Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2954

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
99-00264
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/1152
FutD 2001-1524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/00264

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de Ambtenaar)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag precariobelasting 1996

nummer : [1]

mondelinge behandeling : op 29 mei 2001 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende alsmede [de Ambtenaar]

gronden:

1. Belanghebbende heeft op 2 maart 1992 de (mede)eigendom verworven van het bedrijfspand [...] aan de [a-weg 1 te Z].

2. Ten behoeve van de verwarming van het pand is in het (verre) verleden op aanvraag en ten behoeve van de vorige eigenaar een olietank van 2 m² geplaatst onder de aangrenzende openbare gemeentegrond. Aan de vorige eigenaar zijn ter zake jaarlijks aanslagen precariobelasting opgelegd. Ondanks de wisseling van eigenaar in 1992 is de aanslag precariobelasting 1993 (abusievelijk) nog aan de vorige eigenaar opgelegd. Als gevolg van een mutatiefout, is voor het jaar 1994 geen aanslag opgelegd.

3. Achteraf is gebleken dat het pand bij de verkoop in 1992 al twintig jaar niet meer werd verwarmd met behulp van oliebrandstof en dat de verbinding tussen de tank en het pand was verbroken. De aanwezigheid van de tank kon niet worden afgeleid uit een zichtbaar vul- of ontluchtingspunt. Ook had de verkoper belanghebbende niet op de hoogte gesteld van het bestaan van genoemde olietank. In de akte van levering wordt geen melding gemaakt van een olietank en ook overigens is de verschuldigdheid van precariobelasting niet kenbaar. Ter zitting is gebleken dat de tank inmiddels is verwijderd.

4. Eerst op 29 november 1997 wordt belanghebbende op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van de olietank door middel van aanslagen in de precariobelasting over de jaren 1995, 1996 en 1997. Op het aanslagbiljet voor het onderhavige jaar staat vermeld: [a-weg 1], bezine-/olietank 2 m², 1 jaar, grondslag 43 jaar, bedrag f 86,--.

5. De Ambtenaar stelt zich primair op het standpunt dat de tank, nu deze door een van de vorige eigenaren in openbare gemeentegrond is geplaatst om te dienen als reservoir voor de verwarmingsinstallatie van het onderhavige pand, op grond van die bestemming bestanddeel is geworden van de onderhavige onroerende zaak. Omdat belanghebbende door de aankoop in 1992 eigenaar is geworden van de onroerende zaak, is hij tevens eigenaar geworden van de olietank, ook al was hij niet op de hoogte van de aanwezigheid daarvan.

6. Subsidiair verdedigt de ambtenaar dat belanghebbende, ook indien hij geen eigenaar is geworden van de tank toch precariobelasting verschuldigd is op grond dat de tank in het onderhavige jaar op de betreffende plek onder de gemeentegrond was geplaatst (aanwezig was) ten behoeve van belanghebbende.

7. Belanghebbende bestrijdt het primaire standpunt van de ambtenaar met het argument dat hij gelet op de onder 3 genoemde (juridische en feitelijke) omstandigheden geen eigenaar van de tank is geworden en diens subsidiaire standpunt met het argument dat de tank niet door hem noch ten behoeve van hem is geplaatst.

8. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht in de heffing van precariobelasting is betrokken, welke vraag de Ambtenaar bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

9. Artikel 2 van de verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting van de gemeente Nijmegen (jaar 1997) bepaalt dat de belasting wordt geheven van degene die één of meer voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, heeft of ten behoeve van wie deze voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond worden geplaatst.

Ingevolge de jurisprudentie wordt de term "hebben" voor de precariobelasting ruim geïnterpreteerd. Daaronder wordt niet alleen verstaan het hebben als eigenaar doch ook het hebben als huurder of direct belanghebbende (H.R. 7 oktober 1998, nr. 33.553, VN 1998/50.38). Voor wat betreft het directe belang is echter vereist dat het voorwerp in of onder de gemeentegrond is geplaatst onderscheidenlijk aanwezig is ten behoeve van de belanghebbende (Hof Amsterdam 22 maart 1993, FED 93/287, Hof Arnhem 12 september 1995, Belastingblad 1996/214).

10. Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende door natrekking eigenaar is geworden van de onderhavige olietank is van betekenis hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ingevolge het eerste lid van dit artikel is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, bestanddeel van de hoofdzaak.

11. Indien een gebouw en een (onderdeel van een) apparaat in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, ligt hierin een aanwijzing dat de apparatuur als bestanddeel van de onroerende zaak moet worden beschouwd en dat deze zaken tezamen naar verkeersopvatting als één zaak moeten worden gezien. Hetzelfde geldt wanneer een gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als bedrijfspand bij ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd (H.R. 15 november 1991, NJ 1993/316, 317).

Uit de omstandigheid dat de onderhavige olietank reeds meer dan 20 jaren buiten gebruik is en het bedrijfspand al die jaren zonder gebruikmaking van die tank als bedrijfspand in gebruik is geweest, volgt dat de olietank naar verkeersopvattingen niet als bestanddeel van het pand kan worden aangemerkt en dat belanghebbende niet op grond van artikel 3:4, lid 1, BW eigenaar is geworden van de olietank.

12. Nu vaststaat dat de verbinding tussen het bedrijfspand en de olietank is verbroken kan niet worden gezegd dat belanghebbende op grond van artikel 3:4, lid 2, BW eigenaar is geworden van de olietank. Alsdan kan immers niet worden volgehouden dat bedoelde tank niet van het aan belanghebbende in eigendom toebehorende bedrijfspand kan worden afgescheiden zonder beschadiging van dat bedrijfspand of de olietank zelf. Het tegendeel geldt echter voor de gemeente. Nu de olietank in de gemeentegrond is geplaatst kan deze niet uit de grond worden gehaald zonder dat in ieder geval beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan de gemeentegrond. Een en ander brengt mee dat het de gemeente zelf op grond van artikel 3:4, lid 2, BW eigenaar is geworden van de olietank.

13. Gelet op de onder 3 genoemde omstandigheden, met name de omstandigheid dat belanghebbende de olietank nimmer heeft gebruikt, laat staan zelf heeft geplaatst kan ook niet worden gezegd dat de olietank ten behoeve van belanghebbende in de gemeentegrond aanwezig is.

14. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende in het onderhavige jaar ten onrechte in de precariobelasting is betrokken.

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

Gelet op de proceskostenveroordeling in de ter zitting gelijktijdig behandelde zaak met het nummer 99/00263, bestaat voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling in deze zaak geen grond.

beslissing:

Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vernietigt de aanslag;

gelast de Ambtenaar het griffierecht van ¦ 80,- aan belanghebbende te vergoeden;

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2001 door mw. mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 juni 2001

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd e, krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.