Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB3034

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
99-01461
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/58.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TdK

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/01461

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende: [X]

te: [Z]

verweerder: de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing: uitspraak op bezwaar

betreft: inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997

nummer: [1.H.76]

mondelinge behandeling: op 28 juni 2001 te Arnhem

waarbij niet verschenen: beide partijen, met kennisgeving aan het Hof

gronden:

1. Belanghebbende heeft in haar aangifte 1997 bij de berekening van haar zuivere inkomsten uit arbeid, naast de werkelijk door haar gemaakte kosten, tevens de sedert 1991 ingevoerde verhoging van het arbeidskostenforfait tot een bedrag van ƒ 1.322 in mindering gebracht op haar arbeidsinkomsten. Daarnaast heeft zij een door haar werkgever verstrekte kostenvergoeding ad ƒ 513 niet in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft de beroepskosten op beide punten gecorrigeerd. In geschil is nog slechts de aftrekpost van ƒ 1.322 ter zake van het verhoogde arbeidskostenforfait.

2. Belanghebbende stelt in haar bezwaarschrift dat zij, op grond van het gelijkheidsbeginsel, recht heeft op de sinds 1991 geldende verhoging van het arbeidskostenforfait. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 4 april 1997, nummer 26/0609.

3. In zijn uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur aangevoerd dat voornoemde uitspraak bij arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1999, onder nummer 33 320 (gepubliceerd in BNB 1999/271c*) is vernietigd op de aldaar vermelde gronden.

4. Belanghebbende bestrijdt de uitspraak op het bezwaarschrift met - zo verstaat het Hof haar standpunt - de stelling dat de enkele mededeling van de Hoge Raad dat het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort door een regeling van de wetgever moet worden opgeheven onverlet laat dat (a) haar voor het onderhavige jaar rechtsherstel moet worden geboden nu daarbij in het midden is gebleven wanneer en hoe die ongelijkheid moet worden opgelost en (b) dat met name niet duidelijk is geworden of de bestreden ongelijkheid met terugwerkende kracht moet worden opgeheven.

5. Gelet op het onder 3. genoemde arrest van de Hoge Raad moet het onder 4. onder a. opgenomen standpunt van belanghebbende worden afgewezen. De Hoge Raad heeft met betrekking tot het antwoord op de vraag of de rechter dan wel de wetgever in het opheffen van het rechtstekort dient te voorzien, immers overwogen:

" 3.15. Deze afweging zal in het algemeen ertoe leiden dat de rechter aanstonds zelf in het rechtstekort voorziet indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe zulks dient te geschieden. In gevallen echter waarin verschillende oplossingen denkbaar zijn en de keuze daaruit mede afhankelijk is van algemene overwegingen van overheidsbeleid of belangrijke keuzes van rechtspolitieke aard moeten worden gemaakt, is aangewezen dat de rechter die keuze vooralsnog aan de wetgever laat, zulks zowel in verband met de in 3.14. bedoelde staatsrechtelijk gewenste terughoudendheid van de rechter als wegens zijn beperkte mogelijkheden op dit gebied. Niet uitgesloten is echter dat de afweging anders moet uitvallen ingeval de wetgever ermee bekend is dat een bepaalde wettelijke regeling tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling in de zin van voormelde verdragsbepalingen leidt, maar nalaat zelf een regeling te treffen die de discriminatie opheft."

en geoordeeld dat zich hier niet de situatie voordoet:

"3.18. …….. waarin duidelijk is hoe de rechter in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort zou moeten voorzien, maar zijn ter opheffing van de discriminatie verschillende oplossingen denkbaar en is de keuze daaruit mede afhankelijk van algemene overwegingen van overheidsbeleid. Dit brengt mee dat de rechter niet aanstonds zelf in het rechtstekort behoort te voorzien, maar zulks vooralsnog aan de wetgever dient over te laten. Het middel is derhalve gegrond. Gewezen zij echter op de in 3.15. bedoelde mogelijkheid dat de afweging terzake in de toekomst anders moet uitvallen. De Hoge Raad gaat ervan uit dat de regering met de nodige spoed een wetsontwerp zal indienen dat recht doet aan de op de Nederlandse Staat rustende verdragsverplichtingen op dit punt."

Het Hof leidt hieruit af dat de mogelijkheid van verschillende oplossingen voor de gesignaleerde ongelijkheid voor de Hoge Raad van doorslaggevende betekenis is geweest voor zijn oordeel dat niet de rechter doch de wetgever - die immers als beste in staat is de keuze mede af te stemmen op de meer algemene uitgangspunten van het overheidsbeleid - in het rechtstekort zou voorzien. Nu de Hoge Raad uitvoerig heeft gemotiveerd om welke redenen niet is gekozen voor één oplossing, behoeft de klacht van belanghebbende over de onduidelijkheid van de wijze waarop het rechtstekort moet worden opgeheven, geen verdere behandeling.

Hoewel de Hoge Raad de wetgever voorts met betrekking tot het indienen van een wetsvoorstel, dat de bestaande ongelijkheid moet opheffen tot de nodige spoed heeft gemaand, ligt tevens in voornoemde rechtsoverwegingen besloten dat de wetgever voor het indienen van een evenwichtige regeling een redelijke termijn moet worden gegund die het mogelijk maakt om de verschillende oplossingen tegen elkaar af te wegen, deze te bezien op de daaraan verbonden budgettaire gevolgen en af te stemmen op het meer algemene politieke beleid, alvorens tot een definitieve keuze te komen.

In de Wet inkomstenbelasting 2001 die geldt met ingang van 1 januari 2001 is de onderhavige rechtsongelijkheid in het kader van een algehele belastingherziening opgeheven. Aftrek van andere verwervingskosten dan die neergelegd in artikel 3.80 Wet IB 2001 (het gezamenlijk bedrag van de fietsaftrek, de reisaftrek en de zeedagenaftrek) is voor werknemers uitgesloten, terwijl de arbeidskorting (als onderdeel van de standaard-heffingskorting) geldt voor alle werkenden. Nu het wetsvoorstel waarin de ongelijkheid wordt opgeheven op 14 september 1999, derhalve binnen enkele maanden na het wijzen van voornoemd arrest van de Hoge Raad, is ingediend bij de Staten-Generaal, heeft de wetgever de gesignaleerde ongelijkheid met voldoende voortvarendheid aangepakt. In dit verband kan nog worden vermeld dat de Hoge Raad in zijn arrest van 24 januari 2001, nummer 35 603, Vakstudie Nieuws 2001/9.3, met betrekking tot een andere geconstateerde ongelijkheid (het verhoogde autokostenforfait) - gelet op de samenhang van dit forfait met andere regelingen in de arbeidssfeer die eveneens aan herziening toe waren - onvoldoende gronden aanwezig heeft geacht om de wetgever een verwijt te maken dat hij de reeds in 1998 (HR 15 juli 1998, nr. 31 922, BNB 1998/293) geconstateerde rechtsongelijkheid eerst met ingang van 1 januari 2001 in het kader van de algemene belastingherziening (Wet IB 2001) heeft opgeheven.

6. Geen rechtsregel verplichtte de wetgever om met terugwerkende kracht een einde te maken aan de geconstateerde rechtsongelijkheid. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien zou moeten worden geoordeeld dat de wetgever niet de nodige spoed zou hebben betracht, doch voor een zodanig oordeel is - zoals onder 5 is uiteengezet - in dezen geen plaats. In ieder geval was de wetgever niet gehouden om de hier geconstateerde rechtsongelijkheid op te heffen met terugwerkende kracht tot vóór 1999 gelegen belastingjaren (vergelijk: voornoemd arrest van de Hoge Raad 24 januari 2001, nr. 35 603). Het standpunt van belanghebbende, hiervoor opgenomen in 4. onder b, moet daarom eveneens worden afgewezen.

slotsom:

Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan op 12 juli 2001 door mr. Röben, voorzitter, mr. De Kroon en mr. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Nuboer als griffier en op die datum door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier, uitgesproken.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 juli 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.