Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB3039

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
98/1443
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

EvH

Gerechtshof Arnhem

Zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/1443

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd bureau belastingen van de gemeente Zwolle (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Zwolle.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren van een voertuig op 15 januari 1998 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Zwolle opgelegd ten bedrage van ƒ 66,58 bestaande uit ƒ 1,58 aan enkelvoudige belasting en ƒ 65,- aan kosten. De belastingaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ambtenaar gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Ambtenaar heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 maart 2001 te Arnhem. Aldaar is verschenen en gehoord [woordvoerders van de gemeente]. Belanghebbende is niet verschenen, hoewel opgeroepen overeenkomstig de wet.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. De auto van belanghebbende stond op 15 januari 1998 geparkeerd op een parkeerplaats aan het Bethlehems Kerkplein te Zwolle waar voor het parkeren van een voertuig parkeerbelasting moest worden voldaan.

2.2. Op 15 januari 1998, omstreeks 17.11 uur, heeft de parkeercontroleur geconstateerd dat op dat moment geen geldig betalingsbewijs in de auto van belanghebbende aanwezig was.

2.3. Ter zake van dit feit is een naheffingsaanslag opgelegd.

3. Het geschil, de standpunt en conclusie van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. De Ambtenaar heeft daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De ambtenaar concludeert tot handhaving daarvan.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij ter zake van de hiervóór vermelde gedraging de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Ter staving van dit standpunt heeft belanghebbende een afschrift van een betalingsbewijs overgelegd. Voorts stelt belanghebbende dat hij het betalingsbewijs duidelijk zichtbaar achter de voorruit had geplaatst, maar dat wellicht de, op het moment van controle, intredende duisternis ertoe heeft geleid dat de parkeercontroleur het betalingsbewijs niet heeft gezien.

4.2. De Ambtenaar bestrijdt dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Hiertoe heeft hij een op ambtsbelofte opgemaakte verklaring overgelegd van de parkeercontroleur waarin deze verklaart op 15 januari 1998, omstreeks 17.11 uur, slechts een verlopen kaartje gezien te hebben.

4.3. Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Ambtenaar onvoldoende aannemelijk dat hij ter zake van de onderhavige gedraging de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Het door belanghebbende overgelegde afschrift van een betalingsbewijs acht het Hof daartoe ontoereikend.

4.4. De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd.

5. Slotsom

Het beroep is niet gegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Ambtenaar.

Aldus gedaan te Arnhem op 13 juli 2001 door mr. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Hoorn als griffier.

(E.M. van Hoorn) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 juli 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit Gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.