Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2926

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
31-07-2001
Zaaknummer
99-01902
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 99/01902

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

inspecteur : het hoofd van de Belastingdienst/Particulieren [P] (hierna: de Inspecteur)

beslissing : uitspraak op een bezwaarschrift

aanslag : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997, aanslagnummer [H76]

mondelinge behandeling : gehouden te Arnhem op 29 mei 2001

waarbij verschenen : belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot [alsmede] de Inspecteur

gronden:

1. Belanghebbende is van Surinaamse afkomst, en in het onderhavige jaar werkzaam bij de Provincie [Q]. Haar bruto inkomsten uit arbeid bedroegen in het onderhavige jaar ƒ 74.281.

2. Belanghebbende heeft over 1997 aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 34.956. Zij heeft bij de berekening van het aangegeven belastbare inkomen rekening gehouden met een aftrek van ƒ 5.700 (dit is na aftrek van de drempel van ƒ 800) wegens buitengewone lasten ter zake van de betaling van kosten van levensonderhoud van haar in [R], Suriname, wonende ouders. Haar vader was in het onderhavige jaar 65 jaar, haar moeder 61 jaar oud. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag deze aftrekpost niet geaccepteerd, en het belastbare inkomen van belanghebbende vastgesteld op ƒ 40.656.

3. De Inspecteur heeft de in 2. bedoelde aftrekpost geweigerd omdat belanghebbende niet met schriftelijke bescheiden heeft aangetoond dat zij tot een bedrag van ƒ 6.500 betalingen heeft gedaan aan haar ouders. Voorafgaand aan de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur een verzoek om schriftelijke informatie verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende omtrent de aftrekpost, onder meer met betrekking tot de inkomens- en vermogenspositie van de ondersteunden, en verzocht te bewijzen dat een bedrag van meer dan ƒ 2.600 noodzakelijk is geweest voor het levensonderhoud. Deze informatie is kennelijk niet verstrekt. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift afgewezen omdat geen schriftelijke betalingsbewijzen konden worden overgelegd. In het vertoogschrift neemt de Inspecteur het standpunt in dat de aftrek voorts moet worden geweigerd omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ouders in behoeftige omstandigheden verkeren.

4. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat haar bijdragen vooral bestemd waren om de kosten van een medische behandeling van haar vader te kunnen betalen. Zij verwijst naar de kopieën van nota’s van ziektekosten die tot de stukken van het geding behoren. Voor het overige levensonderhoud van de ouders van belanghebbende worden regelmatig goederenpakketten naar Suriname verzonden. De waarden daarvan zijn niet in de aftrekpost van ƒ 6.500 begrepen. De moeder van belanghebbende werkt niet. Haar vader is electrotechnicus en drijft als zodanig een eenmanszaak. In verband met zijn ziekte zijn er echter geen inkomsten geweest. De inkomsten liepen toch al sterk terug omdat haar vader vooral afhankelijk was van overheidsbestedingen die eveneens zeer terugliepen. Zij kan overigens geen gegevens verstrekken met betrekking tot de inkomens- of vermogenspositie van haar ouders. Zij heeft een zus die met haar man en hun drie kinderen in [R] woont. Die kunnen haar ouders echter niet (mede) ondersteunen; dat gezin heeft zelf behoefte aan ondersteuning vanuit Nederland.

5. Met betrekking tot de betaling van het bedrag van ƒ 6.500 heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat die betaling in Nederlandse guldens is geschied. Zij stuurde regelmatig wisselende bedragen per post. Ook werden wel bedragen met familieleden of bekenden die naar Suriname gingen meegegeven. Belanghebbende is in maart/april 1997 ongeveer 2,5 week in [R] geweest toen haar vader werd geopereerd. Zij heeft toen contanten aan haar ouders gegeven om de kosten van de medische behandeling te betalen. Dit bedoelt zij met haar stelling in het beroepschrift dat zij zelf de kosten ter plekke heeft voldaan. Dat een aantal nota’s, behoudens de gestempelde dagtekening, identiek is verklaart zij aldus dat haar vader kennelijk in gelijke termijnen mocht betalen. Voor het gegeven dat op, kennelijk dezelfde, afrekeningen van het ziekenfonds bedragen en nummers zijn gewijzigd, heeft zij geen verklaring. De wijziging van de genoten verpleging van derde in tweede klasse houdt verband met het feit dat bij verpleging in de derde klasse in het geheel geen verzorging in het ziekenhuis wordt geboden. Familieleden moeten de patiënt dan zelf verzorgen, te eten geven, enzovoorts. De moeder van belanghebbende was daartoe niet in staat. Belanghebbende stelt voorts dat postwissels naar Suriname zeer lang onderweg zijn en soms zelfs niet aankomen, en dat banktransacties moeizaam tot stand komen en leiden tot hoge omwisselingskosten. Bovendien kunnen de bedragen dan alleen in Surinaamse guldens worden opgenomen, terwijl veel specialisten slechts in Nederlandse guldens betaald willen worden. Zij stelt dat degene "met het beste geld het beste wordt geholpen". Belanghebbende kan geen specificatie geven van het door haar betaalde bedrag van ƒ 6.500. Zij beschikt slechts over de verklaring van haar moeder dat zij ƒ 6.500 heeft ontvangen.

6. Het Hof stelt voorop dat het, bij de aftrek als buitengewone lasten, voor het begrip levensonderhoud niet alleen gaat om de voorziening in de eerste levensbehoeften maar ook om datgene wat nodig is om de ondersteunde in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig zijn plaats in de samenleving. De uitkeringen van de ondersteuner moeten in een daadwerkelijke behoefte van de ondersteunde persoon voorzien, waarbij de behoefte van de ondersteunde wordt afgemeten naar diens plaats in de samenleving, diens eigen inkomsten of mogelijkheden om zelf inkomen te verwerven en diens vermogen. Het moet daarbij gaan om een voorziening in daadwerkelijke levensbehoeften. Voorts neemt het Hof als uitgangspunt dat ziektekosten, gemaakt tot een niveau dat niet ongebruikelijk is voor personen als de ondersteunde, tot de kosten van levensonderhoud kunnen worden gerekend.

7. Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op de in 2. bedoelde aftrekpost is allereerst van belang het antwoord op de vraag of de ouders van belanghebbende in staat waren zelf in hun levensonderhoud te voorzien overeenkomstig hun plaats in de samenleving. Gesteld noch gebleken is dat die plaats een andere is dan die van een oudere, in [R] wonende, zelfstandige en zijn echtgenote. Belanghebbende heeft gesteld dat haar ouders in het onderhavige jaar geen eigen inkomsten hadden, doch zij heeft omtrent het inkomen of het vermogen van haar ouders geen enkel gegeven naar voren gebracht. Temeer nu haar vader als zelfstandige gevestigd is in [R] had dit van belanghebbende wel mogen worden verwacht. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ouders in het onderhavige jaar in behoeftige omstandigheden verkeerden. In een aantal gevallen behoeft die behoeftigheid echter niet te worden onderzocht, gelet op de Resolutie van 30 maart 1982, nr. 282-3183, BNB 1982/125. De door de Inspecteur bij de aanslagregeling gestelde vragen duiden er op dat hij van mening is dat die resolutie in het onderhavige geval van toepassing zou kunnen zijn. Omdat echter ook in die gevallen met ingang van 1 januari 1997 de aantoonbaarheid van de betaling voorop staat zal het Hof eerst beoordelen of belanghebbende de betalingen met schriftelijke bescheiden heeft aangetoond.

8. Op grond van artikel 46, eerste lid, onderdeel a, sub 2o, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kunnen, voor zover hier van belang, uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van bepaalde verwanten alleen in aftrek worden gebracht indien zij met schriftelijke bescheiden worden aangetoond. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt dat de wetgever hierbij het oog heeft gehad op zodanige bewijsmiddelen die het mogelijk maken op eenvoudige wijze te controleren dat de betalingen zijn gedaan. Betalingen kunnen in beginsel slechts in aanmerking worden genomen wanneer deze zijn gedaan op voor de belastingdienst redelijkerwijs te controleren wijze, zoals door bankoverschrijvingen ten name van de persoon die wordt ondersteund of per internationale postwissel. Een dergelijke verzwaring van de bewijslast strookt met de bedoeling die de wetgever met de invoering van die bepaling heeft gehad. In bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien geen bancair verkeer mogelijk is of geen mogelijkheid bestaat geld per postwissel over te maken, moet de mogelijkheid worden geboden betalingen op andere wijze aan te tonen dan door het overleggen van stortingsbewijzen. Op belanghebbende rust de last zodanige omstandigheden aannemelijk te maken en, alsdan, aannemelijk te maken dat de betalingen zijn gedaan.

9. Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in het bewijs dat in het onderhavige jaar de omstandigheden in Suriname zo bijzonder waren dat bancair verkeer met Suriname niet mogelijk was, of dat geen mogelijkheid bestond geld per postwissel naar Suriname over te maken. De enkele stelling van belanghebbende dat postwissels naar Suriname zeer lang onderweg zijn en soms zelfs niet aankomen, en dat banktransacties moeizaam tot stand komen en leiden tot hoge omwisselingskosten acht het Hof daartoe onvoldoende. Belanghebbende heeft zelf gesteld dat ook aan andere betalingswijzen, zoals per koerier, kosten zijn verbonden. Ook belanghebbendes stelling dat haar ouders in Suriname moeten beschikken over Nederlandse valuta en opnamen na overboeking per bank of per postwissel slechts plaats kunnen vinden in Surinaamse guldens tegen een onvoordelige koers acht het Hof niet van belang en bovendien niet aannemelijk. Voor zover verschillen tussen de officiële en de niet-officiële koersverhoudingen al een bijzondere omstandigheid zouden kunnen vormen heeft belanghebbende daaromtrent niets concreets gesteld en aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft voorts weliswaar verklaard dat haar bijdragen zijn gebruikt ter voldoening van de kosten van de medische behandeling van haar vader en dat veel specialisten betaling in Nederlandse guldens of in Amerikaanse dollars eisen, doch uit de door haar overgelegde kopieën van de desbetreffende nota’s blijkt dat alle nota’s (behoudens beweerdelijk een nota met betrekking tot een verzekeringspremie van ƒ 922,50 hetgeen echter uit die nota zelf niet blijkt) luiden in Surinaamse guldens. Het Hof neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat zich onder de stukken van het geding een kopie bevindt van een bewijs van storting op 19 december 1997 door en/of ten behoeve van de vader van belanghebbende, van een contant bedrag van Sfl. 101.500 op een door de ontvanger aangehouden bankrekening bij de ABN-AMRO-bank te Paramaribo. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat bij dergelijke mondiaal opererende bankinstellingen rechtstreekse storting vanaf een bij die instelling in Nederland aangehouden bankrekening (hetgeen, nu de nota’s op de naam van de vader van belanghebbende zijn gesteld, naar het oordeel van het Hof zou hebben geleid tot een betaling in geld en niet in natura) in het onderhavige jaar niet mogelijk is geweest.

10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur de in geschil zijnde aftrek terecht heeft geweigerd. De uitspraak op het bezwaarschrift moet worden bevestigd.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van haar beroep heeft moeten maken.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 12 juni 2001 door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(N.Th. Wagener) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 juni 2001

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ¦ 150. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.