Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD8029

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
10-01-2002
Zaaknummer
00-00624
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/00624

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998

nummer : [0.H86]

zitting : op 20 november 2001 te Arnhem

waarbij verschenen : [A-X], namens belanghebbende, en [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende is gedurende ten minste vier dagen per week werkzaam bij de sociale werkplaats [a te Q]. Om naar zijn werk te gaan maakt hij gebruik van eigen vervoer. In 1998 ontving hij van zijn werkgever ƒ 1.744 aan reiskostenvergoeding. Hoewel hij geen gebruik maakt van vervoer vanwege de werkgever heeft belanghebbende daarvoor wel een eigen bijdrage van ƒ 881 aan zijn werkgever betaald.

2. Voormelde bedragen zijn gebaseerd op de vervoersregeling woon- werkverkeer die geldt voor de medewerkers van de sociale werkplaats. Hierin staat, voor zover van belang voor het onderhavige geval, het volgende vermeld:

' Voor SW-medewerkers m/v., die gebruik willen maken van de vervoersmogelijkheden welke [a] biedt, geldt het volgende:

a) (…)

b) De medewerker kan ook kiezen voor een vergoeding in geld, die overeenkomt met de (laagste) kosten van openbaar vervoer voor het woon-/werktraject. De reiskostenvergoeding wordt samen met het salaris uitbetaald en kan niet apart worden gedeclareerd (…)

c) (…)

d) (…)

e) Van de medewerkers die gebruik maken van de vervoersmogelijkheden die [a] biedt, wordt een eigen bijdrage verwacht.'

3. Het belastbare inkomen is door de Inspecteur na bezwaar vastgesteld op ƒ 30.050, waarbij hij voor reiskosten een aftrek van ƒ 306 heeft verleend. Hierbij is hij uitgegaan van het in artikel 8, eerste lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling) genoemde forfait van ƒ 2.050 minus de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding van ƒ 1.744, welk laatste bedrag hij niet heeft verminderd met de door belanghebbende aan zijn werkgever betaalde eigen bijdrage van ƒ 881. Belanghebbende gaat uit van een aftrek voor reiskosten van ƒ 1.187, aangezien hij, anders dan de Inspecteur, van mening is dat de eigen bijdrage wel in mindering moet worden gebracht op de van de werkgever ontvangen vergoeding.

4. In geschil is de vraag welk bedrag als aftrekbare kosten in de zin van artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 juncto artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling, op de inkomsten uit arbeid van belanghebbende in mindering kan worden gebracht.

5. Het Hof is van oordeel dat het door belanghebbende betaalde bedrag aan eigen bijdrage zozeer in dezelfde sfeer ligt als de van de werkgever ontvangen vergoeding, dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt bij de berekening van het bedrag aan aftrekbare kosten met deze eigen bijdrage rekening te houden. Dit heeft tot gevolg dat belanghebbende ƒ 1.187 als aftrekbare reiskosten in mindering kan brengen op zijn inkomsten uit arbeid.

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 29.169, en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- gelast de Inspecteur het griffierecht van ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2001 door mr. J.B.H. Röben, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G.J. van Well als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(M.C.G.J. van Well) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 december 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.