Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB3027

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-07-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
99-03368
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IV

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/03368

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende: [X]

te: [Z]

verweerder: de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]

aangevallen beslissing: uitspraak op bezwaar tegen naheffingsaanslag nummer [1.F.01]

soort belasting: omzetbelasting

tijdvak: 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998

mondelinge behandeling: met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Aan belanghebbende is op 26 juni 1999 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 opgelegd, omdat belanghebbende over dat tijdvak ƒ 356,- te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan en ten onrechte ƒ 4.335,- te veel omzetbelasting heeft terugontvangen. De naheffingsaanslag omvat ƒ 4.691,- aan belasting en ƒ 234,- aan boete. De naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van een door belanghebbende ingediende suppletie-aangifte.

Tussen partijen is niet in geschil dat hier sprake is van een vrijwillige verbetering.

2. Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend de vraag of de Inspecteur

terecht een verzuimboete als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ( hierna: de Wet) heeft opgelegd.

3. Ingevolge artikel 67c, lid 1, van de AWR kan de Inspecteur, indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, althans gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald een verzuimboete van ten hoogste ƒ 10.000,- opleggen.

4. Nu in artikel 67c van de Wet - anders dan in artikel 67 f van de Wet - artikel 20, eerste lid, tweede volzin van de Wet, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard, kan een verzuimboete uitsluitend worden opgelegd ter zake van te weinig op aangifte voldane omzetbelasting en niet ter zake van te veel terugontvangen omzetbelasting. De boete had in dit geval daarom beperkt moeten blijven tot 5% van ƒ 356,- of wel ƒ 17,-.

5. Hetgeen belanghebbende overigens aanvoert kan hem niet baten.

slotsom:

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Het Hof berekent belanghebbendes proceskosten in overeenstemming met het Besluit fiscale procedures op (1 × ƒ 710,- × 0,25 ) = ƒ 177,50.

beslissing:

Het Gerechtshof

· vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze betrekking heeft op de boete ;

· vermindert de boete tot ƒ 17,-;

· bevestigt de uitspraak voor het overige;

· veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ƒ 177,50 te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

· gelast de Ambtenaar aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 450,- te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2001 door mr. T.J. Matthijssen, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van I.B. Vermeulen-Post als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(I.B. Vermeulen-Post) (T.J. Matthijssen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 juli 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.