Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2949

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
99-01348
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/46.9 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 99/01348

U i t s p r a a k

op het beroep van [X te Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aan hem voor het jaar 1997 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 161.886,--, geheel belast op de voet van de tabel van artikel 53a, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 151.886,-- waarvan een bedrag van ¦ 98.824,-- is belast tegen 45 percent.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 mei 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur].

1.5. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur bij zijn pleitnota drie bijlagen overgelegd.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

1.4. Belanghebbende, in 1997 64 jaar geworden, dreef tezamen met zijn echtgenote een landbouwbedrijf in de vorm van een maatschap.

2.2. Het landbouwbedrijf beschikte over een melkquotum van circa 72.000 kilogram melk en, behalve over enige gehuurde grond, over een drietal tot het bedrijfsvermogen behorende percelen grond, met de nummers 1, 2 en 3 aangegeven op de tot de gedingstukken behorende plattegrond. De percelen 1 (erfperceel van 1,3635 hectare, sectienr. E 10) en 2 (3,6515 hectare, sectienrs. O 40 en O 42) zijn gelegen naast de omstreeks 1960 gebouwde woonwijk [a] en vallen binnen het op die plattegrond gearceerde gebied, door de Inspecteur "woonvlek B" genoemd, dat bestemd is voor huidige en toekomstige woningbouw. Perceel 3 is gelegen in het plan [b] (0,2605 hectare, sectienr. E 78). De percelen hebben een agrarische bestemming.

2.3. Tot begin 1997 hebben de maten de koeien zelf gemolken. Daarna konden ze dit als gevolg van ouderdom, reuma en heupklachten niet meer volhouden. Belanghebbende wilde zijn bedrijf daarom staken. De melkkoeien zijn in mei 1997 verkocht en het melkquotum is nu geen koper kon worden gevonden verhuurd.

2.4. Belanghebbende was van plan om daarna de grond aan te houden voor "duurzaam zelfgebruik" en de woning te verbouwen om deze geschikt te maken voor dubbele bewoning. Er zou worden getracht met een toekomstige koper van het quotum tegelijk een pachtovereenkomst voor perceel 2 af te sluiten. Belanghebbende heeft na mei 1997 nog enkele stuks jongvee en paarden gehouden.

2.5. Op 17 maart 1998 heeft belanghebbende een "Aanvraag gezamenlijke taxatie" voor het erfperceel ingediend bij de Belastingdienst. De taxatie is op 6 mei 1998 door twee deskundigen uitgevoerd.

2.6. In de structuurvisie "Plan [Z] 2010" van 3 juni 1997 wordt aangegeven dat na het volbouwen van [b] aan bebouwing in oostelijke richting wordt gedacht. In januari 1998 is het structuurplan " [Z] Stad" gepresenteerd. Hierin is tot 2015 een woningbehoefte van 1690 woningen becijferd, waarvan 1125 woningen gebouwd moeten worden in de woonvlekken A tot en met C. De provincie heeft voor de periode tot en met het jaar 2002 toestemming gegeven voor de bouw van circa 78 woningen per jaar. Op 26 maart 1998 heeft de raad van de Gemeente [Z] een voorbereidingsbesluit genomen waarbij een procedure in gang wordt gezet om te komen tot wijziging van de bestemming van het gebied, waarin ook de percelen van de maatschap zijn gelegen.

2.7. De gemeente [Z] heeft bij brief van 5 maart 1999 aan belanghebbende onder meer het volgende medegedeeld:

"De gemeente is voornemens de eerstvolgende woonuitbreidingen te laten plaatsvinden in het gebied dat globaal gelegen is tussen de [c-weg, d-weg en het e-bos]. Gelet op het aantal woningen dat de gemeente [Z] jaarlijks mag bouwen verwachten wij de eerstkomende 8 à 10 jaar aan dit plangebied voldoende te hebben om de stadsuitbreidingen te kunnen realiseren. Wij zien op dit moment geen redenen om binnen de genoemde periode van 10 jaar aan uw eigendommen een andere dan een agrarische bestemming toe te kennen.".

2.8. Belanghebbende heeft perceel 2, dat hij na mei 1997 nog in de "hobbysfeer" gebruikt en dat hij niet van plan is te verkopen, per 31 december 1997 overgebracht naar het privé-vermogen.

2.9. De Inspecteur heeft het bedrag aan stakingswinst op perceel 2 als volgt berekend:

3.65.15 ha grond 456.500 WEV per 311297

220.000 WEVAB per 311297

¦ 236.500,--.

De Inspecteur heeft daarbij gesteund op de uitkomsten van het taxatierapport dat op verzoek van belanghebbende [...] op 14 oktober 1998 is opgemaakt.

2.10. De Inspecteur heeft van de stakingswinst de helft, ofwel ƒ 118.500,--, toegerekend aan belanghebbende en het aangegeven belastbare inkomen met dat bedrag verhoogd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

PRIMAIR

Heeft de Inspecteur voormeld bedrag van ƒ 118,250,-- terecht tot hebbendes stakingswinst gerekend?

Belanghebbende meent dat dit voordeel onder de landbouwvrijstelling valt, de Inspecteur betwist dit.

SUBSIDIAIR

Moet de grond ondernemingsvermogen blijven?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ¦ 33.636,-- (ƒ 151.886 minus ƒ 118.250). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

Vermogensetikettering

4. 1. Belanghebbende gaat voor de beoordeling van het primaire geschilpunt ervan uit dat perceel 2 in 1997 naar het privé-vermogen moest worden overgebracht. De Inspecteur heeft zich in de conclusie van dupliek, in afwijking van hetgeen door hem in het vertoogschrift onder punt 6, primair is opgemerkt, klaarblijkelijk op het standpunt gesteld dat de aanslag over 1997 tot een te hoog bedrag is vastgesteld, omdat daarin - nu perceel 2 niet naar het privé-vermogen mocht worden overgebracht - ten onrechte een bedrag aan stakingswinst van ƒ 118.250,-- is begrepen. Het Hof zal de Inspecteur in dat standpunt niet volgen. Het Hof twijfelt er - anders dan de Inspecteur - niet aan dat de wil van belanghebbende erop gericht was de bestaande onderneming in 1997 te beëindigen en dat hij ook dienovereenkomstig heeft gehandeld. Belanghebbende wenste perceel 2 niet te verkopen, doch in privé te gaan gebruiken. Hij heeft, toen geen koper voor het melkquotum kon worden gevonden, in de hobbysfeer nog enige dieren gehouden op het perceel tot het moment waarop met een eventuele koper van het melkquotum een pachtovereenkomst voor het perceel zou kunnen worden gesloten. Er is niet aannemelijk gemaakt dat het perceel na mei 1997 binnen een landbouwbedrijf is gebruikt (op 9 september 1998 beschikte belanghebbende over 3 weidekoeien en een pink) of dat het in werkelijkheid is aangehouden tot een gunstig moment voor verkoop. Onder die omstandigheden stond het, mede gelet op het hiervoor onder 2.3. en 2.4. overwogene, aan belanghebbende vrij perceel 2 [reeds] in 1997 naar het privé-vermogen over te brengen. Belanghebbende heeft dusdoende de grenzen van de redelijkheid niet overschreden. Blijkens de conclusie van dupliek gaat de Inspecteur in dat geval - met belanghebbende - er van uit dat staking van de onderneming heeft plaatsgevonden en wel per 31 mei 1997.

Landbouwvrijstelling

4.2. Nu perceel 2 in 1997 voor het laatst werd aangewend voor de uitoefening van belanghebbendes landbouwbedrijf en dit perceel bij de beëindiging van dat bedrijf is overgebracht naar belanghebbendes privé-vermogen, moet het perceel grond worden aangemerkt als grond die voor de toepassing van artikel 8, lid 1, onderdeel b, van de Wet sedertdien buiten het kader van het landbouwbedrijf wordt aangewend. Daarmee heeft zich in het onderhavige geval ten aanzien van het vermelde perceel grond een feitelijke verandering voorgedaan, te weten de bij de beëindiging van het bedrijf voltrokken wijziging van de bestemming. Deze feitelijke verandering heeft te gelden als een omstandigheid waarmee de waardeverandering van het perceel grond verband houdt, als bedoeld in artikel 8, lid 1, onderdeel b, van de Wet, ook al is die waardestijging niet veroorzaakt door de onttrekking aan het ondernemingsvermogen als zodanig, maar door de planologische bestemmingswijziging of de mogelijkheid voor particulieren zich daar te vestigen (vgl. HR 16 december 1998, BNB 1999/143)

Bestemmingswijzigingswinst

4.3. Partijen stellen zich op het standpunt dat de hiervoor in 2.9. vermelde, getaxeerde waarden per 31 december 1997 mede als de waarden per 31 mei 1997 hebben te gelden. Het Hof zal partijen hierin volgen nu niet is gebleken dat dit standpunt berust op een onjuist juridisch uitgangspunt. Het door de Inspecteur in aanmerking genomen bedrag aan bestemmingswijzigingswinst (ƒ 118.250,--) blijft mitsdien gehandhaafd.

4.4. Belanghebbende heeft eerst in zijn conclusie van repliek gesteld dat bij de waardering van de ondergrond van het bedrijfsgedeelte (0.31.35 ha) eveneens rekening moet worden gehouden met duurzame zelfbewoning.

Belanghebbende berekent dan, bij gelijkblijvende WEVAB (ƒ 30.000) en handhaving van een vrijgesteld bedrag per 31 maart 1986 van ƒ 65.000,-- (WEV ƒ 85.000 -/- WEVAB ƒ 20.000), dat de bestemmingswijzigingswinst voor deze grond moet worden bepaald op nihil, in plaats van op ƒ 55.000,-- zoals de Inspecteur in aanmerking heeft genomen.

4.5. De Inspecteur is het met belanghebbende eens dat alsnog rekening moet worden gehouden met de waardedruk wegens duuurzame zelfbewoning, maar wenst die waardedruk dan ook toe te passen voor de WEVAB en bij de berekening van het per 31 maart 1986 vrijgestelde bedrag.

4.6. Het Hof kan, met de Inspecteur, niet inzien waarom die voor de WEV toegepaste waardedruk niet tevens zou moeten gelden voor de daarbijbehorende WEVAB. In dat geval is er voorts geen grond om bij de berekening van de waarden per 31 maart 1986 die waardedruk achterwege te laten. Hetgeen belanghebbende daarover te berde brengt overtuigt het Hof niet. Het Hof zal daarom die waardedruk als volgt in aanmerking nemen:

WEV 311297 ƒ 90.000 (60%)

WEVAB 311297 ƒ 18.000 (60%)

----------- ƒ 72.000

WEV 310386 ƒ 51.000 (60%)

WEVAB 310386 ƒ 12.000 (60%) ƒ 39.000

-----------

Te belasten ƒ 33.000.

De Inspecteur heeft bij de berekening van de bestemmingswijzigingswinst derhalve ƒ 11.000,-- (50% van ƒ 55.000,-- minusƒ 33.000,--) teveel in aanmerking genomen.

4.7. De Inspecteur heeft tenslotte naar voren gebracht dat het door belanghebbende geclaimde bedrag aan zelfstandigenaftrek dient te vervallen, aangezien hij niet aannemelijk acht dat belanghebbende in de eerste vijf maanden van het jaar 1997 tenminste 1225 uur heeft besteed aan het feitelijk drijven van de onderneming.

Belanghebbende, op wie de bewijslast daarvan rust, heeft het tegendeel niet gesteld en aannemelijk gemaakt, terwijl dit ook overigens niet gebleken is. De Inspecteur stelt zich dan terecht op het standpunt dat alsnog de volledige in aanmerking genomen aftrek van ƒ 5.705,-- dient te vervallen.

Conclusie.

4.8. Op grond van het onder 4.6. en 4.7. overwogene dient het belastbaar inkomen te worden verminderd met ƒ 5.295,--.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2,5 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 2 ofwel ƒ 3.550,--.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een naar een aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 146.591,-- waarvan ƒ 87.824,-- belast tegen 45%,

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ¦ 85,--, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ¦ 3.550,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 14 juni 2001 door mr. N.E. Haas, voorzitter, mr. Lamens en mr. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn als griffier.

(E.M. van Hoorn) (N.E. Haas))

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 juni 2001

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.