Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AF0564

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2001
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2001-641
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het laten oplopen van de (huishoudelijke) schuldenlast tot ongeveer fl. 100.000,- in één jaar tijd vormt een afwijzingsgrond ondanks de door betrokkene aangevoerde omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

Arrest

in de zaak van:

X.,

en

Y.,

echtelieden,

wonende te P.,

appellanten,

procureur mr. J.M. Bosnak.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 september 2001 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: X., Y.) tot definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof verwijst naar voormeld vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. het geding in hoger beroep

2.1. Bij ter griffie van het hof per fax op 4 oktober 2001 en per gewone post op 5 oktober 2001 ingekomen verzoekschrift zijn X. en Y. in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

2.2. Bij voormeld verzoekschrift hebben X. en Y. het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen van toepassing te verklaren.

2.3. Het hof heeft kennis genomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2001, waarbij X. en Y. zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. P.M.H. Meiborg-Bartholomeus, advocaat te Almelo.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1. Het beroep is tijdig ingesteld.

3.2. X. en Y. zijn op 19 juli 1999 buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Blijkens de staat van aanbrengsten is destijds door X. een schuld van f.4.500,-- aangebracht en door Y. een schuld van f.12.000,-. Daarna is de totale gezamelijke schuldenlast van X. en Y. een tijdsbestek van ruim een jaar opgelopen tot ongeveer f.100.000,--. Tot de schuldenlast behoren onder meer een hypothecaire schuld van f.37.680,83, een schuld aan IDM Bank van f.18.670,64, een schuld aan Fait Credit Nederland van f.17.114,30 en diverse onbetaalde rekeningen van telefoon- en verzekeringsmaatschappijen.

3.3. Ter verklaring van het ontstaan van hun schuldenlast hebben X. en Y. aangevoerd dat X., die de financiële zaken regelde, eind 1999 een moeilijke bevalling heeft moeten doormaken en - daardoor- overspannen is geraakt. Voorts is het onkomen van Y. gedaald, omdat hij begin 2000 een aantal maanden werkeloos is geweest en daarna een lager salaris ontving dan voorheen.

3.4. Het hof is met de rechtbank van oordeel van X. en Y. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van het grootste deel van de schulden niet te goeder trouw - in de zin van artikel 288 lid 2 onder b van de Faillissementswet (Fw) - zijn geweest. De overspannenheid van X. kan -zonder nadere beschouwing- het ontstaan van een dergelijke hoge schuldenlast niet rechtvaardigen. Het had op de weg van X. en Y. gelegen eerder hulp te zoeken bij het op orde brengen van hun financiën. Dat zij het financieel tegenzat en Y. wegens werkeloosheid thuis was, zijn doorgegaan met het doen ontstaan van schulden.

3.5. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan X. en Y. desondanks zouden moeten worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken. X. en Y. hebben in dat kader aangevoerd dat zij sinds december 2000 meewerken aan een budgetbeheerregeling, leven van f.150,-- 'weekgeld'en hebben verklaard dat zij er alles aan willen doen om uit de financiële problemen te raken. Dat us naar 's hofs oordeel vooralsnog onvoldoende om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, gelet op de aard en de omvang van de niet te goeder trouw ontstane schulden en de relatief korte periode waarin die schukden zijn ontstaan.

3.6. Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat beide verzoeken moeten worden afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigd het vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 september 2001.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Van Wijland-Kalkman en Smeeïng-Van Hees en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2001.