Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD8057

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2001
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
00-01509
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AI0416
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AI0416
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/32.3.3
FutD 2002-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 00/01509

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap [X] Holding B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag vennootschapsbelasting 1996, aanslagnummer [0.V.66.0112].

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof.

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 692.959,-, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek. Belanghebbende heeft haar standpunt ter nagenoemde zitting nader toegelicht door middel van een pleitnotitie, welke als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 22 augustus 2001 van het Hof te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde] alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de weder-partij niet weersproken of onvoldoende besproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende, is op 31 maart 1989 onder de naam [A] Assurantiën B.V (hierna: Assurantiën B.V.), opgericht door haar directeur [A-1], geboren op 30 januari 1949. De vennootschap had als doelstelling het verlenen van bemiddeling bij het tot stand brengen van verzekeringen, het deelnemen in en het voeren van beheer over andere ondernemingen, alsmede het verrichten van alle andere daden van koophandel welke uit het voorschrevene voortvloeien, daartoe bevorderlijk kunnen zijn of daarmede verband houden.

Bij statutenwijziging van 4 november 1996 is de naam veranderd in "[A-Z] Holding BV" en is de doelstelling gewijzigd in het deelnemen in, het voeren van beheer en directie over en het samenwerken met vennootschappen en ondernemingen, het (doen) financieren daarvan - ook door middel van het stellen van zekerheden - en het zich sterk maken, met name ten behoeve van of voor die waarmee de vennootschap in een groep is verbonden, alsmede het verrichten van al hetgeen uit het voorschrevene voortvloeit, daartoe bevorderlijk kan zijn of daarmede verband houdt.

2.2. Blijkens de tot de gedingstukken behorende akte van inbreng en bekrachtiging van 31 maart 1989 komen alle winsten en verliezen van de tot dan toe door [A-1] gedreven onderneming vanaf 1 januari 1988 voor rekening van Assurantiën B.V. Op het moment van de inbreng beliep de fiscale oudedagsreserve die was bestemd voor het bedingen van een stamrecht als bedoeld in artikel 44f juncto 44j van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ƒ 130.043,-.

2.3. In de stamrechtovereenkomst is bepaald dat [A-1] bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd jegens Assurantiën B.V. aanspraak heeft op een dadelijk ingaande periodieke uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet, te zijner keuze, hetzij uitsluitend op zijn eigen leven, hetzij geheel of gedeeltelijk mede op het leven van zijn echtgenote, hetzij van zijn echtgenote alleen, tot het jaarlijks bedrag, dat volgens de tarieven van een door hem aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij op die dag kan worden verkregen voor een koopsom, welke gelijk is aan de sinds 31 maart 1989 tegen zeven per cent per jaar opgerente som van ƒ 130.043,- met dien verstande dat partijen daarbij in zodanige mate rekening zullen houden met de omstandigheid dat deze periodieke uitkering niet van een levensverzekeringsmaatschappij is bedongen als alsdan door de fiscus casu quo de belastingrechter toegelaten zal worden.

Indien [A-1] vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd overlijdt gelden soortgelijke aanspraken voor de echtgenote en/of de minderjarige kinderen van [A-1], ten belope van de tot aan het tijdstip van diens overlijden opgerente bedrag van ƒ 130.043,-.

2.4. Overeenkomstig de bepalingen van de stamrechtovereenkomst is de stamrechtverplichting van belanghebbende tot en met 1995 gewaardeerd met inachtneming van een rekenrente van 7 percent per jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gerichte lijfrente en dat voor het berekenen van de waarde van de stamrechtverplichting per ultimo 1996 - in afwijking van de in de stamrechtovereenkomst vermelde datum 31 maart 1989 - moet worden uitgegaan van de datum 1 januari 1988, op welk tijdstip de stand van de fiscale oudedagsreserve ƒ 130.043,- beliep. Eveneens is niet in geschil dat de waarde van het stamrecht op basis van die gegevens per 31 december 1996 op ƒ 239.079,- en per einddatum, 30 januari 2014 op ƒ 759.611,- is te stellen.

2.5. In haar aangifte vennootschapsbelasting 1996 heeft belanghebbende voornoemde stamrechtverplichting gewaardeerd op basis van het systeem waarbij de waarde van de uitkering per 30 januari 2014 per balansdatum contant is gemaakt tegen een rekenrente van 4 percent. Belanghebbende heeft op grond daarvan de verplichting per 31 december 1996 gewaardeerd op ƒ 388.664,- en terzake een vrijval ten opzichte van de in de jaarrekening vermelde verplichting geconstateerd van ƒ 9.794,-. De Inspecteur heeft deze systeemwijziging niet geaccepteerd en de vrijval ten behoeve van de winst berekend op ƒ 159.379,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil op welke wijze belanghebbende haar stamrechtverplichting per 31 december 1996 mag waarderen.

Belanghebbende concludeert:

- primair tot een waarde van ƒ 388.664,- met inachtneming van een rekenrente van 4 percent;

- subsidiair tot een waarde van ƒ 330.059,- met inachtneming van een rekenrente van 5 percent

- meer subsidiair tot een waarde van ƒ 288.964,- met in achtneming van een specifiek aan het jaar 1996 toe te rekenen daling van de rente van 6 per cent naar 5 percent.

De Inspecteur concludeert tot een waarde van ƒ 239.079,- met inachtneming van de in de stamrechtovereenkomst genoemde rente van 7 percent. Deze waarde is naar zijn oordeel eerder te laag dan te hoog omdat nog geen rekening is gehouden met de kans op vooroverlijden.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting is daaraan het volgende toegevoegd.

Namens belanghebbende:

In eerste termijn

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 november 1994, BNB 1995/60 de tot dan toe geaccepteerde waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer met gebruikmaking van de lineaire methode in zoverre ingeperkt dat ook rekening moet worden gehouden met de rentefactor. Genoemd college heeft echter niet aangegeven dat ook de sterftefactor moet worden meegenomen.

Zo al met de sterftekansen rekening zou moeten worden gehouden, is van belang dat ultimo 1996 vier personen in aanmerking konden komen voor een uitkering uit hoofde van de stamrechtovereenkomst, te weten: de heer Jansen, zijn echtgenote en zijn twee minderjarige kinderen van 7 respectievelijk 17 jaar oud. De actuariële berekeningen voor de verschillende situaties die zich te dezen kunnen voordoen zijn zeer complex en de uitkomst daarvan zal zijn dat van de sterftekans slechts een gering waardedrukkend effect uitgaat.

Het tot het goed koopmansgebruik te rekenen eenvoudsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel staan toe dat bij de waardering van de onderhavige verplichting geen rekening wordt gehouden met sterftekansen. Bij de waardering van de stamrechtverplichting kan rekening worden gehouden met een lagere rekenrente dan de overeengekomen 7 percent. Het stellen van de voorziening op een lager bedrag dan de waarde in het economische verkeer is in strijd met goede koopmansgebruik.

In tweede termijn

De gemachtigde zou akkoord gegaan zijn met het door het Hof ter zitting voorgestelde compromis, maar nu de Inspecteur daartoe niet bereid is, is dit buiten de orde.

Hij wijst er nogmaals op dat een actuariële berekening zeer complex is.

Namens de Inspecteur:

In eerste termijn

Na te kennis te hebben genomen van het voorlopig oordeel van het Hof dat goed koopmansgebruik zich er niet tegen verzet dat de verplichting per einddatum contant wordt gemaakt met inachtneming van een marktrente van 5 percent verklaart hij uitdrukkelijk niet akkoord te willen gaan met een waarde per 31 december 1996 van ƒ 330.059 omdat daarbij geen rekening is gehouden met de sterftekans. Ook al is de sterftekans naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval kennelijk niet substantieel en ook niet (eerder) in cijfers tot uitdrukking gebracht, dit neemt niet weg dat in beginsel met de sterftekans rekening moet worden gehouden. Hij wil de mogelijkheid open houden om in cassatie te gaan.

In tweede termijn

Binnen de Belastingdienst is gesproken over de berekening van de sterftekansen, maar om praktische redenen is die buiten beschouwing gebleven. Hij gaat er voor het jaar 1996 dan ook mee akkoord dat de sterftekansen om praktische redenen buiten beschouwing worden gelaten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag

- primair tot een belastbaar bedrag van ƒ 543.374,-;

- subsidiair tot een belastbaar bedrag van ƒ 601.979,- en

- meer subsidiair tot een belastbaar bedrag van ƒ 643.074.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In zijn arrest van 28 juni 2000, nr. 34 169, BNB 2000/275c, is de Hoge Raad teruggekomen van zijn in eerdere jurisprudentie gegeven oordeel dat bij de bepaling van de omvang van de op de balans op te nemen pensioenverplichting ter zake van een nog niet ingegaan pensioen het doelvermogen in verband met de onbepaalbaarheid van de toekomstige rentestand niet behoeft te worden berekend met inachtneming van de door de verzekeringsmaatschappij te verlenen rentestandkortingen. De Hoge Raad komt in het arrest tot het nadere oordeel dat de onbepaalbaarheid van de toekomstige rentestand onvoldoende motivering biedt om pensioen- en lijfrenteverplichtingen wat de te hanteren rekenrente betreft anders te waarderen dan andere langlopende verplichtingen. De voor laatstgenoemde verplichtingen te hanteren rekenrente wordt bepaald door de marktrente voor langlopende leningen. Een en ander houdt in dat voornoemde verplichtingen - zowel de reeds ingegane als de niet ingegane - op de winstbepalende balans worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichtingen, met dien verstande dat bij een nadien optredende daling van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig hoger mogen worden gewaardeerd en bij een nadien optredende stijging van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig lager moeten worden gewaardeerd doch niet lager mogen uitkomen dan op hun oorspronkelijke waardering.

4.2. Het Hof kan de Inspecteur niet volgen in zijn betoog dat voornoemd arrest van 28 juni 2000 slechts zou zien op de situatie waarin sprake is van een verplichting tot het periodiek uitkeren van nominale of geïndexeerde pensioenen of lijfrenten waarbij rekening moet worden gehouden met in de toekomst te verwachten (voorzichtig in te schatten) rendementen. Een dergelijke beperking valt in dat arrest niet te lezen en volgt met name ook niet uit het in datzelfde arrest door de Hoge Raad uitgesproken oordeel dat goed koopmansgebruik niet toestaat dat op een lagere rentestand dan de (actuele) marktrente wordt vooruit gelopen.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de marktrente in het onderhavige jaar 5 percent beliep en dat de stamrechtverplichting per 31 december 1996 zonder rekening te houden met de sterftekansen, ƒ 330.059 beloopt. Nu de Inspecteur ermee heeft ingestemd om de waardedrukkende invloed van de sterftekans voor het onderhavige jaar om praktische redenen buiten beschouwing te laten, stelt het Hof de waarde van voornoemde verplichting in overeenstemming met het subsidiaire standpunt van belanghebbende vast op ƒ 330.059,-.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van belanghebbende gedeeltelijk gegrond is en dat de uitspraak moet worden vernietigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof berekent deze kosten op 2,5 × ƒ 710 × wegingsfactor 1,5 oftewel ƒ 2.662,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 601.979,-;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 450,-;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 2.662,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 28 december 2001 door mr. Van Schie, voorzitter, mr. Matthijssen en mr. Lamens, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Den Ouden als griffier.

(R den Ouden) (P.M van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 december 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.