Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AD8541

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
99/03051
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 271
FutD 2002-0293
Belastingblad 2002/596

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/03051

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling lastenheffing van het zuiveringsschap Rivierenland (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking op zijn verzoek om vermindering van de hem voor het jaar 1999 opgelegde aanslag in de zuiveringslasten.

1. Beschikking en bezwaar

1.1. De aanslag gedagtekend 31 januari 1999 betreft de woonruimte plaatselijk bekend [a-straat 1 te Z] en is berekend naar een heffingsmaatstaf van 3 vervuilingseenheden.

1.2. Op 21 mei 1999 heeft belanghebbende het zuiveringschap schriftelijk verzocht de aanslag te verminderen.

1.3. Op 18 juni 1999 is de voor bezwaar vatbare beschikking, houdende afwijzing van dat verzoek, ter post bezorgd.

1.4. Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen die beschikking heeft de verweerder bij uitspraak van 6 augustus 1999 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 8 september 1999.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 21 december 2001 te Arnhem is belanghebbende gehoord. De verweerder is met mondelinge kennisgeving aan de bode van het hof niet verschenen.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende de verweerder ter zitting heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep de aanslag te verminderen.

3.2. De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. De vaststaande feiten

4.1. De voormelde woonruimte werd tot 4 mei 1999 bewoond door twee personen, onder wie belanghebbende.

4.2. Op die datum heeft belanghebbendes medebewoner een andere woning betrokken en bleef belanghebbende over als enige gebruiker.

4.3. Van deze verandering heeft belanghebbende het zuiveringschap op 20 mei 1999 schriftelijk in kennis gesteld en verzocht om vermindering van de aanslag naar rato.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of belanghebbende terecht aanspraak maakt op vermindering van de vervuilingswaarde voor zijn voormelde woonruimte op grond dat die met ingang van 4 mei 1999 door hem alleen wordt gebruikt.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven - door belanghebbende:

Vanuit zijn ervaring met procederen voor de kantonrechter heeft het hem verwonderd dat het hof hem niet spontaan een termijn heeft gesteld voor het indienen van een conclusie van repliek.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Artikel 7 van de Verordening verontreinigingsheffing 1999 bepaalt, dat voor een woonruimte die bij het begin van het heffingsjaar - dit is volgens artikel 5 het kalenderjaar - of, indien de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, bij de aanvang van de heffingsplicht door één persoon wordt gebruikt, op aanvraag van de gebruiker de vervuilingswaarde wordt vastgesteld op 1 vervuilingseenheid. Deze bepaling geeft uitwerking aan artikel 18, tweede lid, tweede volzin, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in de voor het onderhavige jaar geldende tekst (hierna: de WVO), die luidt:

Voor een woonruimte die wordt bewoond door één persoon, wordt de vervuilingswaarde gesteld op één inwonerequivalent.

6.2. Bij de beoordeling van het geschil ziet het hof zich geplaatst voor de vraag, of met de aangehaalde bepaling artikel 7 voormeld verenigbaar en derhalve verbindend is, nu dit beslissende betekenis toekent aan de toestand bij het begin van het heffingsjaar of van de later intredende heffingsplicht. Is artikel 7 verbindend, dan is daarmee de ontkennende beantwoording van de in geschil zijnde vraag gegeven.

6.3. De aangehaalde bepaling is met ingang van 1 januari 1989 in de WVO opgenomen bij de Wet van 23 december 1988, Stb. 658. In het oorspronkelijke wetsontwerp luidden de beginwoorden ervan:

Voor een woonruimte die op 1 januari van het heffingsjaar wordt bewoond (enz.)

In de memorie van antwoord (20 435, nr. 7, blz. 9) is daarover onder meer vermeld:

Het opnemen van een peildatum in de wet heeft als nadeel dat een na 1 januari optredende wijziging (in de zin van vermindering) in de bewonerssamenstelling in principe niet meer kan leiden tot een evenredige vermindering van de aanslag, zoals thans veelal in de bestuurspraktijk gebeurt. Uit de gestelde vragen kan worden opgemaakt dat dat als onbillijk wordt ervaren. Gevraagd is de bestuurlijke praktijk van de waterbeheerder ook op dit punt te volgen en de nadere regeling ervan aan de beheerder over te laten.

Na ampele overweging is besloten deze suggestie over te nemen en de peildatum uit de wet te schrappen. Evenals voor de verzoekregeling geldt dat artikel 22 van de wet voldoende ruimte biedt om bij algemene maatregel van bestuur respectievelijk verordening nadere regels ter zake te stellen.

Bij de nota van wijziging (20 435, nr. 8) zijn daarop uit de voormelde volzin de woorden «op 1 januari van het heffingsjaar» geschrapt, evenals in het vierde lid de woorden «op een daartoe strekkend verzoek».

6.4. Bijgevolg moet worden geoordeeld, dat het heffende openbare lichaam - hier: het voormelde zuiveringschap - zelf de nadere regelen als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de WVO kan stellen volgens welke de toepassing van het alleenbewoningsforfait wordt gebonden aan een peildatum en/of aan een daartoe strekkend verzoek. Het zou derhalve de algemene vergadering van het zuiveringsschap hebben vrijgestaan, die peildatum en dat verzoek niet in artikel 7 voormeld op te nemen. Zij heeft dat echter wel gedaan. Volgens de aangehaalde wetsgeschiedenis heeft zij daartoe de vrijheid. Artikel 7 is dus in overeenstemming te achten met de voormelde bepaling van artikel 18, tweede lid, tweede volzin, en mitsdien verbindend. In dezen komt geen betekenis toe aan de keuze die andere waterkwaliteitsbeherende lichamen in hun heffingsverordeningen hebben neergelegd, zodat belanghebbendes klacht over 'het principe van niet gelijke behandeling' hem niet kan baten.

6.5. Bij pleidooi onderstreept belanghebbende zijn grief over de ongelijkheid in behandeling tussen personen die binnen, en personen die buiten het heffingsgebied wonen, met verwijzing naar artikel 4, tweede, derde en vierde lid, van de verordening. Volgens deze bepalingen neemt - kort gezegd - bij verhuizing binnen dat gebied in de loop van het heffingsjaar tussen woonruimten waarvoor de zuiveringslasten niet 'meeliften' op de waternota's (artikel 16, tweede lid), de heffingsplicht geen aanvang of einde. Op heffingsplichtigen die, zoals belanghebbende, niet zijn verhuisd, zijn deze bepalingen niet van toepassing. Zij beogen kennelijk in samenhang met het eerste artikellid, evenals het op zichzelf staande vijfde artikellid, de inningskosten te beperken.

6.6. Belanghebbendes grief dat ook ingeval 'de woning tussen de peildata zou veranderen van éénpersoons vervuilingseenheid naar een meer persoons vervuilingseenheid, (...) de aanslag wel naar rato [wordt] verhoogd', vindt geen steun in de genoemde artikelen van de verordening, afgezien van het - zich hier niet voordoende - geval waarin binnen het verzorgingsgebied van het schap wordt verhuisd zowel van als naar een woonruimte waarop artikel 16, tweede lid (het vorengenoemde 'meeliften'), toepasselijk is.

6.7. Nu de alleenbewoning zich naar belanghebbendes eigen stellingen nog niet voordeed bij het begin van het jaar 1999, is de aanslag terecht niet (naar tijdsgelang) verminderd tot een, berekend naar 1 vervuilingseenheid.

7. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

In de omstandigheid dat de verweerder in het verweerschrift niet is ingegaan op belanghebbendes in het beroepschrift vervatte grieven als onder 6.5 en 6.6 weergegeven, waardoor belanghebbende heeft kunnen menen deze grieven door toelichting bij pleidooi kansrijker te maken en daarvoor ter zitting te moeten verschijnen, vindt het hof aanleiding de verweerder (sinds 1 januari 2002: de ambtenaar belast met de heffing van het waterschap Rivierenland, postbus […] Geldermalsen) te veroordelen in de reis- en verblijfkosten van belanghebbende, in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op zijn reis- en verblijfkosten, begroot op €€f. 24,- ofwel € €€Euro 10,89.

9. Beslissing

Het gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de verweerder;

- veroordeelt de ambtenaar belast met de heffing van het waterschap Rivierenland in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van €Euro 10,89, te vergoeden door het waterschap Rivierenland te Geldermalsen.

Aldus gedaan te Arnhem op 10 januari 2002 door mr N.E. Haas, vice-president, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 januari 2002

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het dagelijks bestuur binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.