Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD8569

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
99-03585
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zevende enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/03585

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997

nummer : [0.H.76]

mondelinge behandeling : op 12 december 2001 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende en zijn gemachtigde […], alsmede [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak bekend als [a-weg 1 te Z].

2. De onroerende zaak bestaat uit een door belanghebbende bewoonde woning met ondergrond, garage en erf, alsmede een jongveestal, loods, en paardenstal met boxen.

3. Ingevolge artikel 42a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) wordt voor de toepassing van dat artikel onder eigen woning verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, met de aanhorigheden daarvan, voor zover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, ter beschikking staat.

4. De jongveestal, loods, en paardenstal met boxen vormen aanhorigheden bij het door belanghebbende bewoonde gebouw en staan hem, anders dan ten behoeve van een onderneming, ter beschikking.

5. De jongveestal, loods, en paardenstal met boxen maken derhalve deel uit van de eigen woning in de zin van de onder 3. aangehaalde wetsbepaling. Een situatie als bedoeld in artikel 42a, lid 4, vierde volzin, van de Wet doet zich derhalve niet voor. De gehele onroerende zaak van belanghebbende vormt een eigen woning voor de toepassing van artikel 42a van de Wet. Eigen woning, in de zin van artikel 42a, lid 2, van de Wet, en onroerende zaak zijn in dezen aan elkaar gelijk.

6. Er bestaat dan ook, anders dan belanghebbende verdedigt, geen aanleiding bij het bepalen van het huurwaardeforfait de jongveestal, loods en paardenstal met boxen buiten aanmerking te laten. Het huurwaardeforfait dient derhalve te worden bepaald aan de hand van de voor de (gehele) onroerende zaak ingevolge hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) vastgestelde waarde van ƒ 279.000 (na ophoging op grond van artikel 42a, lid 4, tweede volzin, van de Wet: ƒ 332.000).

7. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat ten behoeve van de waardering voor de WOZ een taxatieverslag "niet-woningen" is opgemaakt en dat belanghebbende in 1995 nog vee hield in de ligboxenstal.

slotsom:

Het beroep is niet gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2001 door mr. drs. F.J.P.M. Haas, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Waerden als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(A.W.M. van der Waerden) (F.J.P.M. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 januari 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.