Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AF0566

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-11-2001
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2001/694
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending van hoor en wederhoor bij naderhand ambtshalve informeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

Arrest

In zaak van

X.,

Wonende te P.,

Appellant,

Procureur: mr. J.M. Bosnak.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 23 oktober 2001 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: X.) tot (definitieve) toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Dit vonnis is in afschrift aangehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij een ter griffie van het hof op 31 oktober 2001 ingekomen verzoekschrift is X. in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis.

2.2. Bij voormeld beroepschrift heeft X. het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat zij wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

2.3.Het hof heeft kennis genomen van de bij het beroepschrift behorende stukken alsmede van bij brief van mr. P.J. Fousert, advocaat te Almelo, d.d. 14 november 2001 toegezonden stukken.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2001, waarbij X. is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. P.J. Fousert voornoemd.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2. X. is gehuwd met Y. naar Turks recht, hetgeen betekent dat zij niet in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, Tezamen met Z. was zij vanaf 3 mei 1999 vennoot van de vennootschap onder de firma A., later gewijzigd in B. Haar voormalige eenmanszaak was per 1 februari 1999 voortgezet in de vorm van deze v.o.f. Vanaf 1 februari 1999 tot 3 mei 1999 waren X. en C. de vennoten. Haar echtgenoot Y., geen vennoot, was werkzaam voor deze onderneming. Ingaande 1 januari 2001 is X. uitgeschreven als vennoot. De onderneming is verkocht aan een derde, die (een deel van) de schulden aan leveranciers heeft overgenomen. Van deze verkoop is geen schriftelijk contract opgemaakt. In het kader van de exploitatie van deze onderneming zijn in het verleden veel schulden gemaakt, die nog niet zijn afbetaald. De Stadsbank Oost Nederland heeft in dit verband een overzicht van de schulden van Y. opgesteld voor een totaal van f.188.047,45. Volgens X. bedragen haar schulden in totaal f.94.000,-.

3.3. De rechtbank heeft -kort gezegd- geoordeeld dat X. ter zake van het ontstaan van een aantal telefoonschulden, aangegaan in zakelijk verband, en een schuld aan D. (ongeveer f.15.000,- respectievelijk f.32.000,-) niet te goeder trouw is geweest en dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen boedelactief te vergaren, redenen waarom het verzoek is afgewezen. Daartegen wordt in hoger beroep opgekomen, onder meer met de stelling dat de telefoonrekening staan op naam van X. echtgenoot, Y. en dat laatst genoemde niet aan X. schuldenaar is van de vordering van E.

3.4. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Ten behoeve van de onderneming van X. is vanaf 16 juni 1999 een reeks opeenvolgende contracten afgesloten met diverse telefoonmaatschappijen; de daaruit voortvloeiende schulden zijn veelal niet betaald. In de omstandigheden van het geval moet ervan worden uitgegaan dat deze schulden tot 1 januari 2001 de onderneming betreffen, ook al staan de contracten en facturen op naam van Y. De mobiele telefoons werden immers volgens de verklaring van X. gebruikt ten behoeve van de onderneming; voor prive-doeleinden had zij thuis een eigen, vaste telefoon. Kennelijk heeft Y. bij het afsluiten van de contracten gehandeld namens B. en met haar instemming en volmacht ten behoeve van de onderneming. De andere schulden die Y. in eigen naam is aangegaan, zijn blijkens uitlatingen van X. ter zitting eveneens schulden ten behoeve van de vennootschap of betreffen schulden die zijn ontstaan in het kader van hun gezamelijke huishouding.

3.5. Uitgaande hiervan, moet geoordeeld worden dat Y. deze schulden op zijn vrouw kan afwentelen als vennoot van de onderneming respectievelijk omdat zij zijn echtgenote is en deze schulden bij betaling door Y. door hem op haar verhaald kunnen worden.

3.6. Daarnaast is bij de mondelinge behandeling gebleken dat de onderneming ernstig is gebreke was bij het voldoen aan de op haar rustende verplichting een deugdelijke boekhouding bij te houden waaruit te allen tijde de rechten en verplichting kunnen blijken. Een balans over 1999 en 2000 is niet opgemaakt, terwijl ook overigens uit de administratie de bestaande rechten en verplichtingen van de onderneming niet kunnen worden aangerekend. Een en ander heeft tot gevolg dat nog staads schulden, daterend uit de tijd dat de onderneming werd geëxploiteerd, aan het licht treden, zoals ter zitting van het hof naar voren is gekomen. Door de gebrekkige boekhouding had Y. onvoldoende inzicht in de financiële situatie van de onderneming. Dat betekent dat Y. ten aanzien van het ontstaan van haar schulden niet te goeder trouw is geweest. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die ertoe zouden moeten leiden dat het verzoek van Y. desondanks zou moeten worden toegewezen.

3.7. De rechtbank heeft blijkens haar vonnis ambtshalve informatie ingewonnen bij de Stadsbank oost Nederland inzake de schulden aan de telefoonmaatschappijen. Mede op de daardoor verkregen gegevens haaft zij haar oordeel gebaseerd, zonder deze gegevens aan Y. voor te leggen. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof verwijst naar artikel 19 (1.3.1) van het wetsontwerp voor de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken (TK 2000-2001, 26 855), waarin onder meer is bepaald dat de rechter zijn oordeel niet ten nadele van een der partijen beseert op gegevens waarover die partij zich niet heeft kunnen uitlaten. Deze bepaling kan geacht worden het thans geldende recht weer te geven (vlg. HR 19 september 1994, NJ 1995, 7; HR 21 februari 1997, NJ 1998, 4; EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278).

Nu Y. in hoger beroep alsnog de gelegenheid heeft gehad haar zienswijze dienaangaande naar voren te brengen, is dit verzuim echter hersteld.

3.8. De gieren falen en het bestreden vonnis zal wo5rden bekrachtingd met verbetering van gronden.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigd het vonnis van de rechtbank te Almelo van 23 oktober 2001.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Groen en Hilverda en in tegenwoordigheid van de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2001.