Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD6673

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-11-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
2001/079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 november 2001

derde civiele kamer

rolnummer 2001/079

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr C.H.B. Winters,

tegen:

de naamloze vennootschap

N.V. Verzekeringsmaatschappij Woudsend Anno 1816,

gevestigd te Woudsend, gemeente Wymbritseradiel,

geïntimeerde,

procureur: mr J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het tussenvonnis van 18 november 1999 en het eindvonnis van 4 januari 2001 die de arrondissementsrechtbank te Zutphen tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: Woudsend) als gedaagde heeft gewezen; van deze vonnissen is een fotocopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 12 januari 2001 Woudsend aangezegd van het eindvonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Woudsend voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het tussen- en het eindvonnis aangevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof deze vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Woudsend in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [appellant] de grieven bestreden, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de door [appellant] opgeworpen grieven zal verwerpen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties (bedoeld zal zijn: van het hoger beroep).

2.4 Hierna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 De grieven bestrijden de vaststelling van de feiten in rov. 2 van het tussenvonnis niet, zodat in hoger beroep eveneens van die feiten wordt uitgegaan, behoudens wat betreft de vaststelling dat met de reparatie van de Renault een bedrag van f 1.580,23 gemoeid was, waartegen de eerste grief zich richt. In zoverre wordt in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken ervan uitgegaan dat de begrote reparatiekosten van de Renault ter zake van de als gevolg van het ongeval veroorzaakte schade hoger waren dan de dagwaarde van de Renault minus de geschatte waarde van de restanten (zogenaamd financieel total loss), waarmee een bedrag van f 1.500,- gemoeid was.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellant], geboren in 1943, houdt Woudsend als verzekeraar ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van de door [naam bestuurder] bestuurde personenauto van het merk Volvo aansprakelijk voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van het hem als passagier van zijn personenauto van het merk Renault op 13 augustus 1994 te Oosterwolde, gemeente Oldebroek, overkomen ongeval.

4.2 De ongevalstoedracht was als volgt.

[naam bestuurder] reed als bestuurder van de Volvo, met daarachter gekoppeld een (ongeladen) paardentrailer, vóór en in dezelfde rijrichting als de aan [appellant] toebehorende Renault. [naam bestuurder] heeft de Volvo met paardentrailer vervolgens tot stilstand gebracht en is achteruit gereden. Daarbij is de achterzijde van de paardentrailer tegen de voorzijde van de Renault aangereden, die achter de Volvo met paardentrailer toen (nagenoeg) stilstond.

Op het moment van de aanrijding zat [appellant] voorin in de Renault naast de bestuurder met zijn hoofd naar links gedraaid naar achteren in de richting van de achterbank, waarop zijn dochtertje zat.

4.3 De stellingen van [appellant] strekken ten betoge dat hij als gevolg van de aanrijding lichamelijk letsel, namelijk whiplashletsel - althans, zoals hij in hoger beroep stelt, klachten en beperkingen - heeft opgelopen.

[appellant] stelt dat dit letsel - althans deze klachten en beperkingen - tot zijn arbeidsongeschiktheid voor zijn oorspronkelijke beroep van zelfstandig agrarisch ondernemer heeft (hebben) geleid, hetgeen onder meer de schade-posten verlies aan arbeidsvermogen, kosten ter zake van derdenhulp en verlies aan zelfwerkzaamheid tot gevolg had en heeft. [appellant] stelt voorts dat het letsel tot de schadecomponenten reiskosten en andere kosten, kosten deskundigenbijstand en immateriële schade heeft geleid.

4.4 Woudsend heeft haar aansprakelijkheid voor de schadelijke gevolgen van het ongeval erkend. Zij bestrijdt echter dat [appellant] als gevolg van de aanrijding whiplash-letsel - en, in hoger beroep, klachten en beperkingen - heeft opgelopen, dat (die) tot diens arbeidson-geschiktheid en de daaraan gerelateerde schadecomponenten, alsmede tot de overige schade-componenten heeft (hebben) geleid. Zij betwist tevens de omvang van de gestelde schade.

4.5 De rechtbank heeft bij het tussenvonnis [appellant] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit de door hem gestelde toedracht van het ongeval kan worden afgeleid, namelijk dat de Volvo enige tientallen meters achteruit is gereden en met een snelheid van circa 20 km/u tegen de Renault is aangereden, waar Woudsend aanvoert dat de aanrijding niet tot whiplash-letsel heeft kunnen leiden omdat de geweldsinwerking daartoe te gering is geweest. Te dien aanzien heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat de ongevalstoedracht van belang is voor het causaal verband tussen de aanrijding en het whiplash-letsel.

4.6 Nadat (tegen)getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij het eindvonnis geoordeeld dat [appellant] in de bewijslevering niet geslaagd is en dat het causaal verband tussen het ongeval en de klachten passend bij een (post)whiplash-syndroom niet aangetoond is. De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.7 De grieven richten zich tegen beide vonnissen en strekken in de kern ten betoge dat het causaal verband tussen de aanrijding en het whiplash-letsel - althans de klachten en beperkingen - vaststaat. Volgens Woudsend is dat niet het geval.

4.8 De overgelegde bescheiden van de behandelende medische deskundigen van [appellant] (productie A bij de conclusie van antwoord respectievelijk producties 1 en 3 bij de conclusie van eis), ook in onderling verband beschouwd, houden zonder meer in dat [appellant] sedert het ongeval klachten heeft die passen bij een post-whiplash-syndroom. De onbestreden vaststelling in rov. 5.2 van het tussenvonnis is hiermede in overeenstemming.

[appellant] heeft na verwijzing op 16 augustus 1994 door de huisarts op 17 augustus 1994 de neurologische polikliniek van het Sophiaziekenhuis te Zwolle bezocht wegens pijn in de nek, rug en traag denken.

In het verslag d.d. 19 augustus 1994 door neuroloog Braakhekke van dat bezoek is als anamnese onder meer opgenomen dat [appellant] bij de aanrijding "heen en weer (klapte), (...) met de rechter zijde van zijn hals tegen de vangriem (sloeg), daarna achterover tegen de stoelleuning, (...) eventjes buiten bewustzijn (was)", dat [appellant] "in de daarop volgende uren (...) pijn (kreeg) in de nek, pijn in de rug, pijn doortrekkend naar het rechter been, ook in de rechter arm" en dat hij sindsdien ook trager denkt en vergeetachtig is.

Het verslag d.d. 27 oktober 1994 van Braakhekke omtrent een consult op 24 oktober 1994 houdt onder meer in als anamnese: "Hij heeft vele pijnen, voelt zich ook zwaar, moe, moedeloos, is veel nerveuzer dan anders, kan niet tegen drukte, kortom het hele beeld van het post-whiplash-syndroom lijkt zich bij hem te ontwikkelen", als aanvullend onderzoek dat röntgenonderzoek van de cervicale en thoracale wervelkolom, CT-scanning van het cerebrum en het EEG geen afwijkingen vertonen en als diagnose: "patiënt met een status na ongeval met een whiplash-mechanisme. Langzamerhand komt hij in een neerwaartse spiraal van klachten terecht".

[appellant] heeft op advies van Braakhekke vervolgens, op 22 november 1994, revalidatie-arts Emmelot en in januari 1995 en ook daarna klinisch psycholoog Erftemeijer geconsulteerd. Het verslag d.d. 23 november 1994 van Emmelot houdt als conclusie in: "Status na letsel van de Cwk. met whiplash-mechanisme".

Het verslag d.d. 25 september 1995 van Erftemeijer houdt in als beloop: "De klachten zijn verergerd en uitgebreid: er zijn nu ook oorsuizingen, slaap- en eetlustproblemen en onmachtsgevoel in het rechterbeen. De concentratieklachten, zoals hij die in het begin meldde zijn eveneens toegenomen en leidden tot geheugenproblemen en moeite om in gezelschappen te functioneren" en als conclusie: "de missers in concentratie en geheugen zijn evident, (...) passen (...) in een post-whiplashsyndroom".

De verslagen d.d. 26 januari en 20 maart 1995 van Braakhekke met betrekking tot de consulten op 23 januari en 16 maart 1995 behelzen als diagnose: status na whiplash-ongeval respectievelijk post-whiplash-syndroom.

4.9 Het oordeel van de medisch deskundige Kuks, neuroloog, blijkens diens rapportage d.d. 20 maart 1996 (productie 4 bij de conclusie van eis), uitgebracht naar aanleiding van een medische expertise op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant], strookt met de bevindingen en diagnosen van de behandelende medici en houdt de conclusie in dat sprake is van klachten (nekpijn met uitstraling naar beide bovenarmen, pijn midden in de onderrug doortrekkend naar beide heupen, slapeloosheid, geheugen-, concentratie-, evenwichts-, en visuele stoornissen en oorsuizen) zoals die bij een whiplash-syndroom worden gezien, welke blijkens diens beantwoording (van vraag 2) medisch als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd.

4.10 Ook geneeskundige rapportages in het kader van de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW (producties 7 en 11 bij de conclusie van eis) houden de diagnose in dat sprake is van klachten ten gevolge van whiplash-letsel na verkeersongeval.

4.11 Woudsend heeft het bestaan van de in deze medische bescheiden gerelateerde klachten op zich zelf niet (voldoende) bestreden. Ook overigens bestaat er geen enkele indicatie om de geloofwaardigheid van de opgave door [appellant] blijkens de anamneses in de medische bescheiden in twijfel te trekken. Hiervoor pleit nog dat [appellant] al in het schadeformulier van 16 augustus 1994 (productie E bij de conclusie van dupliek) in de kolom "aard letsel" melding maakt van nekklachten uitstralend naar armen.

Evenmin heeft Woudsend bestreden dat geen van deze klachten vóór het ongeval bestonden, eerst aanstonds na het ongeval zijn ontstaan of ontwikkeld en dat [appellant] nadien geen ander ongeval is overkomen.

4.12 Ook de ongevalstoedracht staat er niet aan in de weg om de klachten van [appellant] te kunnen toeschrijven aan een post-whiplash-syndroom als gevolg van de aanrijding.

Uit zowel de anamneses in de medische bescheiden als de getuigenverklaring van [appellant], afgelegd ingevolge de in het tussenvonnis gegeven bewijsopdracht, blijkt dat hij bij de aanrijding een "klap" heeft ervaren op het moment waarop zijn hoofd gedraaid naar achteren in de richting van de achterbank was gewend en dat hij toen even bewusteloos is geraakt.

Ook [naam chauffeur], de bestuurder van de Renault, verklaart als getuige over de door hem ervaren "klap" op het moment waarop [appellant] gedraaid zat. Het mag zijn - blijkens hun getuigenverklaringen in eerste aanleg - dat de bestuurder van de Volvo en diens passagier slechts een "tikje" hebben waargenomen, dat de trailer amper schade opliep en Volvo met trailer een geringe snelheid voerde, maar dit sluit bepaald niet uit dat de aanrijding heeft geleid tot acceleratie van de cervicale wervelkolom (overrekking van de weke delen van de nek) van [appellant]. Hiermee correspondeert dat [appellant] steeds blijkens zowel de anamneses in de medische bescheiden als diens getuigenverklaring heeft verklaard over heen en weer bewegen van zijn hoofd op het moment van de "klap".

Het gegeven dat de schade van de Renault aanzienlijk groter is dan die van de trailer strookt eveneens daarmee.

4.13 Er valt, gezien het vorenoverwogene, dan ook niet goed in te zien dat niet voldaan is aan de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie inzake whiplash-trauma van april 1995 (productie A sub V bij de conclusie van antwoord; nader: NVvN-richtlijnen).

4.14 Hierbij komt dat in een overgelegde publicatie van prof.dr.ir. Wismans (productie 28 bij de conclusie na tussenvonnis en getuigenverhoren) als onderzoeksresultaat aangegeven wordt dat het stellen van een ondergrens voor de snelheidsverandering die het aangereden voertuig ondergaat (delta v), beneden welke geen whiplash-letsel kan voorkomen, niet aanvaardbaar is. Deze constatering heeft Woudsend niet bestreden; zij heeft zelfs betoogd dat de onderhavige zaak daarvan een voorbeeld kan zijn.

Een - niet althans onvoldoende bestreden - TNO-rapport van 15 februari 2000 (productie 30 bij de akte tot het overleggen van een productie in eerste aanleg) houdt eenzelfde conclusie in, waarbij nog wordt aangegeven dat zoveel andere, zowel voertuig- als persoonsgebonden, parameters bestaan die het ontstaan van whiplash-letsel beïnvloeden, dat het niet mogelijk is een scherpe grens te trekken voor een snelheids-verandering waarboven wel en waaronder geen reële kans op whip-lash zou bestaan.

Met één en ander zijn de stellingen van Woudsend, berustend op andersluidende conclusies in (eerdere) publicaties over onderzoeksresultaten, voldoende weerlegd.

4.15 Uit dit alles volgt dat voldoende aangetoond is dat de verkeersgedraging die tot de aanrijding heeft geleid - waarvoor Woudsend haar aansprakelijkheid heeft erkend - een risico ter zake van het ontstaan van schade, namelijk klachten van [appellant] die passen in het kader van een (post) whiplash-syndroom, in het leven heeft geroepen dat zich heeft verwezenlijkt. Daarmee is het causaal verband tussen die gedraging en die klachten in beginsel gegeven. Waar Woudsend bewijs heeft aangeboden, zal zij tot de bewijslevering worden toegelaten dat die klachten ook zonder die aanrijding zouden zijn ontstaan.

Zij dient er daarbij op bedacht te zijn dat haar stelling, dat de klachten van [appellant] evenzeer worden gezien bij psychische problematiek door psychosociale stress, bij burn-out, bij het vermoeidheidssyndroom ME, het fybromyalgie-syndroom en bij andere aandoeningen waarvoor een duidelijk te determineren lichamelijke oorzaak ontbreekt, in het licht van het vorenoverwogene niet meer dan een suggestie inhoudt. Hierbij komt dat, voor zover al sprake zou zijn van klachten die (ook) anders kunnen worden geduid dan (alleen) passend in het kader van een (post) whiplash-syndroom, het causaal verband te dien aanzien niet wordt doorbroken voor zover deze (als gevolg van mogelijke predispositie van [appellant]) door de aanrijding zijn geluxeerd.

4.16 Voor zover [appellant] mocht betogen dat Woudsend tot die bewijslevering niet mag worden toegelaten, waar sprake is van een partijen bindend oordeel van neuroloog Kuks (zie rov. 4.9), voor zover dat inhoudt dat de klachten van [appellant] ongevalsgevolg zijn, kan dit betoog niet slagen. Onvoldoende feiten zijn gesteld die ertoe leiden dat partijen zich jegens elkaar hebben gebonden aan het deskundigenoordeel van Kuks omtrent de vraag naar ongevalsgerelateerde klachten. De correspondentie tussen partijen, waaronder de brief van Assuraad d.d. 6 december 1995 (productie 25 bij de conclusie na tussenvonnis en getuigenverhoren), biedt daartoe onvoldoende handvat, te minder nu blijkens die correspondentie dat oordeel van Kuks in de onderhandelingen tussen partijen onderwerp van debat is geweest.

4.17 De vraag die vervolgens voorligt is of die klachten als gevolg van de aanrijding tot de arbeidsongeschiktheid van [appellant] hebben geleid voor zijn beroep van zelfstandig agrarisch ondernemer.

4.18 Vaststaat dat [appellant] vóór het ongeval gedurende gemiddeld ongeveer 70 uren per week in zijn bedrijf werkzaam was en dat toen geen sprake was van relevant ziekteverzuim.

Ook staat vast dat [appellant] sinds het ongeval geen relevante werkzaamheden in zijn bedrijf meer heeft verricht en eind 1997 zijn bedrijfsvoering heeft gestaakt.

4.19 Vaststaat tevens dat [appellant] met ingang van 14 augustus 1995 volledig arbeidsongeschikt (80-100%) is beschouwd in het kader van de AAW en dat hem met ingang van die datum tot 14 augustus 2000 een bij dat arbeidsongeschiktheidspercentage passende uitkering is toegekend (producties 10 en 13 bij de conclusie van eis). De aan deze toekenning en herbeoordeling ten grondslag liggende rapportages van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige van de uitkerende instantie, het GUO, (producties 7, 8 en 11 bij die conclusie) duiden zonder meer op aan het ongeval gerelateerde klachten van [appellant] in een mate en ernst die tot diens volledige arbeidsongeschiktheid leiden.

Tenslotte staat vast dat de uitkering uit hoofde van de AAW vanaf 14 augustus 2000 onveranderd - op basis van een na herbeoordeling opnieuw vastgesteld arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% - is voortgezet (producie 29 bij de conclusie na tussenvonnis en getuigenverhoren). Gesteld noch gebleken is dat aan die herbeoordeling andere dan ongevalsgerelateerde klachten ten grondslag hebben gelegen of dat in de toekomst een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid valt te verwachten.

4.20 De omstandigheid dat neuroloog Kuks blijkens diens oordeel op basis van de NVvN-richtlijnen uitgaat van een mate van functie-stoornis van 5% - derhalve in de visie van Wousend van een mate van resterende validiteit van 95% -, doet aan de mate van arbeidsongeschiktheid (van 80-100%) in het kader van de AAW niet af en is evenmin beslissend voor de in de onderhavige procedure te beoordelen arbeidsongeschiktheid van [appellant].

Dat oordeel van Kuks is immers gebaseerd op de door de NVvN bepaalde mate van functieverlies van de gehele mens na/bij whiplash-traumata van ten hoogste 5%. De op de voet van die richtlijnen bepaalde mate van functieverlies van de gehele mens is bovendien niet inwisselbaar met de in het kader van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en evenmin met de in deze procedure te beoordelen mate van arbeidsongeschiktheid.

4.21 Bij gebreke van feiten of omstandigheden die op het tegendeel duiden, volgt hieruit dat (voorshands) moet worden uitgegaan van de volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid van [appellant] voor zijn beroep van zelfstandig agrarisch ondernemer sedert de aanrijding. Woudsend, die in hoger beroep bewijs heeft aangeboden, zal tot het leveren van tegenbewijs worden toegelaten.

4.22 Woudsend heeft in hoger beroep aangevoerd dat indien en voor zover de positie waarin [appellant] ten tijde van de aanrijding zat beslissend is geweest voor het ontstaan van diens klachten, dit binnen de eigen verantwoordelijkheidssfeer van [appellant] ligt en aan hem behoort te worden toegerekend, omdat zijn handelwijze rechtstreeks werd veroorzaakt doordat hij zijn destijds zes-jarige dochtertje los op de achterbank van de Renault liet plaatsnemen, dus in strijd met artikel 59 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. [appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld op die stelling te reageren.

4.23 De slotsom is dat Woudsend tot de bewijslevering wordt toegelaten als nader te formuleren. Tussentijds cassatieberoep wordt om proces-economische redenen uitgesloten. Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

laat Woudsend toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt:

1. dat de klachten van [appellant], die passen in het kader van een (post)whiplash-syndroom, ook zonder de aanrijding zouden zijn ontstaan;

2. dat [appellant] niet sedert de aanrijding volledig en blijvend arbeidsongeschikt is voor zijn beroep van zelfstandig agrarisch ondernemer;

bepaalt dat, indien Woudsend dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr J. Wesseling-Lubberink, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburg-straat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen worden opgegeven ter rolzitting van 18 december 2001, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de verhoren (ook indien voormelde opgave van een of meer der partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

verstaat dat [appellant] bij akte of conclusie na eventuele bewijslevering gelegenheid heeft op de onder 4.22 bedoelde stelling van Woudsend te reageren;

bepaalt dat beroep in cassatie van dit arrest niet zal kunnen worden ingesteld dan tegelijk met een eventueel cassatieberoep van het eindarrest;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Van Ginkel en Wesseling-Lubberink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2001.