Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD8930

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-01-2002
Datum publicatie
05-02-2002
Zaaknummer
00-00557
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 287
FutD 2002-0353
V-N 2002/14.1.4
V-N 2002/9.2.5

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Vijfde enkelvoudige belastingkamer

nr. 00/00557

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende opgelegde aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 48.588 met inachtneming van een belastingvrije som van f 7.102. Aan heffingsrente is f 209 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 4 februari 2000 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en ambtshalve de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 48.401. Aan heffingsrente is een bedrag van f 3 vergoed.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 15 maart 2000 en aangevuld op 19 april 2000, waarbij bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 6 december 2001 te Arnhem zijn gehoord, [de gemachtigde] van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur].

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende, die is geboren in 1956, woont sinds 10 mei 1994 ongehuwd samen met [A], geboren in 1959. Eind 1994 hebben belanghebbende en zijn partner gekocht de woning [a-straat 1 te Z]. Zij zijn elk voor 50 percent eigenaar van de woning, hoofdelijk aansprakelijk voor de ter zake van de woning afgesloten hypothecaire geldlening en in gelijke mate gerechtigd tot de voordelen uit de woning. Belanghebbende heeft telken jare de volledige hypotheekrente betaald

3.2. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende een op 30 mei 1995 gedagtekende 'overeenkomst aflossing' tussen hem en zijn partner [A] overgelegd, waarbij beiden verklaren dat belanghebbende de volledige hypotheekrente zal betalen, dat belanghebbende de belastingaftrek zal vragen en dat belanghebbende naderhand geen door hem betaalde rente zal terugvorderen van zijn partner. De overeenkomst is niet geregistreerd.

3.3. Bij notariële akte van 22 april 1996 hebben belanghebbende en zijn partner een samenlevingsovereenkomst gesloten. In de aanhef van deze overeenkomst verklaren beiden:

'… dat zij sinds tien mei negentienhonderd vier en negentig samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij zijn overeengekomen de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan bij deze vast te leggen en waar nodig alsnog te regelen als volgt: (…)'.

De overeenkomst luidt verder - voorzover van belang - :

Artikel 3, tweede lid

Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto-inkomsten bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Artikel 4, derde lid

Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijke eigendom, dan wordt ook de aflossing, voor zover deze uit de gemeenschappelijke bank- of girorekening kan worden voldaan tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. (…)

3.4. Het arbeidsinkomen van belanghebbende beliep in het onderhavige jaar een bedrag van f 72.828 en dat van zijn partner f 61.229.

3.5. In zijn aangifte voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende het volledige huurwaardeforfait (f 4.062) voor de woning aangegeven en tevens het volledige bedrag van de door hem betaalde hypotheekrente (f 31.282) in aftrek gebracht.

3.6. Bij een bij de partner van belanghebbende op 29 september 1998 ingesteld boekenonderzoek kwamen de eigendomsverhouding van de woning, de gerechtigdheid en de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening voor het eerst in het vizier van de Inspecteur. Bij de aanslag heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen van belanghebbende gecorrigeerd met een vermindering van de helft van de aangegeven huurwaarde (f 2.031) en verhoogd met de helft van de in aftrek gebracht hypotheekrente (f 15.641). Na bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen verminderd door bij belanghebbende alsnog f 15.828 aan hypotheekrente in aftrek toe te laten.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of belanghebbende de volledige door hem betaalde hypotheekrente in afrek kan brengen.

4.2. Partijen hebben de voor hun respectievelijke standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting toegevoegd:

4.3. Door de gemachtigde van belanghebbende:

Belanghebbende wil 'als man' zelf de hypotheekrente van de woning betalen. De samenlevingsovereenkomst is een standaardmodel. Belanghebbende en zijn partner hebben zich de consequenties van de desbetreffende passages niet gerealiseerd. Er is slechts sprake van een klein fiscaal voordeel. Het is juist dat, gelet op beider inkomens, de partners elk hun aandeel in de hypotheekrente hadden kunnen betalen.

4.4. Door de Inspecteur:

In het verweerschrift staat telkens 'voor 50% hoofdelijk aansprakelijk'. Dit is niet juist. Dat moet zijn: voor 100% hoofdelijk aansprakelijk. Naar zijn mening is bij het alleen door belanghebbende betalen van de hypotheekrente sprake van persoonlijke motieven. Er is daardoor fiscaal voordeel gerealiseerd. Zijns inziens bespreekt de notaris een dergelijke bepaling wèl met partijen.

Hij deelt de visie van de gemachtigde van belanghebbende dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd.

4.5. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar het aangegeven belastbaar inkomen van f 34.978.

4.6. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende is van mening dat er sprake is van een tussen hem en zijn partner gesloten zakelijke overeenkomst, waarbij hij op zich heeft genomen om alle lusten en lasten van de woning te dragen. Door de betaling voldoet hij aan de verplichting waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is. De interne regeling van de draagplicht mist, aldus belanghebbende, te dezen betekenis.

5.2. In het onderhavige geval is sprake van gelijke gerechtigdheid tot de voordelen uit de woning, van gelijk genot van de woning, van hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de op de woning rustende hypothecaire lening en van partners die elk uit hun inkomen hun aandeel in de hypotheekrente kunnen voldoen. Alsdan moet ingevolge het bepaalde in artikel 42 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in beginsel elk van de ongehuwde partners de helft van de huurwaarde van de woning aangeven en kan elke partner de helft van de betaalde hypotheekrente in aftrek brengen.

5.3. Door in het onderhavige geval met betrekking tot de af te trekken hypotheekrente in overeenstemming met de samenlevingsovereenkomst het standpunt in te nemen dat elk van de partners die rente kan aftrekken in verhouding tot ieders inkomen, heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met een juiste toepassing van de wet of met het door de Belastingdienst ter zake gevoerde beleid (onder andere neergelegd in de Mededeling van de Directie Particulieren van de Belastingdienst, Infobulletin 91/642, gepubliceerd in V-N 1992, blz. 69).

5.4. Belanghebbende heeft geen zakelijke argumenten aangevoerd op grond waarvan tot aftrek van de hypotheekrente uitsluitend bij hemzelf kan worden geconcludeerd.

5.5. Het Hof merkt naar aanleiding van de in het dossier aangetroffen becijferingen en stukken nog het volgende op.

In de eerste plaats

De aan belanghebbende opgelegde aanslag is gedagtekend 6 april 1999. Het tegen de aanslag gerichte bezwaarschrift is gedagtekend 18 mei 1999 en blijkens daarop geplaatst stempel bij de eenheid van de Inspecteur binnengekomen op 20 mei 1999. Namens belanghebbende is in het beroepschrift gesteld dat het bezwaarschrift tijdig, op 18 mei 1999, ter post is bezorgd. De Inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende beaamd. Nu tussen partijen kennelijk geen verschil van mening bestaat dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd en het Hof dit standpunt van partijen niet als onjuist voorkomt, kan ervan worden uitgegaan dat het bezwaar tijdig is ingesteld. Belanghebbende is mitsdien bij de bestreden uitspraak van 4 februari 2000 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Als bijlage 13 bij het verweerschrift is gevoegd een afschrift van een 'kennisgeving op een bezwaarschrift' inzake (dezelfde) aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering over het jaar 1997. Deze kennisgeving, waarbij de Inspecteur thans het op 20 mei 1999 ontvangen bezwaarschrift wel ontvankelijk verklaard en voor het overige verwijst naar dezelfde berekening als in de uitspraak, mist voor dit geding betekenis.

In de tweede plaats

Het Hof is bij de bestudering van de stukken tot de conclusie gekomen dat de Inspecteur bij de berekening van de aan belanghebbende toekomende aftrek van hypotheekrente een rekenfout heeft gemaakt.

Blijkens een brief van 2 november 1999 (bijlage 10 bij het verweerschrift) beliep de in 1997 betaalde hypotheekrente f 31.282. Het arbeidsinkomen van belanghebbende bedroeg f 72.828 en dat van de partner f 61.229. Een juiste toerekening leidt er dan toe dat belanghebbende f 16.996 hypotheekrente in aftrek kan brengen en zijn partner f 14.286.

Dit brengt mee dat het belastbaar inkomen van belanghebbende bij de bestreden uitspraak (f 16.996 - f 15.828) f 1.168 te hoog is vastgesteld. Het Hof zal dit in het dictum herstellen.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond

7. Proceskosten

Met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.en het Besluit proceskosten fiscale procedures berekent het Hof belanghebbendes proceskosten op [1 beroepschrift + 1 bijwonen zitting x f 710 x 1 gewicht van de zaak) f 1.420.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 47.237;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ten bedrage van f 1.420, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor het instellen van beroep betaalde griffierecht van f 60 te vergoeden.

Aldus gedaan op 17 januari 2002 door mr Röben, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 januari 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.