Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AD3450

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-07-2001
Datum publicatie
07-09-2001
Zaaknummer
00-00133
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/4.14 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 00/00133

U i t s p r a a k

op het beroep van de Stichting [X] (hierna: belanghebbende) te [Z] tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Aan belanghebbende is over het boekjaar 1991/1992 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 125.870,-. Bij voormelde uitspraak heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.2. De uitspraak is in beroep bevestigd door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 1 oktober 1998, nr. 95/2238.

1.3. Op het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 26 januari 2000, nummer 35.044, (BNB 2000/213) de uitspraak van het voormelde gerechtshof vernietigd en het geding verwezen naar het Hof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest, zulks op de volgende gronden:

3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende - kort samengevat - aangevoerd dat zij geen prestaties verricht voor de door de aannemers rond de stichting [A] afgestane gelden - welke door laatstgenoemde stichting worden geïnd ten behoeve van belanghebbende - en dat haar activiteiten uitsluitend bestaan uit enerzijds het ontvangen van evenbedoelde gelden en anderzijds het uit deze gelden verstrekken van geldelijke bijdragen aan bedrijven en instellingen die opleidingen aanbieden voor werknemers die niet in aanmerking komen voor het opleidingsprogramma van de Stichting [B].

3.3. (…)

3.4. Het middel treft doel voorzover het betoogt dat ’s Hofs oordeel dat sprake is van een onderneming als evenbedoeld, onvoldoende is gemotiveerd. Indien de hiervóór in 3.2 vermelde stelling van belanghebbende juist is, is immers geen andere conclusie mogelijk dan dat belanghebbende geen onderneming drijft in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel d, van de Wet. Mitsdien had het Hof deze stelling niet onbesproken mogen laten.

3.5. (…). Hierbij verdient opmerking dat ingeval komt vast te staan dat belanghebbende nog andere activiteiten dan de hiervoor in 3.2 genoemde verricht en moet worden geoordeeld dat deze andere activiteiten op zichzelf beschouwd een onderneming vormen, zulks niet zonder meer meebrengt dat de hiervóór in 3.2 genoemde activiteiten tot de ondernemersactiviteiten kunnen worden gerekend.

1.4. De Inspecteur en vervolgens de gemachtigde van belanghebbende hebben gebruik gemaakt van de na verwijzing geboden gelegenheid om schriftelijke conclusies in te zenden, waarop artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkomstig is toegepast.

1.5. Ter zitting van het Hof Arnhem van 15 mei 2001 zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde, [alsmede de Inspecteur]. De Inspecteur heeft daarbij een pleitnota overgelegd en deze ter zitting voorgelezen. De inhoud van de pleitnotities moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Conclusies van partijen na verwijzing.

2.1. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

2.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van nihil.

3. De feiten

Als vaststaand kan worden aangemerkt hetgeen door het gerechtshofhof te ’s-Hertogenbosch als vaststaand is aangemerkt.

4. Het geschil en de standpunten van partijen

4.1. Op grond van het in 1.3 genoemde arrest moet nog worden beoordeeld:

a. of belanghebbendes activiteiten uitsluitend bestaan uit enerzijds het ontvangen van gelden welke zijn afgestaan door de aannemers rond de Stichting [A] en anderzijds het uit deze gelden verstrekken van geldelijke bijdragen aan bedrijven en instellingen die opleidingen aanbieden aan de in rechtsoverweging 3.2 van het arrest genoemde werknemers, en zo neen

b. of de alsdan te constateren andere activiteiten van belanghebbende op zichzelf beschouwd een onderneming vormen en, zo die andere activiteiten een onderneming vormen,

c. of de onder a genoemde activiteiten tot de ondernemingsactiviteiten kunnen worden gerekend.

4.2. De standpunten van partijen zijn neergelegd in de stukken van het geding, in de vernietigde uitspraak van het hof te ’s-Hertogenbosch onder 2.1 tot en met 2.6 alsmede in de onder 1.4. bedoelde conclusies.

Belanghebbende beantwoordt de in punt 4.1. onder a geformuleerde vraag bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend. Voorts is de Inspecteur met betrekking tot de in punt 4.1.onder b en c geformuleerde vragen van oordeel dat deze bevestigend moeten worden beantwoord.

4.3. Zij hebben daaraan ter zitting toegevoegd:

door de gemachtigde van belanghebbende:

De activiteiten bestaan uit het bevorderen van opleidingen in de bouw met het doel om de werkgelegenheid in de bouw te stimuleren. Zo is bijvoorbeeld een subsidie gegeven aan een opleiding waar bouwvakkers specifiek zijn opgeleid om restauratiewerkzaamheden aan oude gebouwen te verrichten. Ik ben niet betrokken geweest bij de bestuursactiviteiten van belanghebbende. Voor zover ik weet bekijkt het bestuur waar de gelden nodig zijn en beslist het waaraan de gelden worden uitgegeven. Het bestuur gaat op zoek naar projecten waar mensen kunnen worden geplaatst die in het reguliere circuit niet aan het werk komen. Ik neem aan dat veel contacten in het informele circuit tot stand komen. De aannemers kloppen (ook) zelf bij belanghebbende aan. Er wordt ook geld verstrekt ten behoeve van voorlichtingsavonden op scholen. De voorlichting geschiedt niet door belanghebbende zelf. Alle bestuursleden hebben relaties in de bouwwereld. Het zoeken naar projecten bestaat met name uit het openhouden van ogen en oren door de bestuursleden.

Wel is nadrukkelijk actief onderzocht of en in hoeverre er bij ten dele arbeidongeschikte bouwvakkers interesse bestond om weer aan het werk te gaan en of en in hoeverre aannemers bereid waren aan deze bouwvakkers plaatsen beschikbaar te stellen, wat voor opleiding deze bouwvakkers zouden moeten volgen en hoe een en ander zou moeten worden georganiseerd. Belanghebbende heeft deze activiteiten willen onderbrengen in een aparte stichting, genaamd Stichting [C] en tijdelijk - naar ik meen voor een dienstverband van één jaar - een mevrouw in dienst genomen om deze mogelijkheden te onderzoeken. Het is ook mogelijk dat deze aanstelling over twee boekjaren heeft gelopen. Dit alles staat mij niet meer zo goed bij, maar ik maak dit op uit de jaarstukken. Als dit op prijs gesteld wordt kan ik een volgende zitting een oud-bestuurslid meebrengen doch ik betwijfel of deze iets wezenlijks zou kunnen vertellen over de feitelijke gang van zaken. De oprichting van [Stichting C] heeft uiteindelijk geen doorgang gevonden. Ter zake zijn alleen maar kosten gemaakt.

Belanghebbende is niet verplicht om de bijdragen van ƒ 2,- per inleenuur die zij via de Stichting [A] van aannemers ontvangt door te betalen. Zij kan deze bijdrage naar eigen inzicht besteden en zelf bepalen of zij deze doorbetaalt. Er is inderdaad een aanzienlijk vermogen ontstaan doch dit komt wel vaker voor bij dit soort stichtingen. Belanghebbende is opgericht op initiatief van het bestuur van de Stichting [A]. Bij de oprichting bestond het bestuur van de Stichting [A] en belanghebbende uit dezelfde personen. Het was belanghebbende dus duidelijk welk deel van de door de Stichting [A] van de aannemers ontvangen gelden aan haar moest worden afgedragen. Dit geldt nog steeds omdat één van de bestuurders van belanghebbende nog steeds deel uitmaakt van het bestuur van de Stichting [A]. Er bestaat geen overeenkomst over de af te dragen ƒ 2,- per uur. Alles speelt zich af binnen het informele circuit. In de praktijk doen zich geen problemen voor.

In de bouwwereld is het zeer gebruikelijk te vergaderen in restaurants. We hebben hier te maken met een zeer representatieve wereld. Het bestuur heeft het er kennelijk goed van genomen. Ik weet niet hoe vaak het bestuur bijeenkwam. De uitgaven werden binnen het bestuur goedgekeurd. Er was geen controle van buitenaf. Het verschil in onkostenvergoeding tussen de bestuurders en de commissarissen kan ik niet verklaren.

De Inspecteur concludeert veel te gemakkelijk dat reeds op grond van de hoge kosten moet worden aangenomen dat sprake is van meer dan normaal vermogenbeheer.

Het is mij niet bekend of belanghebbende belastingplichtig is voor de omzetbelasting. Uit de jaarrekening blijkt dat in ieder geval niet.

namens de Inspecteur:

De gemachtigde van belanghebbende geeft ter zitting zelf aan dat de bestuursleden van belanghebbende het bestuur op zoek gaan naar projecten. De activiteiten rondom de oprichting van [Stichting C] zijn eveneens op initiatief van belanghebbende zelf ontplooid. Voorts worden er door het bestuur van belanghebbende aanzienlijke kosten gemaakt. Naast de bestuurskosten worden nog forse representatiekosten, reis- en verblijfkosten circa ƒ 15.000,- (boekjaar 1991-1992) en ƒ 30.000,- (boekjaar 1992-1993) gemaakt. Als ik naar de bestuurskosten kijk kom ik op een bedrag van ƒ 2.500,- à ƒ 3.000,- per bestuurslid per maand. Daarin zijn dan nog niet begrepen de reiskosten en de representatiekosten. Dit gaat de kosten van normaal vermogensbeheer ver te boven. De activiteiten van belanghebbende zou ik willen beschrijven als het (zeer) actief op zoek gaan naar mogelijkheden om projecten te ontwikkelen dan wel te subsidiëren. Dit heet actief werven. Dit komt ook naar voren uit de hoogte van de kosten die belanghebbende binnen haar doelstelling maakt. De verklaring van de gemachtigde van belanghebbende dat het bestuur het er ruim van heeft genomen acht ik te mager.

Als een bestuur zeer actief is kan dit een aanwijzing zijn dat de activiteiten zich afspelen in de ondernemingssfeer. De bewijslast dat dit niet zo is ligt dan bij belanghebbende. Belanghebbendes gemachtigde kan niet volstaan met de mededeling dat hij niet precies weet hoe de contacten worden gelegd. Verklaringen die alleen zijn gebaseerd op veronderstellingen zijn niet afdoende. Als het bestuur de doelstelling van belanghebbende actief nastreeft en overal contacten heeft waar het die doelstelling aan de orde stelt, is sprake van een organisatie van arbeid en kapitaal en derhalve van een onderneming.

Met betrekking tot de kosten van de activiteiten in het kader van [Stichting C] spreken we over kosten van meer dan twee ton over twee boekjaren.

De opdracht aan het verwijzingshof gaat niet verder dan te onderzoeken of belanghebbende uitsluitend gelden heeft geïnd en doorgeschoven. Voor het overige blijft de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch in stand.

Uit de doelstelling van belanghebbende en de kosten die met het nastreven van die doelstelling zijn gemoeid, valt op te maken dat haar activiteiten bestaan uit meer dan alleen het beheren van vermogen.

Ik weet niet of belanghebbende belastingplichtig is voor de omzetbelasting.

5. Beoordeling van het geschil

5. De Inspecteur heeft in de - bij instellingen die geen winst beogen - niet gebruikelijke omvang van de onkostenvergoedingen aan de bestuursleden en de daarnaast opgevoerde aanzienlijke (representatie- en reis)kosten, een aanwijzing gezien en daaraan klaarblijkelijk het vermoeden ontleend en, naar het oordeel van het Hof, ook een aanwijzing kunnen zien en daaraan ook een vermoeden kunnen ontlenen dat belanghebbendes activiteiten, gelet ook op haar doelstelling, niet uitsluitend hebben bestaan uit het ontvangen en verstrekken van geldelijke bedragen. Het ligt alsdan bij de in het belastingprocesrecht geldende vrije bewijsleer op de weg van belanghebbende om haar stelling dat haar activiteiten niet meer inhouden dan evengenoemde activiteiten aannemelijk te maken, te meer nu zij daartoe zelf in de beste positie verkeert en de Inspecteur voor het bewijs van het tegendeel voor een groot deel afhankelijk is van de door haar te verstrekken informatie.

5.1. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting onder meer verklaard dat het bestuur van belanghebbende in het kader van het bevorderen van opleidingen in de bouw met het doel om de werkgelegenheid in de bouw te stimuleren, onderzoekt waar de ontvangen gelden nodig zijn en zelf beslist waaraan de gelden worden uitgegeven maar dat ook aannemers aankloppen bij belanghebbende. Voorts heeft de gemachtigde van belanghebbende voor de omvang en de aard van de door de Inspecteur aan de orde gestelde kosten geen andere verklaring kunnen geven dan dat er werd vergaderd in representatieve restaurants. De omstandigheid dat het bestuur zelf actief op zoek gaat naar geschikte projecten voor leerlingen in de bouw in het kader van hun opleiding en zelf beslist aan welke projecten de ontvangen gelden worden besteed, waartoe het - gelet op de omvang van de daarvoor gedeclareerde kosten naast de reeds ontvangen onkostenvergoeding - kennelijk veelvuldig bijeenkomt, rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof het vermoeden dat de activiteiten van belanghebbende meer inhouden dan het uitsluitend innen en verstrekken van gelden, en dat belanghebbende met haar werkzaamheden, door op de hiervoor beschreven wijze vorm en inhoud te geven aan haar doelstelling, deelneemt aan het economische verkeer. De omstandigheid dat de contacten met de aannemers zich - zoals belanghebbendes gemachtigde stelt en het Hof aannemelijk acht - afspelen in het informele circuit en dat het initiatief ook wel uitgaat van de aannemers ontzenuwt dit vermoeden niet.

Het gelijk met betrekking tot de in punt 4.1. onder a geformuleerde vraag is derhalve aan de Inspecteur.

5.2. Ook in activiteiten met betrekking tot het [Stichting C] -project, welke activiteiten ook door belanghebbende als actief onderzoek zijn gekwalificeerd, ziet het Hof een aanwijzing, ondanks dat deze activiteiten zich in het onderhavige jaar niet hebben voorgedaan, dat belanghebbendes activiteiten in het onderhavige jaar niet enkel bestonden uit werkzaamheden als bedoeld in onderdeel 3.2 van het verwijzingsarrest.

5.3. Uit de gang van zaken als vermeld onder 5.2 hiervóór leidt het Hof af dat belanghebbende ter verwezenlijking van haar doelstelling gebruik heeft gemaakt van de bij haar in de vorm van de leden van het bestuur aanwezige netwerk van contacten en de bij die leden aanwezige kennis van wat zich in de bouwwereld binnen haar regio afspeelde. Alsdan is sprake van een continue proces, waarbij een zodanige verwevenheid bestaat tussen enerzijds het in ontvangst nemen van de vrijwillig betaalde gelden van aannemers rondom de Stichting [A] en het - na onderzoek en selectie door belanghebbende - verstrekken van gelden aan inlenende bouwbedrijven, dat deze activiteiten niet los van elkaar kunnen worden gezien en in zijn geheel moeten worden aangemerkt als een organisatie van arbeid en kapitaal waarmee wordt deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer. Ook met betrekking tot de in punt 4.1. onder b en c geformuleerde vragen is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur. Nu voorts niet in geschil is dat belanghebbende doorlopend en in aanzienlijke mate aanzienlijke positieve resultaten heeft behaald, kan niet worden volgehouden dat bij haar geen winstoogmerk aanwezig zou zijn en moeten haar activiteiten worden aangemerkt als het drijven van een onderneming als bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

6. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

7. Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 9 juli 2001 door mr. Röben, voorzitter, mw. mr. De Kroon, mr. Kooijmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. Egberts, fiscaal jurist, en mw. mr. Nuboer als griffier.

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 juli 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

a. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.