Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD5596

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-10-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
99-03333
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1637
FutD 2001-2228

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/03333

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] BV te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen [P], op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde boetebeschikking ter zake van de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak december 1998.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Gelijktijdig met het opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen tot een bedrag van ƒ 51.068 is aan belanghebbende bij beschikking, gedagtekend 1 juli 1999, een verzuimboete opgelegd van 5% van het nageheven bedrag ofwel ƒ 2.553.

1.2. Belanghebbende heeft op 5 juli 1999 tegen de boetebeschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 13 september 1999 het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende is bij brief van 21 oktober 1999, binnengekomen op 22 oktober 1999, van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 september 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [de gemachtigde] van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur].

1.5. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota vier bijlagen overgelegd.

2. Feiten

2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2. Belanghebbende deed op 25 januari 1999 aangifte voor de loonbelasting/ premie volksverzekeringen over de maand december 1998. Het volgens de aangifte ingehouden en af te dragen bedrag bedroeg ƒ 6.070. In dit bedrag is geen bedrag begrepen met betrekking tot de uitbetaling van een tantième aan de directeur van belanghebbende. Het volgens de aangifte verschuldigde bedrag is door belanghebbende op 26 januari 1999 betaald.

2.3. Blijkens een memorandum van 17 april 1998 is omstreeks die datum voorgesteld dat belanghebbende in december 1998 aan haar directeur een tantième toe zou kennen van ƒ 80.000.

2.4. Belanghebbende ontving eind januari 1999 van haar belastingadviseur een berekening van de over de maand december af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen, uitkomend op een bedrag van ƒ 57.138. Omdat zij al aangifte had gedaan heeft belanghebbende haar adviseur verzocht een en ander met de belastingdienst in orde te maken. De adviseur heeft bij brief, die per fax op 12 februari 1999 is verzonden, een suppletieaangifte ingediend bij de Inspecteur tot een af te dragen bedrag van ƒ 51.068. Toen een reactie van de Inspecteur uitbleef heeft de adviseur in mei 1999 telefonisch geïnformeerd waar de naheffingsaanslag bleef.

2.5. De Inspecteur heeft het volgens de suppletieaangifte verschuldigde bedrag nageheven bij naheffingsaanslag van 1 juli 1999. Gelet op het tijdstip waarop de suppletieaangifte werd gedaan heeft de Inspecteur geen heffingsrente in rekening gebracht. Omdat de suppletieaangifte door de Inspecteur werd aangemerkt als een vrijwillige verbetering heeft hij, met inachtneming van § 24, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB), een boete opgelegd van 5% van het verschuldigde bedrag.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de boete terecht heeft opgelegd.

3.2. Belanghebbende meent dat, gelet op haar eigen initiatieven voor het opleggen van de naheffingsaanslag en de wanverhouding tussen de hoogte van de boete en de ernst van het feit, het opleggen van een boete achterwege had moeten blijven. De Inspecteur is van mening dat er in dit geval geen ruimte is voor een verdere matiging van de boete.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting, naast hetgeen in de pleitnotities is vermeld, nog het volgende toegevoegd:

3.3.1. Namens belanghebbende

Zij doet een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). Januari is een drukke maand. De adviseur steekt ook een hand in eigen boezem; de brief aan belanghebbende met betrekking tot de over december af te dragen belasting had ook eerder verzonden kunnen worden. Hij heeft regelmatig meegemaakt dat betaling van belasting met gebruikmaking van een gewone betalingsopdracht tot problemen leidt. Er is geen sprake van kwade wil. Ieder laat wel eens een steekje vallen.

3.3.2. Namens de Inspecteur

Er is geen sprake van avas. Er is geen ruimte voor verdere matiging. Het opleggen van een boete van 5% in dit soort gevallen is een keuze van de regelgever.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het is niet in geschil dat belanghebbende over de maand december 1998 tot een bedrag van ƒ 51.068 te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft afgedragen.

4.2. Indien de inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan gedeeltelijk niet betaalt vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur een boete kan opleggen (artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Voor het opleggen van een boete als de onderhavige is niet vereist dat het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Het opleggen van een boete dient achterwege te blijven indien sprake is van avas.

4.3. Gelet op de vastgestelde feiten en op hetgeen namens belanghebbende tijdens de zitting naar voren is gebracht is het Hof van oordeel dat in het onderhavige geval van avas geen sprake is. De Inspecteur heeft de regelgeving met betrekking tot het opleggen van een boete naar het oordeel van het Hof juist toegepast.

4.4. Het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 24 december 1999, nr. AFZ 1999/3304, Stcrt. 10 januari 2000 nr. 6 (vrijwillige verbetering leidt onder voorwaarden niet tot boete), brengt in het vorenstaande geen verandering. Nu het in dit geval om een aanzienlijk bedrag aan nog te betalen loonbelasting/premie volksverzekeringen gaat, en naar het oordeel van het Hof niets in de weg stond aan het onmiddellijk uit eigen beweging betalen van het bedrag, is het Hof van oordeel dat de opgelegde boete passend en geboden is. Dat belanghebbende door tussenkomst van haar adviseur reeds op 12 februari 1999 uit eigen beweging aangifte deed van het alsnog af te dragen bedrag doet daaraan niet af, noch dat de Inspecteur de betreffende naheffingsaanslag eerst op 1 juli 1999 heeft opgelegd.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur waarvan beroep;

Aldus gedaan te Arnhem op 15 oktober 2001 door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegen-woor-dig-heid van mw. mr. A. Vellema als griffier.

(A. Vellema) (J.P.M. Kooijmans)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.