Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AF0563

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-10-2001
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2001/606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek wordt onder meer afgewezen, omdat betrokkene zich eerst daadwerkelijk moet inspannen voor psychiatrische behandeling. Overigens beschouwt hij zijn schuldeisers als aasgieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

Arrest

in de zaak van:

X.,

Wonende te P.,

Appellant,

Procureur mr. J.H. Schaap.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 juni is het verzoek van appellant (hoerna te noemen X.) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling voorlopig toegewezen. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.M. Verhoeven mr. R.G.J.M. Konink.

Bij vonnis van die rechtbank van 4 september 2001 is het verzoek van X. tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof verwijst naar voormeld vonnis van 4 september 2001, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij ter griffie van het hof per fax op 12 september 2001 ingekomen verzoekschrift is X. in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

2.2. Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat hij alsnog wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.3. Het hof heeft kennis genomen van de bij verzoekschrift behorende stukken, alsmede van een brief van Konink voornoemd, bewindvoerder in de voorlopige schuldsanering, van 20 september 2001, ingekomen ter griffie van het hof op 21 september 2001, met bijlagen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2001, waarbij X. is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. B.A.M. Oude Breuil, advocaat te Enschede. Tevens is verschenen de bewindvoerder, Konink vooenoemd.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2. X. bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat gegronde vrees bestaat dat hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

3.3. Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting van het hof is besproken, is het volgende gebleken.

X. is 24 jaar en heeft de opleiding MEAO gevolgd. Hij ontvangt op grond van zijn psychische situatie een WAO-uitkering van f.1.524,-- netto per maand. Zijn totale schuldenlast bedraagt ongeveer f.36.000,--. Een groot deel van de schulden (ongeveer f.25.000,--) is ontstaan door de aanschaf van muziek- en computerapparatuur. X. heeft tot april 2000 de aflossing op zijn schulden betaald. Zijn ouders hebben hem in die periode middels een kort geding uit het huis doen zetten, zodat hij op zichzelf moest gaan wonen. Vanaf dat moment was X. niet langer in staat af te lossen op zijn schulden.

Op 30 maart 2000 heeft X. zijn vader bedreigd en volgens diens aangifte mishandeld, waarvoor X. strafrechtelijk wordt vervolgd. De behandeling van deze strafzaak heeft plaatsgevonden op 2 juli 2001 en is aangehouden. Voorts is X. in april 1999 wagens vernieling bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, die is omgezet in hechtenis, omdat X. met een beroep zijn psychische klachten (smetvrees) die arbeid weigerde uit te voeren.

3.4. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van X. om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren, moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

3.5. X. is momenteel wegens psychische klachten arbeidsongeschikt, maar dat X. zich daadwerkelijk inspant om die psychische klachten te laten behandelen en uit de huidige impasse te geraken, is onvoldoende aannemelijk geworden. Hij stelt weliswaar dat hij wekelijksgesprekken heeft bij Mediant (geestelijk gezongheidszorg) en dat hij bereid is tot opname in eigen kliniek maar een geplande opname is niet doorgegaan, omdat hij - naar eigen zeggen - niet tot de doelgroep behoorde. Voorts zegt X. er voor open te staan om samen met het GAK en Mediant te onderzoeken wat zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt zijn, maar van enig initatief van X. in die richting is niet gebleken, hetgeen gelet op zijn leeftijd en opleiding wel van hem mag worden verwacht. Dat X. bereid is zich in te zetten om uiteindelijk- door middel van betaalde arbeid zijn aflossingscapaciteit te vergroten en daarmee zijn schuldeisers tegemoet te komen is dan ook niet gebleken. Integendeel, X. heeft ter zitting verklaard dat hij zijn schuldeisers beschouwt als äasgieren"en dat hij zich gediscrimineerd voelt, omdat hij, terwijl hij moet leven van een WAO-uitkering, door hen wordt achtervolgd. Bovendien heeft X. verklaard dat hij in het kader van de tenuitvoerlegging van de hem op te leggen straf, wel onbetaalde arbeid wil verrichten om hechtenis te vookomen, omdat hij het op grond van zijn smetvrees niet mogelijk acht een tijd in de gevangenis door te brengen.

3.6. Voorts is gebleken dat X. niet wenst mee te werken aan verkoop van zijn muziek en computerapparatuur om die manier af te dragen aan de boedel. De verklaring van de raadsman van X. ter zitting dat X. daarmee, als het moet, wel zal instemmen, acht het hof gelet op de uitlating in dat verband van X. zelf tegenover de bewindvoerder en zowel ter zitting van de rechtbank (blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal) als ter zitting van het hof (X. heeft verklaard dat de mogelijkheid bestaat dat hij zich het leven zal benemen als hij - door verkoop van de muziekinstallatie niets heeft om voor te leven), onvoldoende.

3.7.Het hof komt dan ook tot de conclusie dat sprake is van gegronde vrees dat X. zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Het verzoek in hoger beroep dient daarom te worden afgewezen en het vonnis waarvan beroep zal worden gekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo van 4 september 2001.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Smeeïng-Van Hees en Van Eupen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2001.