Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD8113

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
01-01005
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/777
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/01005

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z] (BRD)

verweerder : de heffingsambtenaar van de gemeente Enschede (hierna: de Ambtenaar)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

soort belasting : parkeerbelasting

nummer naheffingsaanslag : […]

mondelinge behandeling : op 6 december 2001 te Arnhem door mr. Matthijssen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Van Well als griffier

waarbij verschenen : [belanghebbendes gemachtigde alsmede de Ambtenaar]

gronden:

1. Belanghebbende heeft op zaterdag 18 november 2000 een auto van het merk BMW, kleur rood, voorzien van het kenteken [AA-BB-000], geparkeerd, met een voor dit voertuig door [Q (BRD)] afgegeven invalidenparkeerkaart duidelijk zichtbaar achter de voorruit, op de Boulevard-1945 in de gemeente Enschede op een invalidenparkeerplaats waar voor het parkeren van een voertuig parkeerbelasting moest worden voldaan. Op het tijdstip van de controle, 15.36 uur, was ter zake van dit parkeren geen parkeerbelasting voldaan.

2. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat hij in het bezit is van een invalidenparkeerkaart en bij de onderhavige invalidenparkeerplaats niet afzonderlijk een parkeermeter was geplaatst.

3. De Ambtenaar maakt aannemelijk dat door bebording en plaatsing van parkeerautomaten voldoende duidelijk is aangegeven dat met betrekking tot de door belanghebbende gebruikte parkeerplaats een (algemene) belastingplicht geldt.

4. De Ambtenaar neemt terecht het standpunt in dat een invalidenparkeerkaart in de gemeente Enschede (slechts) het recht geeft om het desbetreffende voertuig op een invalidenparkeerplaats te parkeren, maar niet tevens recht geeft op vrijstelling van een eventueel ter plekke geldende parkeerbelastingplicht.

5. Anders dan belanghebbende betoogt stelt de Verordening parkeerbelastingen in artikel 1, onderdeel a, in verbinding met artikel I, aanhef en onderdeel d, van de bij de Verordening behorende Tarieventabel, de verschuldigdheid van parkeerbelastingen ter zake van het (met vergunning) parkeren op invalidenparkeerplaatsen niet afhankelijk van de plaatsing bij de desbetreffende parkeerplaatsen van (afzonderlijke) parkeermeters. In deze bepalingen is slechts geregeld dat voor het parkeren van een motorvoertuig op een invalidenparkeerplaats een gereduceerd tarief geldt indien de desbetreffende parkeerplaats is voorzien van een (eigen) parkeermeter. De strekking van de regelingen is kennelijk dat in gevallen waarin geen (afzonderlijke) parkeermeter bij een invalidenparkeerplaats is geplaatst, het normale tarief geldt.

6. De door belanghebbende verdedigde standpunten vinden geen steun in de Verordening parkeerbelastingen en de bijbehorende Tarieventabel van de gemeente Enschede.

7. De regelingen waarop belanghebbende voorts een beroep doet (artikel 26 en 86 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 alsmede artikel 18, eerste lid, van het EG-verdrag) voorzien in een bevoegdheid om met een invalidenparkeerkaart gebruik te maken van invalidenparkeerplaatsen, maar niet in vrijstelling van een eventueel ter plaatse bestaande parkeerbelastingplicht.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Ambtenaar.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2001 door mr. Matthijssen, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Well als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(M.C.G.J. van Well) (T.J. Matthijssen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 december 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.