Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD5538

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-10-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
00-00371
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/00371

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende: [X]

te : [Z]

verweerder : het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] (hierna: de Inspecteur)

beslissing : uitspraak op een bezwaarschrift

beschikking : verklaring op grond van artikel 3d van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet) met betrekking tot het jaar 2000

mondelinge behandeling : gehouden te Arnhem op 4 oktober 2001

waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende is zelfstandige, en geniet winst uit onderneming als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Beoordeeld op grond van de op 1 oktober 1999 bij de Inspecteur bekende informatie bedroeg het belastbare inkomen van belanghebbende over de jaren 1995, 1996 en 1997 respectievelijk ƒ 25.745, ƒ 34.685 en ƒ 30.001. Het gemiddelde belastbare inkomen van belanghebbende over die jaren bedroeg derhalve ƒ 30.143. Belanghebbende is verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Belanghebbende was ten tijde van het geven van de omstreden verklaring tegen ziektekosten verzekerd bij een particuliere ziektekostenverzekeraar.

2. De Inspecteur is op de voet van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen van 13 december 1999, Stcrt. 1999, 248, (hierna de Regeling) bij zijn verklaring uitgegaan van het in 1. genoemde gemiddelde. Hij heeft de vraag of belanghebbende verzekerd is in de zin van artikel 3d van de Wet bevestigend beantwoord.

3. Belanghebbende heeft ter zitting zijn stellingen omtrent de formeel onjuiste wijze van handelen van de Inspecteur ingetrokken. Partijen hebben ter zitting ermee ingestemd om in dezen ervan uit te gaan dat belanghebbende op een formeel juiste wijze beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur waarin de omstreden verklaring is vervat en dat het in dezen in hun belang is aldus een mogelijke formele tekortkoming te helen. Het Hof sluit zich om proceseconomische redenen bij de opvatting van partijen aan omdat deze belanghebbendes belang bij een spoedige beslissing dient en overigens niet in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende voldoet aan de in artikel 3d, eerste lid, van de Wet genoemde voorwaarden.

5. In beroep bestrijdt belanghebbende de rechtmatigheid van de beschikking met het in 6 grieven uitgewerkte betoog (in het beroepschrift opgenomen onder de letters A tot en met F) dat zij in strijd is met het recht.

6. Belanghebbendes betoog kan hem in dezen echter niet baten.

7. De formele grieven met betrekking tot het tijdstip en de motivering van de beschikking, alsmede het achterwege blijven van het horen van belanghebbende voor de beslissing op het bezwaar, treffen geen doel omdat door de nieuwe beschikking, genomen op 18 januari 2000 bij de bestreden uitspraak waartegen het onderwerpelijke beroep is gericht, formeel op juiste wijze toepassing is gegeven aan de desbetreffende regelingen in de Awb, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet met de erbij horende Regeling, terwijl het achterwege laten van het horen op zich niet de nietigheid van de bestreden beschikking met zich brengt. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet blijkt dat de onderwerpelijke verklaring er slechts toe strekt aan te geven dat de door de belastingdienst uit te voeren inkomenstoets tot de vaststelling leidt dat belanghebbende voldoet aan de wettelijke voorwaarden en dat die verklaring op zich geen verzekeringsplicht met zich brengt omdat die plicht rechtstreeks voortvloeit uit de Wet. Alsdan kan van de Inspecteur in deze geen verdergaande inhoudelijke motivering worden verlangd dan de cijfermatige onderbouwing van het berekende inkomen.

8. In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat de bepalingen van artikel 3d van de Wet in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen. Voor zover belanghebbende grieven van inhoudelijke aard aanvoert tegen de wettelijke regeling staan deze niet ter beoordeling van de rechter. Belanghebbende wijst weliswaar op overtuigende wijze op meerdere voor hem ongunstige aspecten van de nieuwe regeling maar daaruit volgt niet dat die nadelen voor belanghebbende verder reiken dan het door de wetgever aanvaarde kader van nadelige gevolgen waartoe de Wet zou kunnen leiden. Bovendien zou het opheffen van de gesignaleerde nadelen een beoordeling vergen van de innerlijke waarde of billijkheid van de Wet waartoe de rechter niet bevoegd is en die ook overigens diens rechtsvormende taak te buiten gaat.

9. De maatstaf die in de Regeling is neergelegd ter uitwerking van het bepaalde in het genoemde artikel 3d sluit naar het oordeel van het Hof voor gevallen als het onderwerpelijke, waarbij niet sprake is van een startende ondernemer of van bijzondere inkomensbestanddelen, aan bij het wettelijke kader zoals dat in de parlementaire behandeling is getrokken. Weliswaar is van verschillende zijden betoogd dat het de voorkeur zou verdienen de regeling voor de jaren waarover het inkomen in aanmerking zou moeten worden genomen in de Wet zelf op te nemen, maar uiteindelijk heeft de wetgever gekozen voor de thans geldende maatstaf, alsmede voor het bij ministeriele regeling stellen van nadere regels met betrekking tot het in aanmerking te nemen tijdvak. In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat de Regeling op de door belanghebbende verdedigde wijze in strijd is met het recht of het legaliteitsbeginsel.

10. Ten onrechte bestempelt belanghebbende het in de Regeling voorziene stelsel waarbij feitelijke gegevens uit het verleden in aanmerking worden genomen als een vorm van terugwerkende kracht. Zoals de Inspecteur terecht aanvoert ondergaan die gegevens geen verandering. Opmerking verdient dat het aan zelfstandigen, andere dan ondernemers die in het jaar 1996 of later een onderneming begonnen, in artikel 2, zesde lid, van de Regeling toegekende keuzerecht - te weten: één van de jaren 1995 tot en met 1997 buiten aanmerking te laten - in dezen als een voldoende vorm van overgangsrecht en tegemoetkoming aan het voorkomen van incidenteel afwijkende inkomens kan worden gezien.

11. Eveneens ten onrechte stelt belanghebbende zich voor wat de hoogte van het premiepercentage betreft op één lijn met werknemers waarbij de werkgever een veelvoud van de door de werknemer te betalen ziekenfondspremie voor zijn rekening neemt. In dezen is niet een premiebedrag in geding maar een verklaring. Aan een toetsing aan het gelijkheidsbeginsel - verstaan als verdragsrechtelijk verbod van discriminatie - komt het Hof dus niet toe.

12. Anders dan belanghebbende verdedigt staat het de Inspecteur bij het afgeven van de onderwerpelijke verklaring niet vrij op gronden van billijkheid een andere uitvoering te geven aan de Regeling dan overeenstemt met de duidelijke bewoordingen en de strekking ervan.

slotsom:

Het vorenstaande voert tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 18 oktober 2001 door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belas-ting-kamer, in tegen-woor-dig-heid van mw. mr. A. Vellema als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(A. Vellema) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 oktober 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.