Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD6171

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
96/00985
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2300
Belastingblad 2004/233

Uitspraak

IV

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 96/00985

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de kennisgeving rioolaansluitrecht met nummer [01].

Kennisgeving en bezwaar

1.1. De kennisgeving, genummerd [01] en gedagtekend 11 maart 1996, betreft de aansluiting op het openbare riool van het perceel plaatselijk bekend [a-weg te Z] ( hierna: het perceel) en bedraagt ƒ 594,00.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 21 mei 1996 de kennisgeving gehandhaafd.

Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 28 juni 1996.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 6 maart 1997 te Harderwijk zijn gehoord belanghebbende, vergezeld door [A, B en C], mede woonbootbewoners tot bijstand, alsmede namens de Ambtenaar [D], werkzaam bij de afdeling Stadsbeheer en [E], medewerker van de afdeling Financieel Beleid en Belastingen.

2.4. Bij de Ambtenaar zijn schriftelijke inlichtingen ingewonnen. Daarop zijn de artikelen 14, lid 1, onderdeel 2e, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast.

2.5. De desbetreffende briefwisseling maakt deel uit van de gedingstukken.

2.6. Bij de mondelinge behandeling op 20 januari 2000 te Harderwijk zijn verschenen belanghebbende, vergezeld door [C], wonende te [Z] tot bijstand, alsmede namens de Ambtenaar, [D en E].

2.7. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2000 en de notities van het pleidooi van belanghebbende worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.8. Na de mondelinge behandeling op 20 januari 2000 te Harderwijk zijn wederom van de Ambtenaar schriftelijke inlichtingen ingewonnen. Daarop zijn de artikel 14, lid 1, onderdeel 2º, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast.

2.9. De desbetreffende briefwisseling maakt deel uit van de gedingstukken.

Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de aanslag.

3.2. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

De vaststaande feiten

4.1. Het perceel betreft de woonark [b], en is gelegen aan de [a-weg 1 te Z].

4.2. In 1989 is door de gemeente aan de eigenaren van de woonboten aan de [a-weg] het aanbod gedaan om tegen een individuele bijdrage per woonboot van ƒ 1.940,- een pompinstallatie in de boot aan te brengen en de woonboot op de in de kade te realiseren riolering aan te sluiten. De bewoners van de woonboten hebben om allerlei redenen geweigerd daaraan medewerking te verlenen. De gemeente heeft toen (eerste kwartaal 1990) volstaan met het aanleggen van een rioleringsstelsel tot aan de kade met een uitlegger naar iedere woonboot.

Begin jaren negentig heeft Rijkswaterstaat aan de woonbootbewoners mede-gedeeld dat niet langer op het oppervlaktewater mag worden geloosd. De woonbootbewoners hebben daarop, nadat aan de gemeente gevraagde medewerking niet was verleend, zelf in 1993 voor de aansluiting op het rioleringsstelsel zorggedragen.

4.3. De aanslag is opgelegd overeenkomstig het bepaalde in de Verordening rioolaansluitrecht.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld

5.1.1. of aan belanghebbende terecht de aanslag in het rioolaansluitrecht is opgelegd;

5.1.2. of belanghebbende aan mededelingen vanwege de gemeente gedaan het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de woonbootbewoners, indien zij hun aandeel leveren aan de aansluiting op de riolering, van hen geen rioolaansluitrecht zou worden geheven en

5.1.3. of door de gemeente in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

5.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling toegevoegd - zakelijk weergegeven - op 6 maart 1997:

5.3.1. door belanghebbende:

5.3.1.1. Er heeft in het voorjaar 1992 een vergadering met de gemeente plaatsgevonden op verzoek van de woonbootbewoners. Aldaar is hen toen medegedeeld dat nu de gemeente de bijdrage tot de aanleg van de riolering had geleverd het nu de beurt was aan de woonbootbewoners voor het aanleggen van de overige aansluitingen en de daarbij behorende pomp.

5.3.1.2. Tevens is bij hen de stellige indruk gewekt dat de gemeente niets van hen zou heffen. Hij doet een beroep op opgewekt vertrouwen. De gemeente heft de facto ook niet van de woonwagenbewoners. De woonbootbewoners vielen toentertijd onder dezelfde wet als de woonwagenbewoners. Hij kan dit bewijzen.

5.3.2. door de Ambtenaar:

5.3.2.1. Per lokatie is rioolaansluitrecht verschuldigd.

5.3.2.2. In het dossier van 25 maart 1985 van de verantwoordelijke wethouder [..…] (ingenieur) wordt aangegeven dat woonboten, woonwagens en woonhuizen op dezelfde wijze dienen te worden behandeld.

5.3.2.3. De woonboten zijn bijna kosteloos aangesloten. Het gaat om een heel kleine eenmalige bijdrage.

5.3.2.4. Hij bestrijdt de stelling van belanghebbende dat niet iedereen gelijk zou zijn behandeld. Iedereen die is aangesloten op de riolering heeft deze bijdrage betaald. De eerste bewoner die van de aansluiting gebruik heeft gemaakt, heeft dit aansluitrecht betaald.

6. De verordening

6.1. Bij raadsbesluit van 19 september 1991 is de "Verordening rioolaansluitrecht" vastgesteld en bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 8 oktober 1991 goedgekeurd.

6.2. Het raadsbesluit van 19 september 1991 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

[....]

gelet op de artikelen 272, aanhef en onderdeel i, en 277, eerste lid onderdeel b, van de gemeentewet;

artikel 1

Aard van de heffing

1. Ter zake van het genot van de in het tweede lid omschreven door het gemeentebestuur verstrekte dienst wordt onder de naam rioolaansluitrecht een eenmalig recht geheven.

2. Onder een in het eerste lid bedoelde dienst wordt verstaan het aanleggen van een aansluiting, bestaande uit een afvoerleiding van het aansluitpunt op de grens van het gemeente-eigendom naar het openbare riool.

artikel 2

Belastingplicht

Het recht wordt geheven van degene die van een in artikel 1 bedoelde dienst gebruik maakt.

artikel 4

Tarieven

1. Het recht bedraagt voor de aansluiting van een perceel met daarop een woning, indien de lengte van de afvoerleiding niet groter is dan 10 ml, voor een aansluiting op:

a. een gecombineerd rioleringsstelsel ƒ 594,--

(.....)

2. Het recht bedraagt voor de aansluiting van percelen, niet zijnde percelen uitsluitend voorzien van een woning zoals bedoeld in het eerste lid, het bedrag, blijkende uit een door of vanwege burgemeester en wethouders opgemaakte begroting, welke tenminste 5 werkdagen voorafgaande aan de dienstverlening aan de in artikel 2 bedoelde belanghebbende schriftelijk is meegedeeld.

artikel 10

Citeertitel en inwerkingtreding

1. Deze verordening kan worden aangehaald als "verordening rioolaansluitrecht".

2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1992.

7. Beoordeling van het geschil

7.1. Ter zitting van 6 maart 1997 is door belanghebbende - onweersproken - opgemerkt dat de gemeente na het aanleggen van het stamriool met uitleggers aan de woonbootbewoners heeft meegedeeld dat zij haar bijdrage had geleverd en dat het nu de beurt van de bewoners was om een pomp en aansluiting te realiseren. Een dergelijke opmerking kan in redelijkheid niet het in rechte te beschermen vertrouwen wekken dat de heffing van rioolaansluitrecht dan achterwege zal blijven. De enkele - uit bepaalde omstandigheden afgeleide - indruk dat heffing niet zou plaatsvinden is voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende.

Aannemelijk moet worden gemaakt dat de Ambtenaar op dit punt bewust een standpunt heeft bepaald.

Belanghebbende heeft - tegenover de betwisting door de Ambtenaar - niet aannemelijk gemaakt dat op enig moment aan belanghebbende of aan enig andere woonbootbewoner de mededeling is gedaan dat door de woonbootbewoners geen rioolaansluitrecht behoefde te worden betaald.

7.2. Belanghebbende klaagt erover dat de gemeente het gelijkheidsbeginsel schendt door van woonbootbewoners rioolaansluitrecht te heffen en van woonwagenbewoners niet. De Ambtenaar heeft - onweersproken - verklaard dat bij de woonwagenbewoners is gekozen voor doorberekening van de aansluitkosten in de huurprijs voor de standplaats. Bij de woonschepen was doorberekening in de liggelden geen optie omdat niet alle woonschepen op de riolering zijn aangesloten. Dat met betrekking tot woonwagenbewoners en de andere woonbootbewoners sprake zou zijn van een begunstigend beleid, van een oogmerk tot begunstiging of van toepasselijkheid van de meerderheidsregel is niet aannemelijk gemaakt.

7.3. De klacht over het liggeld en over de beweerde tekortkomingen van de gemeente (schoonmaken, achterstallig onderhoud steigers) kunnen in deze procedure niet aan bod komen, aangezien voor dit Hof uiteindelijk de juistheid en omvang van de aanslag in het rioolaansluitrecht kan worden beoordeeld.

7.4. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ambtenaar terecht het standpunt ingenomen dat belanghebbendes woonboot is aan te merken als een woning welke op zichzelf beschouwd bestemd is voor enigszins duurzame menselijke bewoning en daar door de inrichting ook geschikt voor is.

7.5. Nu belanghebbendes woonboot is te beschouwen als een woning valt belanghebbende onder de tariefbepaling van 4.1. van de verordening rioolaansluitrecht.

7.6. Belanghebbende maakt tegenover de gemotiveerde betwisting van de Ambtenaar geen feiten en omstandigheden aannemelijk die tot de conclusie leiden dat in dit geval kan worden gesproken van een willekeurige en/of onredelijke belastingheffing waarop de belastingheffing niet het oog zou hebben gehad.

7.7. Het is ook anderszins niet aannemelijk geworden dat het in de kennisge-ving gevorderde bedrag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

8. Slotsom

Belanghebbendes beroep is ongegrond.

9. Proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

10. Beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan op 31 oktober 2001 door mr Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier.

Wegens verhindering van mr. Matthijssen is deze uitspraak mede onderte-kend door mr. Lamens.

(I.B. Vermeulen-Post) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 oktober 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroorde-len in de proces-kosten.