'Or in gebruik zijnde software (waartegen geen grieven zijn gericht). De in hoger beroep gehandhaafde vorderingen van Keizers qq en [appellant sub 2] tegen Verzekeringskamer moeten worden afgewezen. Keizers qq en [appellant sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart Keizers qq en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep voorzover dat gericht is tegen [geïntimeerde sub 2];

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Zutphen van 5 februari 1998, behoudens ten aanzien van de niet-ontvankelijk verklaring van Keizers qq en [appellant sub 2] in hun vorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] en in hun vordering tot betaling van een vergoeding voor de destijds bij Vie d'Or in gebruik zijnde software;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Keizers qq en [appellant sub 2] af;

veroordeelt Keizers qq en [appellant sub 2] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Verzekeringskamer en [geïntimeerde sub 2] begroot op:

- voor de eerste aanleg €€EUR 517,31 aan verschotten en op € EUR 1.996,63 voor salaris;

- voor het hoger beroep €EUR 653,44 aan verschotten en op EUR€ 3.471,42 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Hilverda en Rinzema en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 29 januari 2002.