Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD5747

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-10-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
99-03543
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1628

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/03543

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X] BV

te : [Z]

ambtenaar : Inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift

soort belasting : vennootschapsbelasting

jaar : 1997

mondelinge behandeling : op 27 september 2001 te Arnhem door mr Röben, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier

waarbij verschenen : [de gemachtigde] van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende vormt samen met [A BV] en [C] BV een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Directeur en aandeelhouder van belanghebbende is de heer [D te Q]. De onderneming houdt zich bezig met de handel in bestrijdingsmiddelen. Daarnaast worden tuinbenodigdheden verkocht.

2. De onderneming was oorspronkelijk gevestigd in [Q]. Vanaf 1 november 1997 huurt de onderneming ([A] BV) een nieuw bedrijfspand in [Z]. Eigenaar van het pand is de heer [D]. Het pand bestaat uit een kantoor en een opslagruimte. In november 1997 was men bezig met het inrichten van het bedrijfsterrein, het magazijn en het kantoor. In diezelfde maand hebben reeds goederenleveranties op het nieuwe adres plaatsgevonden.

3. Aan klanten is meegedeeld dat het bedrijf begin december 1997 gaat verhuizen naar het nieuwe adres. Het pand is begin januari 1998 feestelijk en officieel in gebruik genomen.

4. In de maanden oktober, november en december 1997 is door [A] BV voor ongeveer ƒ 820.000 in bedrijfsmiddelen ten behoeve van het nieuwe pand geïnvesteerd. Het betreft terreinvoorzieningen, installaties voor brandveiligheid, een CV, een afzuiginstallatie, beveiligingsinstallatie, magazijnstellingen, vloerbedekking, kantoormeubilair, zonwering etc. Belanghebbende heeft bij het beroepschrift verklaringen van leveranciers ingebracht, waaruit naar voren komt dat een belangrijk deel van de investeringen, te weten het straat- en hekwerk (investering: ƒ 206.795) en het kantoormeubilair (investering: ƒ 106.996) vóór 1 november 1997 is aangebracht respectievelijk geleverd.

5. Blijkens de bij het verweerschrift gevoegde afschrijvingsstaten van belanghebbende varieert de afschrijvingsduur van drie tot acht jaar. Partijen verschillen niet van mening over deze afschrijvingsduur en de afschrijvingspercentages.

6. Bij het berekenen van de winst heeft belanghebbende rekening gehouden met een afschrijving over deze bedrijfsmiddelen van twee maanden. Daarbij is geen onderscheid gemaakt naar het exacte moment waarop de bedrijfsmiddelen vóór of in de maanden november en december van 1997 zijn aangeleverd, geïnstalleerd of gefactureerd. Het bedrag van deze afschrijving is ƒ 24.699.

7. De Inspecteur, die van mening is dat het gebruik van een bedrijfsmiddel aanvangt bij de feitelijke ingebruikneming en dat eerst op dat moment kan worden begonnen met afschrijven, heeft de afschrijving van de in november en december 1997 gedane investeringen berekend op een bedrag van ƒ 12.349, daarbij uitgaande van een gemiddelde gebruiksduur van de bedrijfsmiddelen in 1997 van één maand.

8. Afschrijving strekt tot goedmaking van het verlies dat wordt geleden door waardevermindering ten gevolge van het gebruik van bedrijfsmiddelen. Dit verlies wordt tot uitdrukking gebracht over de periode dat sprake is van dat gebruik. Het is niet in strijd met goed koopmansgebruik door onder gebruiksduur mede te begrijpen een aan de feitelijke bedrijfsvoering voorafgaande korte periode die noodzakelijk is om een bedrijfsmiddel te installeren, te testen en/of bedrijfsklaar te maken. Daarbij verdient opmerking dat het ook usance is om afschrijving niet te blokkeren gedurende een korte periode van (groot) onderhoud van een bedrijfsmiddel, in welke periode het bedrijfsmiddel niet daadwerkelijk nut voor het bedrijfsproces afwerpt.

9. Naar het oordeel van het Hof handelt belanghebbende, gelet op de korte en noodzakelijke periode van installatie en bedrijfsklaar maken van de bedrijfsmiddelen voorafgaande aan de feitelijke bedrijfsvoering en mede gelet op de duur van die periode in relatie tot de voorziene totale gebruiksduur van de bedrijsmiddelen van meerdere jaren, niet in strijd met goed koopmansgebruik door de afschrijvingduur in 1997 op twee maanden te stellen.

slotsom

Het beroep van belanghebbende is gegrond.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op [2 (beroepschrift + zitting) x ƒ 710 x 1 (gewicht van de zaak)] ƒ 1.420.

beslissing:

Het Gerechtshof

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 518.119;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht van ƒ 450 te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 1.420 , te voldoen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2001 door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 oktober 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.