Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD8567

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-01-2002
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
98/3613
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0297
Belastingblad 2002/891

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/3613

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de ambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen in de gemeente Deventer (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem gezonden kennisgeving inzake bijzondere leges.

1. Kennisgeving, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Met dagtekening 1 juni 1998 is aan belanghebbende een kennisgeving verzonden waarop staat vermeld dat belanghebbende ƒ 350,-- leges is verschuldigd ten behoeve van publicatie [a-straat 1] en ƒ 10,-- aanmaningskosten.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de kennisgeving bezwaar gemaakt. De ambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de kennisgeving bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft op 14 maart 1998 een melding gedaan voor het plaatsen van een berging van 3,25 meter hoog bij het perceel [a-straat 1 te Z] en daarna op verzoek van bouw- en woningtoezicht de bouwtekeningen ingediend.

2.2. Op grond van de tekeningen is door bouw- en woningtoezicht de conclusie getrokken dat het niet gaat om een meldingplichtig bouwwerk, maar om een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning is vereist. Belanghebbende doet een nieuwe melding bij brief van 5 mei 1998 van een minder hoog bouwwerk. De melding is daarop, zonder bezwaar van belanghebbende, beschouwd als een aanvraag om een bouwvergunning. De melding van 14 maart is door procespartijen als ingetrokken beschouwd.

2.3. Aan belanghebbende is bij brieven van 6 en 14 mei 1998 meegedeeld dat eventuele verlening van de bouwvergunning slechts mogelijk is na het volgen van een bijzondere planologische procedure en dat aan het volgen van die procedure de heffing van een extra bedrag aan leges van ƒ 350,-- verbonden is.

2.4. De brief van 6 mei 1998 bevat onder meer de volgende mededeling:

" […]. Formeel is het niet mogelijk u bouwvergunning te verlenen, tenzij een dure, tijdrovende artikel 19-procedure zou worden gevolgd. Desondanks zijn wij in principe bereid u de gevraagde bouwvergunning te verlenen, nadat het bouwplan is gepubliceerd en omwonenden gedurende twee weken in de gelegenheid zij gesteld eventuele bedenkingen in te dienen. Gelet op het feit dat het verlenen van de vergunning formeel niet mogelijk is, zijn wij verplicht u de bouwvergunning te weigeren indien er bedenkingen door derden worden ingediend. [….]".

2.5. Bij besluit van 2 juni 1998 is de gevraagde bouwvergunning verleend.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het bedrag van ƒ 350,-- terecht door de ambtenaar is geheven.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert - anders dan de ambtenaar meent - tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het bedrag van de kennisgeving met ƒ 350,-- tot een bedrag van ƒ 33,20. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 1 van de Legesverordening Deventer 1993 bepaalt dat onder de naam "leges" rechten worden geheven ter zake van het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten, genoemd in die verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

4.2. In de tarieventabel is onder 5.3.5. het volgende vermeld:

"Ingeval het voor het verlenen van de bouwvergunning krachtens het bestemmingsplan is vereist, dan wel indien dat uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming nodig wordt geoordeeld, het bouwplan te publiceren en voor een ieder gedurende een bepaalde periode ter inzage te leggen (met de mogelijkheid om bezwaren in te dienen vóórdat op de aanvraag een beslissing is genomen) is extra verschuldigd ƒ 300,--".

Het tarief is volgens een in het Gemeenteblad bekend gemaakte wijzigingsverordening met ingang van 1 juli 1997 verhoogd tot een bedrag van ƒ 350,--.

4.3. Partijen gaan er van uit dat de in par. 5.3.5. genoemde publicatie en terinzagelegging heeft plaatsgevonden. Het Hof zal hen in dit standpunt volgen. Onder die omstandigheden is belanghebbende het bedrag aan bijzondere leges van ƒ 350,-- verschuldigd.

4.4. Het Hof begrijpt belanghebbendes klacht aldus dat wanneer de gemeente met betrekking tot het voormalige [a-]terrein tijdig een bestemmingsplan zou hebben tot stand gebracht de extra heffing van ƒ 350,-- in zijn geval niet noodzakelijk zou zijn geweest. Deze klacht kan belanghebbende niet baten, aangezien het niet op de weg van de belastingrechter ligt om het beleid van de gemeente Deventer op dit punt te beoordelen. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt danwel gebleken die aan heffing van het bestreden bedrag in de weg staan. Het Hof merkt in dit verband nog op dat de ambtenaar heeft gesteld dat, ook wanneer voor het onderhavige gebied een geactualiseerd bestemmingsplan tot stand zou zijn gekomen, belanghebbende er niet zonder meer van zou kunnen uitgaan dat hem dan zou zijn toegestaan om zonder vrijstellingsprocedure te bouwen.

4.5. Het beroep moet worden verworpen; de uitspraak zal worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 3 januari 2002 door mr Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw mr Van Hoorn als griffier.

(E.M. van Hoorn) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 januari 2002

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.