Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2970

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
99-01606
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/1606

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 44.245,-. Er is een bedrag van ¦ 288,- aan heffingsrente berekend.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de bestreden uitspraak wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk verklaard in het bezwaar.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 mei 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, [gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur].

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende en zijn huidige echtgenote (hierna: de vrouw) hebben in 1996 in dienstbetrekking gewerkt. Daarnaast hebben zij vanaf oktober 1996 activiteiten ontplooid op het gebied van fitness, aerobics en steps al dan niet in combinatie met het verstrekken van adviezen over voedingsprogramma’s met daarbij -zo nodig - verkoop van supplementen. Op 3 februari 1998 is bij de Kamer van Koophandel [Q] ingeschreven een eenmanszaak met de handelsnaam "[a]" met als datum van vestiging 20 september 1996 en met aanduiding van belanghebbende als degene voor wiens rekening de onderneming wordt gedreven.

2.2. Wegens gebrek aan voldoende eigen vermogen bleek de bank niet bereid een aanvankelijk ambitieus plan te financieren waarbij die activiteiten zo spoedig mogelijk op een goede locatie in een adequate huisvesting zouden kunnen plaatsvinden. Belanghebbende heeft daarop zijn plannen aangepast, zonder zijn oorspronkelijke doelstelling prijs te geven.

2.3. Er zijn op beperkte schaal investeringen gedaan (¦ 20.000,- voor apparatuur), er is geadverteerd, er zijn artikelen in kranten verschenen ([…]), er is een logo en reclamemateriaal vervaardigd en er zijn folderacties geweest. Belanghebbende heeft voorts via netwerken in de plaatselijke sportwereld getracht zo veel mogelijk mensen enthousiast te maken voor de lessen en de voedingsprogramma’s.

2.4. De lessen fitness werden door belanghebbende gegeven; de lessen aerobics en steps door de vrouw. De activiteiten met betrekking tot de voedingsprogramma’s zijn volledig door belanghebbende uitgevoerd. Belanghebbende heeft daarvoor een sporthal gehuurd voor ¦ 1.500,- per maand. Beiden hebben zij elk meer dan 25 uur per week aan die activiteiten besteed.

2.5. Over 1996 is een negatieve winst uit onderneming aangegeven van ¦ 12.162,-. In het vierde kwartaal van 1996 is een omzet behaald van ¦ 5.137,-De vrouw is in 1997 zwanger geworden. Haar activiteiten heeft ze in september 1997 beëindigd in de verwachting dat ze die activiteiten weer zou kunnen oppakken zodra het kind geboren zou zijn. De door belanghebbende over het jaar 1997 aangegeven negatieve winst uit onderneming bedraagt ¦ 3.878,-. In het eerste kwartaal van 1997 bedroeg de omzet ¦ 5.423,-, in het tweede kwartaal ¦ 3.304,-. De omzet over de periode juli 1997 tot en met juni 1998 was nihil. Het aantal klanten was uiteindelijk gegroeid tot rond 150 personen, waarvan circa 30 tevens een voedingsprogramma hadden laten samenstellen. Op 8 januari 1998 is het kind geboren. Al vrij snel daarna bleek de vrouw te lijden aan de gevolgen van bekkeninstabiliteit in een zo ernstige mate dat het opnieuw actief zijn aan de zijde van haar echtgenoot voorshands niet tot de mogelijkheden behoorde.

2.6. De activiteiten op het gebied van aerobics en steps zijn daarna noodgedwongen gestaakt. Medio 1998 werden de aangeschafte apparaten verkocht. De omzet over het derde kwartaal van 1998 bedroeg ¦ 1.120,- en die over het vierde kwartaal ¦ 5.331,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of de hiervoor onder 2.1. genoemde nevenactiviteiten een bron van inkomen vormen. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd.

De Inspecteur heeft nog opgemerkt niet langer te willen bepleiten dat, zoal sprake is van een bron van inkomen, sprake is van twee ondernemingen. Hij is thans ervan overtuigd dat alsdan sprake is van één onderneming met belanghebbende als enige ondernemer.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en - kennelijk - vermindering van de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 32.083,--. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Ontvankelijkheid bezwaar

De Inspecteur volgt in beroep alsnog het standpunt van belanghebbende dat het bezwaar tijdig is ingediend. Het Hof zal partijen in dat standpunt volgen nu dit niet berust op onjuist juridisch uitgangspunt.

5. Beoordeling van het geschil

Bron van inkomen

5.1. Belanghebbende heeft vanaf oktober 1996 door het (laten) geven van genoemde lessen niet gehandeld in de persoonlijke levenssfeer, doch deelgenomen aan het economische verkeer. Voor het geven van die lessen was de arbeid van belanghebbende en zijn huidige echtgenote essentieel. Het Hof hecht geloof aan de stelling van belanghebbende dat, zo daaraan behoefte bestond, ook voedingsprogramma’s werden samengesteld. Belanghebbende heeft daarvan ter zitting voorbeelden laten zien.

5.2. Deze activiteiten zijn naar hun aard zakelijk. Het ligt dan op de weg van de Inspecteur om zijn stelling dat daarvan redelijkerwijs geen voordeel valt te verwachten aannemelijk te maken. De Inspecteur is daarin niet geslaagd. Het Hof heeft bovendien weinig twijfel dat dergelijke activiteiten in het huidige tijdsgewricht, na een niet al te lange aanloopperiode, voldoende winst kunnen opleveren.

5.3. Het Hof acht voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat het de bedoeling is geweest om, klein beginnend, geleidelijk een bloeiend bedrijf tot stand te brengen. Het feit dat een deel van de activiteiten in september 1997 door de zwangerschap en nadien door een "onheil van buitenaf" zijn beëindigd ontneemt daaraan niet het duurzaam karakter. Er is in de aanvangsfase slechts een gering bedrag aan vreemd kapitaal (¦ 10.000,-) aangetrokken.

5.4. Het Hof komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat in 1996 sprake is van een organisatie van kapitaal en arbeid die erop gericht was met behulp daarvan duurzaam deel te nemen aan het economische verkeer met het oogmerk om winst te behalen die, mogelijk eerst in de toekomst, ook redelijkerwijs kon worden verwacht.

5.5. In dat geval staat tussen partijen vast dat belanghebbende in 1996 winst uit onderneming heeft genoten uit een uitsluitend voor zijn rekening gedreven onderneming. Het beroep is derhalve gegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2,5 punt maal ƒ 710,- maal wegingsfactor 1 ofwel ƒ 1.755,-.

7. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in diens bezwaar,

- vermindert de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.083,-,

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ¦ 85,--, en

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ¦ 1.755,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 22 juni 2001 door mr. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. E.M. van Hoorn, als griffier.

(E.M. van Hoorn) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 juni 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.