Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2001:AB2915

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-07-2001
Datum publicatie
31-07-2001
Zaaknummer
99-03139
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/46.24 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1519
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/03139

U i t s p r a a k

op het beroep van de Stichting [X], gevestigd te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de haar voor het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting met het nummer [1.F.01].

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof.

1.1. De naheffingsaanslag, gedagtekend 1 mei 1999 bedraagt ƒ 8.173,- zonder verhoging. Aan heffingsrente is ƒ 589,-- berekend.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak van 19 augustus 1999 gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden te Arnhem op 5 juni 2001. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur].

2.3. De notities van het pleidooi dat door de gemachtigde van belanghebbende, bij de mondelinge behandeling van de zaak is gehouden, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken de volgende feiten vast.

3.2. Belanghebbende is in 1986 onder de naam Stichting Kamermuziek [Z] opgericht en heeft haar naam blijkens de tot de gedingstukken behorende statutenwijziging met ingang van 1 januari 1988 doen wijzigen in haar huidige naam "Stichting X".

3.3. Blijkens artikel 2 van haar (gewijzigde) statuten heeft belanghebbende ten doel

"kamermuziekconcerten te laten geven door (bij voorkeur jonge Gelderse) beroepsmusici voor belangstellenden uit [Z] en wijde omgeving."

welke doelstelling zij tracht te verwezenlijken door:

"het organiseren van minstens vijf concerten per jaar in de Raadzaal van het Gemeentehuis van [Z]".

3.4. Tijdens een op 3 februari 1999 bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is gebleken dat belanghebbende per seizoen ten minste vijf concerten organiseert in de raadszaal van het gemeentehuis te [Z] en incidenteel nog een extra concert in de [a]kerk te [Z]. De concerten in de raadzaal trekken gemiddeld 200 à 220 betalende bezoekers waarvan ongeveer 185 bezoekers abonnementshouders zijn die daarvoor ƒ 75,-- per seizoen betalen. De overige plaatsen zijn bestemd voor de vrije verkoop. Het concert in de [a]kerk telt ongeveer 500 betalende bezoekers. Het abonnement strekt zich niet uit tot het concert in de [a]kerk. Naast het organiseren van concerten verricht belanghebbende nog diensten op het gebied van reclame, die sponsorgelden opleveren.

Aan de organisatie van de concerten heeft belanghebbende sinds haar oprichting een bedrag van ƒ 15.000,-- per 31 december 1998 overgehouden, welk bedrag zij als reserve heeft aangemerkt.

3.5. Op grond van de in de boekhouding aanwezige registratie heeft de Inspecteur over het hiervoor genoemde tijdvak de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

4. Het geschil en de standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen:

a. of belanghebbende kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet); en zo ja,

b. of belanghebbende op grond van artikel 11, eerste lid, letter f, van de Wet is vrijgesteld van omzetbelasting;

c. of belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel mocht menen dat zij geen omzetbelasting verschuldigd was, althans of de Inspecteur is tekortgeschoten in zijn informatieplicht.

4.2. Belanghebbende beantwoordt de onder a geformuleerde vraag ontkennend en de onder b en c geformuleerde vragen bevestigend. De Inspecteur neemt ter zake tegenovergestelde standpunten in.

4.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting van 5 juni 2001 is daaraan nog het volgende mondeling toegevoegd:

door de gemachtigde van belanghebbende

De feiten zoals weergegeven in het vertoogschrift zijn juist. Ook de bedragen als zodanig worden niet betwist Als belanghebbende geweten had dat zij belastingplichtig was voor de omzetbelasting had zij de b.t.w. op het kaartje kunnen afdrukken en in rekening kunnen brengen. De ambtenaar die belanghebbende in 1987 heeft voorgelicht had haar beter moeten informeren. Er is sprake van vrijwilligerswerk of - zo men wil - van het beoefenen van een hobby door muzikale mensen die geen winst beogen.

door de Inspecteur:

Belanghebbende voldoet aan de criteria (organisatie van arbeid en kapitaal) voor het ondernemerschap in de omzetbelasting zoals deze zijn ontwikkeld in de jurisprudentie. Zij neemt deel aan het maatschappelijk verkeer. De criteria voor het ondernemerschap voor de vennootschapsbelasting zijn te dezen niet van belang.

De wet bepaalt dat de voorwaarden waaronder een vrijstelling kan worden verleend bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Nu de Besluitgever ervoor heeft gekozen om stichtingen zoals belanghebbende ter zake van de door hen verrichte prestaties van sociaal-culturele aard niet op te nemen in bijlage B van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 kan niet worden gesproken van vrijgestelde prestaties. Wellicht is dit door de Besluitgever beslist vanwege het veelal commerciële karakter van die prestaties of het brede verband waarin deze worden verricht. Stichtingen die soortgelijke evenementen organiseren zijn evenmin in bijlage B opgenomen.

Het staat de wetgever vrij om de invulling van de vrijstelling voor prestaties van sociaal-culturele aard over te laten aan de besluitgever.

In 1987 is door de Inspecteur loonbelasting uitsluitend over de loonbelasting gesproken. Er was geen sprake van een beleid dat erop was gericht om belastingplichtigen uitdrukkelijk te wijzen op hun omzetbelastingplicht. De belastingplichtige blijft zelf verantwoordelijk voor zijn belastingverplichtingen. Pas na de sinds de reorganisatie van de Belastingdienst ingevoerde integratie worden belastingplichtigen ook op andere heffingen gewezen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat belanghebbende voor de door haar verrichte culturele prestaties bestaande uit het organiseren van concerten vergoedingen ontvangt in de vorm van abonnementsgelden en opbrengsten uit kaartverkoop. Aldus verricht belanghebbende diensten in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wet.

5.2. Belanghebbende stelt dat zij niet als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet kan worden aangemerkt. Zij voert hiertoe aan dat zij bij gebreke van een winstoogmerk niet deelneemt aan het maatschappelijk verkeer. Nu eenieder die de concerten wil bijwonen toegang kan krijgen tot de concerten door betaling van abonnementsgeld of betaling van een los toegangskaartje zijn de personen van wie zij vergoedingen ontvangt niet te vereenzelvigen met belanghebbende en neemt belanghebbende deel aan het economische verkeer. De omstandigheden dat belanghebbende gedurende de dertien jaren van haar bestaan slechts geringe winstmarges heeft behaald en dat de leden van haar bestuur hun werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende zonder enige vergoeding hebben verricht doen daaraan niet af.

Ook doet daaraan niet af de omstandigheid dat de wetgever voor de toepassing van de vennootschapsbelasting - om doelmatigheidsredenen - een vrijstelling in het leven heeft geroepen voor het geval de winst van instellingen als belanghebbende niet meer bedraagt dan de bedragen genoemd in het Vrijstellingsbesluit vennootschapsbelasting. De omzetbelasting wordt geheven ter zake van het consumptieve gebruik van goederen en diensten door particulieren en heeft daarmee een geheel andere grondslag dan de vennootschapsbelasting die de winst van rechtspersonen belast, terwijl voorts de omzetbelasting anders dan de vennootschapsbelasting is afgestemd op de Zesde richtlijn van 17 mei 1977, nr. 77/388/EEG (Pb. EG 13 juni 1977, nr. L145) en daardoor voor een belangrijk deel een Europees karakter heeft.

5.3. Ook het betoog van belanghebbende dat haar door de besluitgever ten onrechte geen vrijstelling wordt verleend, moet worden verworpen. Uitgangspunt bij een algemene verbruiksbelasting als de omzetbelasting is dat in beginsel alle prestaties verricht in het maatschappelijk verkeer worden belast teneinde te voorkomen dat er een verstoring optreedt van de onderlinge concurrentieverhoudingen tussen de ondernemers. Nu belanghebbende deelneemt aan het maatschappelijk verkeer treedt zij ook in concurrentie met ondernemers die soortgelijke prestaties verrichten. Ingevolge artikel 13. ad A, aanhef en eerste lid, onderdeel n, van voornoemde Zesde richtlijn verlenen de Lid-staten vrijstelling van omzetbelasting ter zake van bepaalde culturele diensten door culturele instellingen die door de betrokken Lid-staat worden erkend onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstelling te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. Hieruit blijkt enerzijds dat de richtlijngever de nationale wetgever een grote mate van vrijheid heeft gelaten om zelf te bepalen welke culturele prestaties worden vrijgesteld en op welke wijze daarin wordt voorzien, en anderzijds dat - in lijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie - de vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd in verband met het hiervoor omschreven uitgangspunt dat geen verstoring van de concurrentieverhoudingen mag optreden. Nu in de Wet zelf (artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel f) is vastgelegd dat prestaties van sociale of culturele aard niet worden vrijgesteld indien de ondernemer winst beoogt en zich een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen voordoet, heeft de wetgever in redelijkheid kunnen besluiten de nadere invulling van de vrijstelling over te laten aan de besluitgever.

5.4. Uit het feit dat instellingen als belanghebbende niet zijn opgenomen in de lijst van bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 leidt het Hof af dat eerdere verzoeken om vrijstelling na onderzoek door het Ministerie van Financiën zijn afgewezen dan wel dat van dergelijke verzoeken door belanghebbenden is afgezien omdat dit onderzoek zich niet alleen uitstrekt tot de aard van de activiteiten doch mede tot de in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel f, van de Wet gestelde voorwaarden omtrent het winstoogmerk en de concurrentieverstoring. Nu dit soort instellingen met hun prestaties deelnemen aan het economisch verkeer bestaat voor een onverbindendverklaring van het Besluit wegens het niet opnemen van een vrijstelling voor deze instellingen geen aanleiding. Het staat het Hof - gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel f, - voorts niet vrij om de prestaties van belanghebbende op grond van de redelijkheid onder de vrijstellingsbepalingen van Bijlage B te scharen.

5.5. Belanghebbende betoogt voorts dat zij aan de omstandigheid dat de Inspecteur loonbelasting haar bij het door haar met die inspecteur in 1987 gelegde contact toen niet heeft gewezen op een eventuele belastingplicht voor de omzetbelasting, het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat haar geen naheffingsaanslag voor de omzetbelasting zou worden opgelegd. Het Hof kan belanghebbende in dit betoog niet volgen aangezien eerst sprake kan zijn van een rechtens te beschermen vertrouwen indien door de bevoegde inspecteur inlichtingen zijn verstrekt onderscheidenlijk toezeggingen zijn gedaan waarop een belastingplichtige, handelend naar die inlichtingen of toezeggingen, in redelijkheid zich kan beroepen. Nu niet in geschil is dat het bedoelde contact plaatsvond met een ambtenaar met wie slechts is gesproken over aspecten van de loonbelasting en de premieheffing kan geen vertrouwen zijn gewekt met betrekking tot (het al dan niet bestaan van) belastingplicht voor de omzetbelasting. Anders dan belanghebbende kennelijk meent ligt het niet op de eerste plaats op de weg van de Inspecteur om een belastingplichtige te informeren over mogelijke omzetbelastingplicht doch ligt het te allen tijde op de weg van de belastingplichtige zelf aangifte te doen en zich in ieder geval daaromtrent te laten informeren. Nu belanghebbende dit heeft nagelaten kan niet worden gezegd dat de Inspecteur te dezen een verwijt kan worden gemaakt.

6. Slotsom

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is en dat de uitspraak op het bezwaarschrift moet worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof vindt geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof heeft moeten maken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 9 juli 2001 door mr J.B.H. Röben, raadsheer als voorzitter, mw mr M.C.M. de Kroon, mr J.A. Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr J.L.M. Egberts, fiscaal jurist, en N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 juli 2001

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.