Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD5750

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-10-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
3638/1999
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2229

Uitspraak

jl

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 3638/1999

U i t s p r a a k

op het beroep van [X], handelende onder de naam vennootschap onder firma te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De naheffingsaanslag is opgelegd over het tijdvak 1 januari 1998 tot

en met 31 maart 1998 en omvat een bedrag aan enkelvoudige belasting (ƒ 1.120,--) zonder boete.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 augustus 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en [de gemachtigde] van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur].

1.5. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteert in [Q] een onderneming. Deze onderneming omvat een bar/kantine waarin warme en koude dranken, forel, paling, snacks en snoepgoed verkrijgbaar zijn, een aantal forellenvijvers, speeltoestellen voor kinderen, een kikkerpoel en een vlindertuin. Er zijn op het terrein diverse zitbanken aanwezig en er is een gelegenheid om te parkeren. Het complex wordt onder meer bezocht door sportploegen, personeelsverenigingen, buitenlandse toeristen. Belanghebbende maakt reclame voor haar onderneming via een tijdschrift voor sportvissers ([tijdschrift]), de regionale VVV-kantoren, hotels in de buurt en regionale campings.

2.2. Bezoekers betalen ƒ 15,-- per dagdeel om toegang te verkrijgen tot het terrein. Een dagdeel bestaat uit vier uren. Het bedrag van ƒ 15,-- bestaat uit ƒ 3,-- voor de entree en ƒ 12,-- voor het gebruik maken van de gelegenheid om zelf vijf daartoe door de ondernemer in de visvijver gedeponeerde forellen te vangen. Voor het vangen van de forellen kunnen bezoekers eventueel visgerei huren bij belanghebbende. Het is ook mogelijk om alleen de entreeprijs van ƒ 3,-- te betalen. In dat geval is het niet toegestaan om forellen te vangen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is - na een herformulering van het geschil ter zitting - in geschil het antwoord op de volgende vragen.

PRIMAIR

- Dient de prestatie van belanghebbende te worden aangemerkt als het verlenen van toegang tot een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening ?

SUBSIDIAIR

- Dient de prestatie van belanghebbende te worden aangemerkt als een dienst (gelegenheid geven tot het vissen op forel) of als een levering van vis ?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft daaraan ter zitting toegevoegd dat zij haar beroep op het gelijkheidsbeginsel (familie [A te R]) intrekt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof is op grond van de vastgestelde feiten van oordeel dat de onderneming van belanghebbende als complex het karakter heeft van een voor-ziening waarbij het gehele jaar door de aspecten van vermaak en dagrecreatie voorop staan. Het toegang verlenen tot een dergelijke voorziening is op grond van artikel 9 Wet OB '68, juncto Tabel I, onderdeel b, post 14 onderworpen aan het verlaagde tarief van 6%.

4.2. De omstandigheid dat de bedragen van ƒ 3,-- en ƒ 15,-- slechts recht geven op een verblijf binnen het complex voor een dagdeel brengt in dat oordeel, gelet op het arrest HR 10 augustus 2001, nr. 36741, NTFR 2001/1180, geen verandering.

4.3. Het gelijk is mitsdien aan belanghebbende. De naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 0,5 ofwel ƒ 710,--.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vernietigt de naheffingsaanslag,

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 225,--, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 710,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechts-persoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 23 oktober 2001 door mr. N.E. Haas, voorzitter, mr. Lamens en mr. Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn als griffier.

(E.M. van Hoorn) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 oktober 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.