Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD4761

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-10-2001
Datum publicatie
24-10-2001
Zaaknummer
00/00030
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1532
FutD 2001-2043

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/00030

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : naheffingsaanslag over het tijdvak van 9 september 1998 t/m 27 februari 1999

nummer : [1.Y9]

mondelinge behandeling : op 18 september 2001 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde […] alsmede de Inspecteur

gronden:

1. Motorrijtuigenbelasting is verschuldigd ter zake van het houden van een personenauto. De belasting wordt geheven van degene op wiens naam bij de aanvang van het tijdvak het kenteken is gesteld.

2. Belanghebbende stond sedert 27 februari 1998 als houder van het motorrijtuig met kenteken [AA-BB-00] ingeschreven in het kentekenregister. De datum van het kentekenbewijs deel I is 27 februari 1998.

3. Op 19 januari 1999 is ambtelijk geconstateerd dat gebruik van de weg werd gemaakt met het motorrijtuig, merk Renault, type 19, kenteken [AA-BB-00] tijdens een voor dat motorrijtuig, sinds 9 september 1998, geldende schorsing als bedoeld in Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. Belanghebbende betwist niet dat met het motorrijtuig met voormeld kenteken op 19 januari 1999 de weg is gebruikt.

4. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing de belasting worden nageheven.

5. Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wet wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd. De Inspecteur had dus een aanslag op moeten leggen over de periode van 27 februari 1998 tot en met 26 februari 1999, en, op grond van het vijfde lid van artikel 35 van de Wet, de belasting moeten verminderen met de over die periode betaalde belasting. Ter zitting heeft de Inspecteur toegegeven dat niet tot en met 27 februari 1999 had moeten worden nageheven maar tot en met 26 februari 1999. De Inspecteur heeft het Hof bericht dat als gevolg daarvan het bedrag van de na te heffen belasting dient te worden verminderd tot ƒ 411,-.

6. Het vermelden van het juiste tijdvak waarover de naheffingsaanslag is opgelegd is in gevallen als het onderhavige naar het oordeel van het Hof essentieel omdat door de Inspecteur slechts de te weinig geheven belasting kan worden nageheven. Op de herrekende belasting die over het op de juiste wijze vastgestelde naheffingstijdvak is verschuldigd komt de werkelijk over dat tijdvak betaalde belasting in mindering. Alleen op deze wijze is controle op de juistheid van de naheffingsaanslag mogelijk. Door de naheffingsaanslag op te leggen zoals hij heeft gedaan heeft de Inspecteur belasting nageheven over een periode die ligt buiten het wettelijke naheffingstijdvak, heeft hij de periode ten onrechte op 9 september 1998 laten aanvangen, en heeft hij ten onrechte geen rekening gehouden met de over het wettelijke naheffingstijdvak betaalde belasting. Het op een naheffingsaanslagbiljet voor de motorrijtuigenbelasting te vermelden tijdvak en het over dat tijdvak berekende bedrag aan belasting maken een zo essentieel onderdeel daarvan uit dat niet kan worden toegestaan dat in dat biljet een onjuist tijdvak wordt vermeld (behoudens een aanstonds aan belastingschuldige duidelijke kennelijke verschrijving) en dat belasting, verschuldigd over een buiten het wettelijke tijdvak gelegen periode, in de naheffingsaanslag wordt begrepen.

7. Hetgeen hiervoor is overwogen laat geen andere conclusie toe dan dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking niet in stand kunnen blijven. De Inspecteur kan, binnen de grenzen van het recht, een nieuwe naheffingsaanslag opleggen en een nieuwe beschikking nemen.

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op ƒ 40,- (reiskosten).

beslissing:

Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vernietigt de naheffingsaanslag;

vernietigt de boetebeschikking;

gelast de Inspecteur het griffierecht van ¦ 60,- aan belanghebbende te vergoeden;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ¦ 40, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2001 door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 oktober 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.