Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD7309

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
19-12-2001
Zaaknummer
99-03477
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HR

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/ 03477

U i t s p r a a k

op het beroep van [X te Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aan belanghebbende opgelegde aanslag, gedagtekend 12 februari 1998, is berekend naar een belastbaar inkomen van f 135.017 met inachtneming van een belastingvrije som van f 7.003. Aan heffingsrente is f 202 berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 18 oktober 1999 het bezwaar afgewezen.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met bijlagen is ter griffie ontvangen op 24 november 1999.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Ter zitting van het Hof van 2 oktober 2001 te Arnhem zijn verschenen en gehoord belanghebbende en [de Inspecteur].

2.4. Ter zitting heeft belanghebbende overgelegd een afschrift van de uitspraak Hof Amsterdam 18 november 1999, nr. 98/3831. Met toestemming van de Inspecteur wordt deze uitspraak tot de gedingstukken gerekend.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende is gehuwd met [X-Y]. Belanghebbende is werkzaam in loondienst als assurantiemakelaar te [Q]. In 1997 beliep het genoten loon f 151.768.

3.2. Belanghebbendes echtgenote verricht gedurende circa 20 uur per week werkzaamheden ten behoeve van de arbeid in dienstbetrekking van belanghebbende. In 1990 hebben de echtelieden in verband hiermee een overeenkomst.gesloten en op schrift gesteld. Door de werkzaamheden van de echtgenote ontvangt belanghebbende een hoger (provisie)loon. De door belanghebbende aan de echtgenote toegekende beloning van f 1.500 per maand wordt maandelijks door de werkgever van belanghebbende gestort op een bankrekening die staat ten name van de echtelieden.

3.3. Belanghebbendes collega's hebben geen partner die hen assisteert en verdienen niet om die reden een hoger loon.

3.4. Bij de aangifte van belanghebbende over het onderhavige jaar hebben belanghebbende en de echtgenote schriftelijk verzocht om toerekening aan de meewerkende echtgenote van een arbeidsbeloning van f 18.000. Belanghebbende heeft het bedrag van f 18.000 als aftrekbare kosten op zijn inkomsten uit dienstbetrekking in mindering gebracht.

3.5. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van de aan de echtgenote toegekende beloning is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 5, lid 7, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), dat met de werkzaamheden van de echtgenote de gebruikelijke hulp en bijstand tussen echtgenoten wordt overschreden en dat het bedrag in de gegeven omstandigheden reëel is.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of met betrekking tot het bedrag van f 18.000 sprake is van een bedrag dat niet tot het inkomen van belanghebbende moet worden gerekend. Meer in het bijzonder is in geschil of met betrekking tot het bedrag van f 18.000 sprake is van aftrekbare kosten die voldoen aan het omvangcriterium van artikel 35, lid 1, van de Wet. Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2. Partijen hebben de voor hun respectievelijke standpunten aangevoerde gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan zijn ter zitting geen nieuwe gronden toegevoegd.

4.3. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 117.017.

4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het omvangcriterium van artikel 35, lid 1, van de Wet aan de door belanghebbende gevraagde aftrek in de weg staat. Hij voert daartoe aan a) dat geen rol speelt of de inkomsten door de gemaakte kosten hoger worden, en b) dat de aftrekpost in de vorm van de arbeidsbeloning van de echtgenote niet gebruikelijk is nu de vijf collega's van belanghebbende een dergelijke kostenpost niet hebben.

5.2. Met ingang van 1 januari 1990 is aan het zevende lid van artikel 5 van de Wet een regeling toegevoegd inzake het toekennen van een reële arbeidsbeloning aan de echtgenoot die meewerkt aan het verwerven van arbeidsinkomsten door de andere echtgenoot. Onderdeel van de uitwerking van deze regeling is - evenals dat het geval is bij meewerken in de onderneming van de echtgenoot - dat de aan de meewerkende echtgenoot toegekende of toe te rekenen beloning in aftrek komt op de desbetreffende aan de andere echtgenoot opgekomen inkomsten.

5.3. Met deze regeling verdraagt zich niet dat voor bedoelde aftrek een nader criterium wordt aangelegd, zoals de Inspecteur met het van toepassing achten van het omvangcriterium voorstaat. Dit geldt temeer nu de wetgever met het opnemen in de Wet van het omvangcriterium voor ogen heeft gestaan een scherper onderscheid aan te brengen tussen louter zakelijke kosten en kosten met een gemengd zakelijk/privé karakter. In het onderhavige geval staat tussen partijen het zakelijke karakter van de in 1990 tussen de echtelieden gesloten overeenkomst niet ter discussie.

5.4. Reeds op deze grond is het gelijk in dit geding aan de zijde van belanghebbende.

5.5. Op de hierna vermelde gronden is het Hof van oordeel dat ook het omvangcriterium niet aan de door belanghebbende gevraagde aftrek in de weg staat.

5.6. Ingevolge artikel 35, lid 1, van de Wet zijn aftrekbare kosten de op de inkomsten uit arbeid drukkende kosten voorzover zij zijn gemaakt ter verwerving, inning en behoud van die inkomsten en in hun totale omvang niet overtreffen hetgeen gebruikelijk is.

5.7. Bij het beoordelen van de vraag inzake hetgeen gebruikelijk is moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en dient bij het zoeken van vergelijkbare werknemers mede te worden gelet op de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige die rechtstreeks in verband staan met het vervullen van de dienstbetrekking.

5.8. In dit verband komt betekenis toe aan de omstandigheid dat werknemers die een hoog of een hoger loon genieten eerder bereid zullen zijn kosten voor eigen rekening te nemen dan werknemers bij wie zich deze omstandigheden niet voordoen (vergelijk HR 10 december 1997, nr. 32 394, BNB 1998/53*).

5.9. Voor dit geding staat vast dat belanghebbendes collega's niet een partner hebben die voor hen werkzaamheden verricht zoals belanghebbendes echtgenote doet en voorts dat belanghebbende door het maken van kosten - te weten het laten verrichten door zijn echtgenote van extra werkzaamheden en het daarvoor betalen van een reële vergoeding - meer verdient dan zijn collega's.

5.10. Het voorgaande brengt mee dat de Inspecteur, die te dezen de bewijslast heeft, moet stellen en bewijzen dat het ook voor personen die in vergelijking met belanghebbende, indien hij niet een partner had die werkzaamheden voor hem verricht en daardoor geen hoger loon zou genieten, een hoger loon genieten, ongebruikelijk is om een bedrag van f 18.000 uit te geven aan iemand dat hen bij het verrichten van werkzaamheden ondersteunt.

5.11. De Inspecteur heeft in het verweerschrift enkel een vergelijking gemaakt met collega's van belanghebbende die geen partner hebben die hen ondersteunt en die in beginsel evenveel verdienen als belanghebbende. Aldus heeft de Inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

5.12. Nu het Hof in de omstandigheden van de onderhavige zaak ook overigens geen redenen aanwezig acht op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de door belanghebbende in aftrek gebrachte kosten qua omvang ongebruikelijk zijn, is het gelijk ook op deze grond aan de zijde van belanghebbende.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gegrond

7. Proceskosten:

Het Hof berekent belanghebbendes proceskosten op reis- en verblijfskosten [Z] - Arnhem, alsmede verletkosten van belanghebbende ter zake van zijn dienstbetrekking, te zamen begroot op f 350.

8. Beslissing:

Het Gerechtshof

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 117.017 met inachtneming van een belastingvrije som van f 7.003 en met heffingsrente;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht van f 60 te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in proceskosten van belanghebbende ten bedrage van f 350, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan op 21 november 2001 te Arnhem door mr Röben, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

(J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 november 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.