Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD5759

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
5229
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekster is vervolgd wegens verdenking van het overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van de Wet Arbeid Vreemdelingen. Verzoekster is voor het meermalen overtreden van genoemd voorschrift veroordeeld bij vonnis van de economische politierechter te Zwolle van 2 november 1998. In hoger beroep is het openbaar ministerie bij onherroepelijk arrest van dit hof van 19 februari 2001 als gevolg van het vervallen van het recht tot strafvordering wegens verjaring als bedoeld in artikel 70 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, niet ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2002, p. 63 (nr.3)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

2001.

pkn: 21-000167-99

avnr: 5229

Het hof heeft gezien het op 24 april 2001 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van mr W.M. Bijloo, advocaat te Middelharnis, namens

[Naam],

gevestigd te [plaats]

hierna te noemen verzoekster,

strekkende tot toekenning van een vergoeding ter zake van kosten van rechtsbijstand, vermeerderd met de kosten van dit verzoek.

Het hof heeft in openbare raadkamer van 19 september 2001 de advocaat-generaal, de vertegenwoordiger van verzoekster en de raadsman van verzoekster, mr W.M. Bijloo, advocaat te Middelharnis gehoord.

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het proces-dossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.

OVERWEGINGEN:

Verzoekster is vervolgd wegens verdenking van het overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van de Wet Arbeid Vreemdelingen. Verzoekster is voor het meermalen overtreden van genoemd voorschrift veroordeeld bij vonnis van de economische politierechter te Zwolle van 2 november 1998. In hoger beroep is het openbaar ministerie bij onherroepelijk arrest van dit hof van 19 februari 2001 als gevolg van het vervallen van het recht tot strafvordering wegens verjaring als bedoeld in artikel 70 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, niet ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

De zaak tegen verzoekster is derhalve geeindigd zonder oplegging van straf of maatregel terwijl evenmin toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de beoordeling van de vraag of gronden van billijkheid aanwezig zijn zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 591a in verband met het bepaalde in het tweede lid van artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering overweegt het hof dat door de beslissing van het hof in zijn arrest van 19 februari 2001 de zaak is geeindigd zoals bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, doch dat als gevolg van die beslissing het hof niet is toe kunnen komen aan een inhoudelijke toetsing van het vonnis in eerste aanleg. Daarbij is van belang dat verzoekster bij dat vonnis tot geldboeten is veroordeeld en, naar zij in raadkamer aan het hof heeft medegedeeld, van dat vonnis in hoger beroep is gegaan omdat zij van mening was ten onrechte te zijn veroordeeld. Verzoekster had er dus belang bij dat het hof tot een inhoudelijk oordeel in hoger beroep zou komen.

Voorts moet worden geoordeeld dat de -door het hof als onbevredigend ervaren -wijze van beeindiging van de zaak het gevolg is van een verzuim aan de zijde van de rechtbank te Zwolle en niet aan verzoekster kan worden toegerekend.

De hierboven weergegeven feiten en omstandigheden leveren naar het oordeel van het hof voldoende gronden van billijkheid op om tot toewijzing van het verzoek te komen, met dien verstande dat het hof de in rekening gebrachte post omzetbelasting niet zal toewijzen nu verzoekster, die in raadkamer heeft verklaard ondernemer te zijn in de zin van de Wet op de omzetbelasting, geen aanspraak kan maken op deze post.

Beslist moet daarom worden als volgt.

BESLISSING

Het hof kent toe aan verzoekster een vergoeding uit 's rijks kas ten bedrage van

fl. 7.700,37 en gelast de tenuitvoerlegging daarvan.

Het hof wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr Boerwinkel, vice-president, te dezen aangewezen op de voet van artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in tegenwoordigheid van Berendsen, griffier, en uitgesproken ter