Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD4812

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
31-10-2001
Zaaknummer
99/1839
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1539
FutD 2001-2210
M en R 2002, 91
V-N 2002/4.36

Uitspraak

WS

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 99/1839

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het waterschap Rijn en IJssel (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1997 opgelegde aanslag in de waterschapsomslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.0. De aanslag nummer 1 is, naar beneden op hele guldens afgerond op ¦ 264,-, berekend voor de gebouwde onroerende zaak plaatselijk bekend a-weg 1 op ¦ 63,28 naar een economische waarde van ¦ 281 000 alsmede voor de ongebouwde onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Z, sectie A, nummer 1, op ¦ 173,67 naar 2.19.83 hectaren in klasse 2 en op ¦ 27,09 naar 67.72 aren in klasse 4 voor het waterkwantiteitsbeheer.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak van 1 juli 1999 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

1.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 9 augustus 1999.

1.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

1.3. Bij de mondelinge behandeling op 5 juni 2001 te Arnhem zijn belanghebbende en de Ambtenaar gehoord.

1.4. De notities van de pleidooien die belanghebbende en de Ambtenaar bij de mondelinge behandeling hebben gehouden worden, met bijlagen, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

1.1. Belanghebbende verzoekt - naar het Hof verstaat - de aanslag te verminderen primair tot ¦ 63,- en subsidiair tot (¦ 63,28 + 2,1983´ 0,35´ ¦ 114 + ¦ 27,09 = afgerond) ¦ 178,-.

1.2. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

1.1. Belanghebbendes ongebouwde onroerende zaak die in de aanslag is aangeduid, bestaat uit een bosperceel aan de b-weg en de c-dijk te Z met een totale oppervlakte van 2.87.55 ha (hierna: het bos).

1.2. Het bos ligt in het afwateringsgebied van de P, dat tot 1 januari 1997 viel onder het verzorgingsgebied van het voormalige Waterschap van de Berkel.

1.3. In het laagste deel van het bos liggen diepe sloten met een totale lengte van ruim 1 km. Zij kunnen ± 2 081 m³ water bergen. Zij zijn niet verbonden met de op ± 400 m afstand liggende dichtstbijzijnde watergang die bij het waterschap in beheer is.

1.4. Het westelijke en noordelijke deel van het bos ligt ongeveer één meter boven het laagste.

1.5. Het vrij afstromende water van de cultuurgronden ten oosten van het bos wordt hierop afgevoerd.

1.6. De houtopstand in het bos bestaat voor 66% uit donker naaldbos.

1.7. Van de Omslagklassenverordening Waterschap Rijn en IJssel 1997 (hierna: de omslagklassenverordening) luiden de artikelen 2, 4, 5 en 8, voor zover hier van belang:

Artikel 2

Voor de toepassing van de omslagverordening worden:

a. (enz.)

b. in het taakgebied betreffende het kwantiteitsbeheer vijf omslagklassen ingesteld voor ongebouwde onroerende zaken;

c. (enz.)

Artikel 4

De omslagklassen, bedoeld in artikel 2, sub b, zijn:

Klasse 1 Deze klasse omvat ongebouwde onroerende zaken gelegen in gebieden met een normaal voorzieningenniveau.

Klasse 2 Deze klasse omvat ongebouwde onroerende zaken, voorzover groter dan een halve hectare, waarvoor binnen de klasse 1 volstaan kan worden respectievelijk wordt met een aangepast voorzieningenniveau.

Klasse 3 Deze klasse omvat ongebouwde onroerende zaken gelegen in gebieden met een laag voorzieningenniveau.

Klasse 4 Deze klasse omvat ongebouwde onroerende zaken, voorzover groter dan een halve hectare, waarvoor binnen de klasse 3 volstaan kan worden respectievelijk wordt met een aangepast voorzieningenniveau.

Klasse 5 Deze klasse omvat ongebouwde onroerende zaken die geen belang hebben bij en waarvan de aanwezigheid niet van invloed is op een voorzieningenniveau als omschreven in de klassen 1, 2, 3 of 4.

De grenzen van de Klassen 1, 3 en 5 zijn aangegeven op een kaart behorende bij deze verordening.

Artikel 5

a. Tot de ongebouwde onroerende zaken, bedoeld in artikel 4, klasse 2 en 4 worden gerekend aaneengesloten gronden, groter dan 0,5 ha en breder dan 6 m die als bos- en natuurterrein zijn bestemd en/of in gebruik zijn;

b. (enz.)

Artikel 8

Voor de toepassing van artikel 4 gelden voor de heffingsmaatstaf de volgende vermenigvuldigingsfactoren:

Klasse 1 1

Klasse 2 0,7

Klasse 3 0,5

Klasse 4 0,35

Klasse 5 0

1.8. Artikel 6 van de Verordening op de waterschapsomslagen Waterschap Rijn en IJssel 1997 bepaalt het tarief van de omslag voor het waterkwantiteitsbeheer voor ongebouwd op ¦ 114,- per hectare.

1.9. Sinds de fusie van de rechtsvoorgangers van het waterschap Rijn en IJssel per 1 januari 1997 worden onder gebied met een laag voorzieningenniveau in de zin van artikel 4 van de omslagklassenverordening verstaan gebieden zonder ont-/afwateringsvoorzieningen en zonder zichtbaar waterbezwaar die relatief hooggelegen zijn en volgens de Bodemkaart van Nederland van de Stichting voor Bodemkartering grondwatertrap VII of VIII hebben.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of:

5.1.1. de Ambtenaar bevoegd was de aangevallen uitspraak te doen,

5.1.2. het bos enig belang heeft bij de uitoefening van de waterkwantiteitsbeheerstaak van het waterschap en, zo ja,

5.1.3. het bos voor 2.19.83 hectaren terecht in klasse 2 en niet in 4 voor ongebouwd is ingedeeld.

5.2. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Ambtenaar bevestigend.

5.3. Zij voeren daartoe aan wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -

5.3.1. door belanghebbende:

5.3.1.1. In de subsidiaire conclusie van zijn pleidooi moet 'vijfde' worden gelezen als: vierde.

5.3.1.2. Aan oostzijde van de dichtstbijzijnde sloot op 400 m afstand van het bos grenst cultuurgrond waarvan de gebruiker in droge tijden op ± 1 000 m afstand van de grens van het bos water oppompt voor de beregening.

5.3.1.3. Met het naijlingseffect (onderaan blad 9 van zijn pleitnotities) bedoelt hij dat een druppel water er zes tot acht weken over doet om in een watergang terecht te komen.

5.3.1.4. De aanslag voor het jaar 1997 bedraagt ¦ 200,76, wat 109% hoger dan de ¦ 96,07 voor 1996. Zelfs per boom is dat nog een groot verschil in guldens.

5.3.2. en door de Ambtenaar:

5.3.2.1. Hij is door het dagelijks bestuur aangewezen als degene aan wie de Waterschapswet de bevoegdheden van de inspecteur attribueert.

5.3.2.2. Gemiddeld is de toelichting op de Waterschapswet waarnaar onderdeel B-2 van het beroepschrift verwijst wel correct.

5.3.2.3. De classificatie door het voormalige Waterschap van de Berkel doet hier niet ter zake.

5.3.2.4. De dimensionering van de voorzieningen is afgestemd op het in waterstaatkundig opzicht als eenheid te beschouwen gebied waarvan het bos deel uitmaakt.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende betwist niet dat de Ambtenaar degene is die in het aanwijzingsbesluit van het dagelijks bestuur van 2 april 1998 (de laatste bijlage bij het vertoogschrift), onder 1, bedoeld is met 'cordinator heffingen'. Diens aanwijzing tot ambtenaar belast met de heffing berust derhalve op artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet.

6.2. Daaraan doet niet af dat artikel 131 ervan lijkt uit te gaan dat ook na de aanpassing van die wet aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht het dagelijks bestuur bevoegd zou zijn gebleven tot het doen van uitspraak op bezwaarschrift. Dit is klaarblijkelijk toe te schrijven aan de gang van zaken tijdens de parlementaire behandeling. Bij onderdeel 23 van de Nota van Wijziging van 3 oktober 1997 is in Hoofdstuk 10 van het voorstel van de Aanpassingswet derde tranche Awb II na artikel 1 een Artikel 2 toegevoegd, waarvan de aanhef en onderdeel O (Tweede Kamer 1997-1998, 25 464, nr. 6, blz. 15 en 17-18, toegelicht op blz. 29, onder O, Punt 3 en 4) inhouden dat, indien het bij koninklijke boodschap van 26 maart 1997 ingediende voorstel van de Aanpassingswet derde tranche Awb I (25 280) tot wet wordt verheven, die wet in Hoofdstuk 11, artikel 7 (Waterschapswet) als volgt wordt gewijzigd:

1. Na onderdeel O wordt een onderdeel Oa ingevoegd luidende:

Oa

In artikel 118, derde lid, wordt «het dagelijks bestuur» vervangen door: de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap.

2. (...)

3. In onderdeel S vervallen «en 131, eerste lid,», alsmede «telkens».

4. (...)

In het gewijzigd voorstel van wet van 6 november 1997 (Eerste Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 464, nr. 113, blz. 119) is deze wijziging opnieuw in die vorm opgenomen. Deze tekst is uiteindelijk in het Staatsblad (1997, 580, blz. 119) geplaatst. Het moet er, gelet op de geschetste gang van zaken en op de overeenkomstige wijziging die bij dezelfde aanpassing is aangebracht in artikel 241 van de Gemeentewet, voor worden gehouden dat thans in artikel 131 van de Waterschapswet abusievelijk sprake is van 'dagelijks bestuur' in plaats van 'de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap'.

6.3. De klachten in het beroepschrift onder D hebben de verste strekking en zullen daarom eerst worden behandeld.

6.4. In de aangevallen uitspraak stelt de Ambtenaar, dat mede gelet op het (grillige) verloop van de grondwatertrappen niet aannemelijk is dat overtollig water uit het bos in het geheel geen invloed zou hebben op de zijdens het waterschap in zijn gebied getroffen voorzieningen.

6.5. In beroep herhaalt belanghebbende zijn in bezwaar opgeworpen en toegelichte stelling, dat het bos geen overtollig water levert. Hij motiveert dit door erop te wijzen dat het bos de volledige neerslag verbruikt, vasthoudt in de strooisellaag waarin de haarwortels van de houtopstand mede zijn verankerd en conserveert in de watergangen met een lengte van meer dan 1 000 m en een waterberging van ruim 2 080 m³ binnen de ingesloten laagte van het bos. Voorts stelt hij dat de grondwaterstand onder het bos wordt verlaagd als gevolg van het wegpompen van water voor de drinkwatervoorziening, de landbouw en een aangrenzend golfterrein, zodat geen enkele druppel ondergronds de watergang op ± 400 m afstand bereikt.

6.6. In deze stellingen, die op zichzelf niet ongeloofwaardig voorkomen en door de Ambtenaar niet zijn weersproken, ligt besloten dat het bos geen bovengrondse of zichtbare afstroming heeft op enige voorziening die het waterschap voor het waterkwantiteitsbeheer in stand houdt. Tevens ligt daarin besloten, dat het bos door zijn oppervlakte en specifieke hoedanigheid op zichzelf een in waterstaatkundig opzicht als eenheid te beschouwen gebied vormt. Dit laatste vindt in zoverre bevestiging in de stelling van de Ambtenaar, dat met name voor als zodanig bestemde en/of als zodanig in gebruik zijnde bos- en natuurterreinen van meer dan een halve hectare gelegen in gebieden met een grondwatertrap die klasse 1 of 3 meebrengt, kan worden volstaan met een aangepast (lager) voorzieningenniveau en dat daarvoor klasse 2 onderscheidenlijk 4 is opengesteld. De onder 5.3.2.4 weergegeven stelling baat de Ambtenaar dus niet.

6.7. Daardoor faalt het verweer van de Ambtenaar, dat de vraag of de grondwatertrap in een individueel geval 'een paar meter meer naar links of naar rechts zou zijn gelegen' louter academisch is, (te meer) daar 'een zodanige verfijning op perceelsniveau niet past in het door de wetgever bedoelde omslagstelsel'.

6.8. Hetzelfde geldt voor het verweer van de Ambtenaar tegen de als subsidiair bedoelde stellingname van belanghebbende, dat er, voor zover na verdamping, transpiratie, evaporatie en interceptie nog sprake is van neerslagoverschot, het bufferend vermogen van de mos- en strooisellaag in combinatie met de waterbergende capaciteit van het bodemprofiel, sprake is van een naijlingseffect van zes tot acht weken. Zoals is geoordeeld in het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2000, nr. 34 924, BNB 2000/383*, kan niet op grond van de enkele omstandigheid dat enig van het perceel van belanghebbende afkomstig water uiteindelijk een watergang van het waterschap bereikt, worden gezegd dat het perceel belang heeft bij de werken van het waterschap en/of waterbezwaar oplevert.

6.9. Nu het bos geen bovengrondse of zichtbare afstroming heeft, is evenmin voldoende gebleken dat het direct belang heeft bij de uitoefening van de taak van het waterkwantiteitsbeheer.

6.10. De bestreden omslagheffing kan alleen in stand blijven indien het bos indirect belang heeft. Dit is het geval indien het waterbezwaar oplevert waardoor het de voorzieningen nodig maakt met behulp waarvan het waterschap zijn taak jegens lager gelegen onroerende zaken uitoefent. Van waterbezwaar bij onzichtbare ondergrondse afstroming vanuit een in waterstaatkundig als eenheid te beschouwen gebied is alleen sprake indien die afstroming zodanig is dat zij kosten veroorzaakt, bijvoorbeeld doordat daarmee bij de dimensionering van waterstaatkundige werken rekening moet worden gehouden (arrest van de Hoge Raad van 15 december 1999, nr. 34 736, BNB 2000/112*, in zoverre herhaald in het arrest van 22 maart 2000, nr. 34 189, BNB 2000/218c*, onder 4.3).

6.11. Van de zo-even bedoelde kostenveroorzaking is door de Ambtenaar, op wie in deze de stelplicht en de bewijslast rusten, niets gesteld of aannemelijk gemaakt.

6.12. Het primaire standpunt van belanghebbende wordt juist bevonden. Het subsidiaire standpunt en de ter ondersteuning daarvan aangevoerde grieven behoeven geen behandeling. Niettemin vindt het Hof daarin aanleiding ten overvloede het volgende op te merken.

6.13. Voor dit geding komt geen betekenis toe aan de maatstaven die het voormalige Waterschap van de Berkel aanlegde voor de wijze waarop de verschillen in belang worden bepaald voor de toepassing van de omslagklassen die dat waterschap had ingesteld op grond van artikel 120, vijfde lid, van de Waterschapswet in de tot 1997 gegolden hebbende tekst. Bijgevolg faalt de klacht onder A-1, waarmee belanghebbende kennelijk opkomt tegen wat in de aangevallen uitspraak onder A, eerste alinea, is overwogen, nu dit de indeling betreft in een omslagklasse die door dat voormalige waterschap was ingesteld en gedefinieerd.

6.14. Het verweer van de Ambtenaar tegen de klacht onder B-1 faalt op de gronden als hiervoor onder 6.7 genoemde verweer.

7. Slotsom

Het beroep is gegrond. De bestreden omslagheffing van het perceel D 00799 kan niet in stand blijven. Het overblijvende bedrag van de aanslag van f. 63,28 moet overeenkomstig artikel 122 van de Waterschapswet worden afgerond op f. 63,-.

8. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op zijn reis- en verblijfkosten, begroot op f. 36,-.

9. Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar;

- vermindert de aanslag tot f. 63,-;

- gelast de Ambtenaar aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van f. 85 te vergoeden;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van f. 36,-, te vergoeden door het waterschap Rijn en IJssel.

Aldus gedaan te Arnhem op 9 oktober 2001 door mr N.E. Haas, voorzitter, mr Lamens en mr drs Van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 oktober 2001

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het dagelijks bestuur binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.