Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD8110

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2001
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
97-22023
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/834
FutD 2002-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 97/22023

U i t s p r a a k

op het beroep van HOTEL RESTAURANT [X] te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de sectordirecteur financiën van de gemeente Rijssen (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde -met andere aanslagen op één aanslagbiljet verenigde- aanslag rioolrecht.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 voor de onroerende zaak [a-weg 1] een aanslag rioolrecht ("riool grootv") opgelegd naar een hoeveelheid afgevoerd afvalwater van 7037 m³ en ten bedrage van ƒ 5.002,-. Na vergeefs bezwaar bij de ambtenaar is belanghebbende in beroep gekomen bij het Hof. De ambtenaar heeft een vertoogschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de ambtenaar een conclusie van dupliek.

Een mondelinge behandeling van het beroep heeft met schriftelijke toestemming van partijen niet plaatsgevonden.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. De raad van de gemeente Rijssen heeft in zijn vergadering van 8 november 1996 vastgesteld de Verordening rioolrecht 1997 (hierna: de Verordening).

2.2. In de Verordening wordt, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

Artikel 2

belastbaar feit en belastingplicht

Onder de naam "rioolrecht" wordt een recht geheven van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direkt of indirekt op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

Als gebruiker wordt aangemerkt:

a) degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; (…..)

Artikel 4

heffingsmaatstaf

1. Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat

vanuit het eigendom wordt afgevoerd.

2. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 52 weken, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.

3. (…..)

4. De op de voet van het 2e lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt warer wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd.

Artikel 5

tarief

Het recht als bedoeld in artikel 2 bedraagt bij een hoeveelheid afgevoerde kubieke meters afvalwater van:

a) 500 kubieke meters of minder ƒ 147,00;

b) meer dan 500 kubieke meters, doch niet meer dan 5.000 kubieke meters ƒ 147,00, vermeerderd met ƒ 79,00 per volle eenheid van 100 kubieke meters, waarmee de hoeveelheid van 500 kubieke meters overschreden wordt;

c) meer dan 5.000 kubieke meters, doch niet meer dan 10.000 kubieke meters ƒ 3.702,00, vermeerderd met ƒ 65,00 per volle eenheid van 100 kubieke meters, waarmee de hoeveelheid van 5.000 kubieke meters overschreden wordt;

d) meer dan 10.000 kubieke meters ƒ 6.952,00, vermeerderd met ƒ 31,00 per volle eenheid van 100 kubieke meters, waarmee de hoeveelheid van 10.000 kubieke meters overschreden wordt.

2.3. Met toepassing van artikel 5 van de Verordening is het verschuldigde recht als volgt berekend:

- op grond van letter a 500m³ ƒ 147,-

- op grond van letter b (5.000m³ - 500 m³)/100= 45 (volle) eenheden x ƒ 79,00 3.555,-

- op grond van letter c (7.037m³ - 5.000 m³)/100 = 20 (volle) eenheden x ƒ 65,- 1.300,-

ƒ 5.002,-

Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het in de Verordening opgenomen tarief leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing, welke vraag belanghebbende bevestigend en de ambtenaar ontkennend beantwoordt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslag. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende geeft in zijn beroepschrift een overzicht van het verschuldigde bedrag aan rioolrecht per kubieke meter geloosd water bij een uiteenlopende omvang van het aantal geloosde kubieke meters. Hij ontleent aan dat overzicht "het sterke vermoeden dat via de tariefstelling inkomenspolitiek wordt gevoerd, anders gezegd dat in de tariefstelling met draagkrachtelementen rekening wordt gehouden.". Het Hof kan belanghebbende in die opvatting niet volgen. Het begrip "draagkracht" veronderstelt een min of meer rechtstreeks verband tussen de hoogte van de gevraagde bijdrage en de hoogte van het inkomen en/of vermogen, waaruit die bijdrage zal moeten worden voldaan.

4.2. De ambtenaar heeft er echter terecht -onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 5 van de Verordening- op gewezen dat de differentiatie in tarief aanknoopt bij verschillen in waterverbruik en niet bij verschillen in inkomen en/of vermogen. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de mate van waterverbruik in tenminste betekenende mate samenhangt met financiële draagkracht. Er is derhalve geen sprake van een tarief als door belanghebbende gesteld.

4.3. De vaststelling van het tarief is voorbehouden aan de gemeenteraad. Voor ingrijpen van de rechter in de tariefstelling is slechts plaats indien deze leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing.

4.4. De in artikel 4 van de Verordening gehanteerde heffingsmaatstaf, gecombineerd met een tariefstelling als in artikel 5 opgenomen bewerkt dat iedere gebruiker in de heffing wordt betrokken.

4.5. Het Hof begrijpt belanghebbendes standpunt aldus dat hij stelt dat het onder 4.4 genoemde samenstel van heffingsmaatstaf en tarief in zijn geval leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing.

4.6. De ambtenaar heeft gemotiveerd en onweersproken gesteld dat 84% van het waterverbruik binnen de categorie van 0-500 m³ valt en dat deze groep 91% van het totaalbedrag aan rioolafvoerrecht opbrengt. In deze categorie wordt per belastingplichtige een bedrag van ƒ 147,-- betaald voor een gebruik van -naar door de ambtenaar onweersproken is gesteld - gemiddeld 150 m³ (gemiddeld ƒ 0,98 per m³). Het vaste tarief voor deze categorie is om -te billijken- praktische redenen gekozen. Het staat de gemeenteraad vrij binnen grenzen van redelijkheid -zoals in dit geval- groepen gebruikers met verschillend waterverbruik aan hetzelfde tarief te onderwerpen.

Onbestreden is voorts dat in totaal 9% van het rioolafvoerrecht in 1997 is opgebracht door belastingplichtigen die in totaal 16% van het waterverbruik voor hun rekening namen (categorie 600 m3 en hoger, de categorie waartoe belanghebbende behoort). Een tariefstelling die tot dergelijke uitkomsten leidt levert evenmin een willekeurige of onredelijke belastingheffing op. Van een situatie als in HR 20 september 1995, nr. 30567, BNB 1995/315 aan de orde is hier, anders dan belanghebbende meent, uitdrukkelijk geen sprake.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 28 december 2001 door mr. Van Schie, voorzitter, mr. N.E. Haas en mr. Lamens in tegenwoordigheid van mr. Van Hoorn als griffier.

(E.M. van Hoorn) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 december 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.