Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD8544

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
2000/810
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2001

eerste civiele kamer

rolnummer 2000/810 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1 [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2 [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

de coöperatie Zuivel Coöperatie Campina Melkunie U.A.,

gevestigd te Zaltbommel,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar het vonnis van 24 oktober 2000 dat de president van de rechtbank te Arnhem heeft gewezen tussen appellant sub 1 en geïntimeerde alsmede naar het vonnis van dezelfde datum dat dezelfde president heeft gewezen tussen appellant sub 2 en geïntimeerde. Een fotokopie van die vonnissen is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 3 november 2000 hebben appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten]) hoger beroep ingesteld tegen voormelde vonnissen, elke appellant tegen het hem betreffende vonnis, met dagvaarding van geïntimeerde (hierna te noemen: Campina) voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] elf grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof deze vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Campina alsnog zal veroordelen:

- de door de bedrijven van [appellanten] geproduceerde melk af te (doen) nemen, zonder [appellanten] te verplichten te beschikken over een KKM-certificering, zoals bedoeld in het Erkenningsreglement Veehouderijbedrijven van de Stichting Keten Kwaliteit Melk (KKM);

- aan [appellanten] uit te betalen de prijs voor de door hen bij Campina afgezette c.q. af te zetten melk zonder dat op deze prijs een inhouding of korting -in de ruimste zin van het woord- wordt toegepast dan wel zonder dat met deze prijs kosten worden verrekend welke direct of indirect verband houden met het ontbreken van een KKM-certificering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 2.000,= voor iedere dag dat Campina na betekening van dit arrest met nakoming hiervan in gebreke blijft;

- de reeds vanaf 1 april 2000 toegepaste inhouding op de melkprijs ongedaan te maken en aan [appellanten] uit te betalen het bedrag dat gelijk is aan het totaalbedrag dat tot op de dag waarop het in deze te wijzen arrest wordt betekend in verband met het ontbreken van de KKM-certificering reeds op de uitbetaling van de melkprijs is ingehouden, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van betaling;

- in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Campina heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens heeft Campina een akte houdende producties genomen, waarop [appellanten] hebben gereageerd bij antwoordakte tevens overlegging producties.

2.5 Ten slotte zijn de procesdossiers overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Tegen de overwegingen van de president in de beide vonnissen onder 2 inzake de vaststaande feiten zijn geen grieven gericht, zodat die feiten ook in hoger beroep vaststaan.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 De bestreden vonnissen betreffen hetzelfde geschilpunt, te weten de vraag:

- of Campina conform artikel 9.2 sub d van haar statuten mag verlangen van [appellanten] dat zij beschikken over de erkenning van KKM en

- of Campina wegens het ontbreken van die erkenning een korting op de door haar aan [appellanten] betaalde melkgelden mag dan wel heeft mogen toepassen, waarbij van belang is dat de door [appellanten] geleverde melk voldoet aan alle wettelijke eisen en materieel ook aan de KKM-eisen.

4.2 Het hof verwerpt de eerste grief waarin wordt betoogd dat Campina ingevolge artikel 2:59 van het Burgerlijk Wetboek niet gerechtigd is om door middel van een besluit van de coöperatie wijzigingen aan te brengen in de met haar leden aangegane overeenkomsten. Gelet op het in de bestreden vonnissen onder 2.i vermelde vaststaande feit heeft het onderhavige besluit tot statutenwijziging alleen gevolg voor de melkprijs. Campina heeft met juistheid erop gewezen dat de wijze van berekening van het melkgeld is geregeld in artikel 10 van de statuten. Dit maakt dus geen onderdeel uit van de overeenkomsten.

4.3 Ook de tweede grief faalt. Het besluit waarbij artikel 9.2 sub d is toegevoegd aan de statuten, is genomen in de ledenraadsvergadering van Campina van 19 mei 1999. [appellanten] hebben niet binnen een jaar daarna de vernietiging van dit besluit ingeroepen, zodat de bevoegdheid om de vernietiging van het besluit te vorderen, is vervallen.

4.4 De grieven 3 tot en met 7 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze hebben betrekking op de vraag of Campina handelt dan wel heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van de Mededingingswet (Mw).

4.5 Het hof beantwoordt deze vraag, voorshands geoordeeld, bevestigend. In het besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit (d-g NMa) van 14 maart 2000 is geoordeeld dat, indien de artikelen 9 tot en met 12 van het Reglement Aangeslotenen van KKM nog zouden gelden, het merkbare mededingingsbeperkende effect van deze artikelen zou worden getroffen door het verbod van artikel 6 lid 1 Mw. Daaraan heeft de d-g NMa onder 28 de volgende overweging toegevoegd:

"dat het buiten toepassing laten van de artikelen 9 t/m 12 van het Reglement Aangeslotenen niet automatisch betekent dat de inbreuk op artikel 6 Mw ongedaan wordt gemaakt. Dit hangt samen met het marktgedrag van de aangesloten melkverwerkende bedrijven. Indien één of meerdere melkverwerkende bedrijven hun marktgedrag, dat aanvankelijk was gebaseerd op de mededingingsbeperkende artikelen 9 t/m 12 van het Reglement Aangeslotenen, na beëindiging daarvan zouden voortzetten, vormt dit een inbreuk op het verbod van artikel 6, lid 1, Mw."

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft Campina haar marktgedrag, dat aanvankelijk was gebaseerd op de artikelen 9 tot en met 12 van het Reglement Aangeslotenen, getuige het verslag van de ledenraadsvergadering van 19 mei 1999 en het aldaar genomen besluit tot opneming van artikel 9.2 sub d in haar statuten, ongewijzigd voortgezet. De stelling van Campina dat zij dit beleid in eigen autonomie heeft bepaald en dat geen sprake is van enige betrokkenheid bij "overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemingsverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen" in de zin van artikel 6 Mw, wordt verworpen. Nu Campina niet gemotiveerd de stelling van [appellanten] heeft betwist dat niet alleen Campina, maar ook de overige zuivelverwerkende bedrijven haar marktgedrag ongewijzigd hebben voortgezet alsof de artikelen 9 tot en met 12 van het Reglement Aangeslotenen nog steeds van kracht zijn, moet voorshands de conclusie worden getrokken dat kennelijk sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen van de betrokken zuivelverwerkende bedrijven. Daarnaast geldt dat blijkens voormeld citaat de d-g NMa het standpunt inneemt dat reeds indien één melkverwerkend bedrijf bedoeld marktgedrag voortzet, dit een inbreuk vormt op het verbod van artikel 6 lid 1 Mw.

Voor het voorlopig oordeel dat Campina inbreuk maakt op het verbod van artikel 6 lid 1 Mw, maakt het geen verschil dat Campina niet weigert dan wel niet heeft geweigerd de melk van [appellanten] af te nemen, maar een korting toepast dan wel heeft toegepast op de door haar te betalen melkprijs aan de leverancier die geen KKM-erkenning heeft zoals [appellanten]. Immers, door die korting, die in korte tijd is opgelopen tot 10 cent per kilogram, worden/zijn [appellanten] als het ware gedwongen zich neer te leggen bij de eis van KKM-erkenning, waardoor de mededinging wordt beperkt. In dit kader is van belang dat in voormeld besluit van de d-g NMa onder 13 is overwogen: "Daarbij heeft de d-g NMa expliciet benadrukt er aan te hechten dat er zodanige publiciteit aan het buiten toepassing laten van de artikelen 9 t/m 12 zou worden gegeven, dat duidelijk wordt dat melkveehouders die aan de wettelijke eisen ter zake van door hen geproduceerde melk bestemd voor menselijke consumptie voldoen, deze melk op gelijke wijze als voorheen moeten kunnen blijven leveren."

4.6 Het feit dat het Productschap Zuivel voornemens is het KKM-systeem in een publiekrechtelijke regeling te verankeren, maakt voorgaand oordeel niet anders. Hetzelfde geldt voor het door Campina bij akte van 25 september 2001 overgelegde besluit van de d-g NMa van 1 juni 2001. Dit besluit houdt feitelijk niet méér in dan dat de behandeling van de klacht van [appellanten] tegen het voornemen van Campina om per 1 mei 2001 melk van niet KKM-gecerticeerde bedrijven te weigeren, niet opportuun geacht wordt, nu Campina sinds 1 mei 2001 onverminderd melk afneemt van [appellanten]. Voorts is in dit besluit (ten overvloede) overwogen dat, als toch gesproken zou kunnen worden van een inbreuk op de Mw door Campina, dan de economische impact van de overtreding als zeer gering wordt beschouwd gelet op het feit dat het gewijzigde ophaalbeleid voor slechts een klein aantal melkveehouders gevolgen kan hebben. Deze overweging doet naar het voorlopig oordeel van het hof niet af aan het oordeel van de d-g NMa in het besluit van 14 maart 2000 onder 26 en 27 dat de omstandigheid dat het melkveehouders die aan alle wettelijke eisen voldoen, maar niet KKM erkend zijn, de facto onmogelijk wordt gemaakt om hun melk af te zetten doordat niet bij KKM aangesloten melkverwerkende bedrijven slechts een marktaandeel hebben van 2%, een merkbare mededingingsbeperking oplevert. Nu, zoals onder 4.5 is overwogen de stelling van [appellanten] dat niet alleen Campina, maar ook de overige zuivelverwerkende bedrijven haar marktgedrag ongewijzigd hebben voortgezet, niet gemotiveerd is betwist, moet worden aangenomen dat nog steeds sprake is van een merkbare mededingingsbeperking.

4.7 De overige grieven behoeven geen bespreking meer.

4.8 De conclusie is dat de bestreden vonnissen zullen worden vernietigd. De vorderingen van [appellanten] moeten worden toegewezen. De omstandigheid dat Campina tijdelijk heeft afgezien van het vereiste van de KKM-erkenning en het toepassen van kortingen op de melkprijs, is onvoldoende reden om de vorderingen van [appellanten] niet ongewijzigd toe te wijzen. Wel zal de gevorderde dwangsom worden gematigd en gemaximeerd. Campina zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de president van de rechtbank te Arnhem van 24 oktober 2000;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Campina om de door de bedrijven van [appellanten] geproduceerde melk af te (doen) nemen, zonder [appellanten] te verplichten te beschikken over een KKM-certificering, zoals bedoeld in het Erkenningsreglement Veehouderijbedrijven van de Stichting Keten Kwaliteit Melk (KKM);

veroordeelt Campina om aan [appellanten] uit te betalen de prijs voor de door hen bij Campina afgezette c.q. af te zetten melk zonder dat op deze prijs een inhouding of korting -in de ruimste zin van het woord- wordt toegepast dan wel zonder dat met deze prijs kosten worden verrekend welke direct of indirect verband houden met het ontbreken van een KKM-certificering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 1.000,= voor iedere dag dat Campina na betekening van dit arrest met nakoming hiervan in gebreke blijft, met een maximum van f 100.000,=;

veroordeelt Campina om de reeds vanaf 1 april 2000 toegepaste inhouding op de melkprijs ongedaan te maken en om aan [appellanten] uit te betalen het bedrag dat gelijk is aan het totaalbedrag dat tot op de dag waarop dit arrest wordt betekend in verband met het ontbreken van de KKM-certificering reeds op de uitbetaling van de melkprijs is ingehouden, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van betaling;

veroordeelt Campina in de kosten van het geding in beide instanties,

tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op:

- voor de eerste aanleg:

* ten aanzien van [appellant sub 1] f 536,01 aan verschotten en f 775,= voor salaris;

* ten aanzien van [appellant sub 2] f 503,64 aan verschotten en f 775,= voor salaris;

- voor het hoger beroep ten aanzien van [appellanten] f 554,50 aan verschotten en f 2.550,= voor salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Smeeïng-Van Hees en Hilverda, en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 4 december 2001.